Cesuur en Lemniscaat III
Cesuur en Lemniscaat III
Op het gras
wierp hij met een handruk
het zaad
dat uit zijn fluit
spoot
met een
handgebaar
verschikt hij het boeket
bloemen op het grasperk
aan de rui-
ker voedt hij het geplengd mannenvocht
en de tuil
spreidt hij op het bed
van
bruidstuiltjes vol schaafkrulgekruld
paars
kindertongfluweel der Huakinth
van bruidsjurksleepjes vol
bloedgespat
op de maagd–
–lelie,
van de tijger–
van de tros
kuipjes in de kroon van
de vijver-Koningin,
van
tot orgelwerk geknoopt aronskelk-
paviljoen–
pijpwit om de stampers
van de drie botergele kelen
de botergeile strot–
–trits uit ja-
loersheid overdwarsend van Narkiss–––––––––
–––––––––Sos als offerande offeran-
de narKiss narKiss narKiss
in een
virtuoze kreits en lus
met een
viriele handruk zichzelf en
kus
legt hij
tot uit zijn lippen melk van
dorst ontsnapt en uit elke
tepel-
corona honing over zijn borst
van honger
manna onder zijn kiel,
bierzog uit zijn prostaattulp-ei-ui,
bloedwijn door de karaftuit–fallus:
met diepe teugen waar hij op proost
Als door rijp gesteven grassprieten
tot tapijt polijst en koestert hij;
tapt uit zijn onverzandbaar vochti-
ge bron naar glijmiddel : onverza-
digbaar eeuwig jeugdig vruchtsap :
on-
der zijn
boom van Kwaad en Goed stroomt de
Olijfhof-Sodoma-Salsabîl –
levensboom de elixir–Styx en
–Lethe –
In de vijver overeind
staand
komt hij tot rust, waar hij zijn blik
ook heenwendt;
als zijn hurk-
bilvlak hij
van zijn hiel optilt, op de rechtsdraai-
ende zool hurkend van de ande-
re, stilgehouden, bil,
draait hij met
hem mee
en in een zee
spoedig, waar-
op zijn vloed uitkabbelt de wereld
van de Kunst
neemt hij in zijn open-
en dichtvouwende aars
waar, met het
sluitend diastolische en weer
opengaand systolische geklop
van de lens instemmend : gepareld
kristal op zijn geslachts kikvorspink
schiep hij het symbool ervoor en ziet
alles wat hij ook maar wilde zien :
het reisdoel, dat zijn lijfs pelgrimstocht
op de bol afsluit
en hem vlak voor
zijn voeten uitspreidt en projecteert
Plattegrond–
Hologram naar 5
naar
8 einders of naar 13
einders:
dat dra miljarden
fluoresce-
rende oogstip-lichten schitteren
op zijn kleed van pauw en diepzeevis :
Nachtpaarden
die, van links of rechts het
Platonisch beeldvlak van het portaal
in
gestapt, hun ogen draaien, naar-
mate híj de zijne diep in ze
laat zinken, wentelend met ze mee
geen van hen die ze neerslaat
geest van
alle sterren pompt het traanvlies door
dat zijn vlees van hún
gezicht scheidt met
zijn afstand
Plotseling reikt een hoef
liefhebbend uit de leegte recht zijn
ribben door met gespreide vinge-
ren drukt vol mededogen zijn hart
“Nog even”, vraagt hij “wacht!”,
buigt zich, en
het gewicht torsend van de spiegel
aan zijn borst kartelt hij de wervels
en legt hem in het gras
dieper ach
dieper zijn geslachtsdeel tot een prop
frommelend papier weg in zijn schoot
met het scherp borstbeen tussen knieën
door
lippen aan de Grond neus op de
Grond boort hij zijn voorhoofd in de Grond
HOMO
Anaconda die zich in-
ritst
ruggegraat per –graat eengepaard
met het vlak knielend in de Regel
drijft hij in het water dat zichzelf
uitwist met het water dat zichzelf
ververst
en in de rug
weet hij wat
hij vergeet
hoort hij waar hij doof voor
is
betast afgehakt zijn vleugel
van slang : wat hem verlangt
hobbelt zijn
spookvoet naar het beloofde land dat,
cycloop, hij zag
terwijl voor het pas-
sievrucht-zaad zijn tong verkankert en
cocaïne-rot zijn neusbeen nog
naar muskus snuffelt,
maar
in het Diep
vóór hem is
voor zijn zesde zintuig
hoe het glas
zijn grens in schuifdeurvleu-
gels gevat zijn stof van bladtjen op
het water kokerjuffer libel
glazenmaker
Laguiole-dun snijdt
vordert door zijn organen
nadert
zijn merg
inwendig is hij van ijs
gevleugeld
prevelt wat diamant
krast op zijn onbeschreven blad
ver-
Splinterd met in elkaar gestrengel-
de dolken neemt Het hem in de schaar
tot
– zijn streng verknipt –
zijn Ster rijst :
hun
tegenover
staande
stekelkrans
uit een verhaal
van Shiva Sharan
Crux Nostratica XII: Het Laatste Oordeel
Het Laatste Oordeel
[–aar erin! Adelaarsblik want steels
uit de jager boort in de aardkorst
de scheur van de Zee de Dode, steeds
Dodere en op Afrika’s drift
door de Rift Valley slaat zich weg van
het doder meer en hoe meer dood zelfs
niet het woonboot-bekroosde meer van
de stad des Heren, Viator! En
vulkanische poelen glimmen als
halfedelstenen halsketting mij
aan in mijn ontidentificeer-
bare vliegend voorwerp ten hemel:
pelikanen flamingo’s kranen
in kwarts versuikerde zwavelko-
kers hun poten gebakken breken
als broze lucifers over, en]
[was one of the Nazis’ favorite
prisoner couldn’t sustain the insane
working rhythm working rhythm carving rock
from the quarry fancies they chose a
freshly hewn boulder which his still heal-
thier fellow inmates had pulled up
the slope had their hapless victim tied
onto it by the others with rope
and then with one well-aimed kick of their
boot sent it and sent him still alive
mangled but bound to die soon the lo-
gic behind their smart engineering
dawned when I realized how ancient Is-
rael used to execute capi-
tal sentences: stoning done by men
standing at a respectable dis-]
[met je schietgeweertjé je schietge-
weertjé voor Koning en Vaderland
speel je mee voor wat blauwe koffie-
boon-snoepgoed-sorghum-ontbijtkoek in
je paar Kwatta-Javaanse jongens
gedumpte marbollen rollen van
je te heldere kijkers Rumpel-
stiel-iele pup Pumpernickel zwar-
te nikker die ’k bol per bol van je
ijscopistache pieltje pluk]
[‘Bleef’,
luidt het getuigenis van de Tsje-
chische arts-Sovjet-marketenter,
‘haast geen verdediger van het La-
ger meer over? Eerder gesneuveld
door toedoen van ons, roemrijk Rode-
Sterleger, dan de kampwacht-SS
barak na barak gesloopt had? We
troffen in hun van hardsteen gebouwd
hoofdkwartier sporen aan van een slacht-
partij. Twaalf nog weerbare Steinbruch-
Arbeiter zouden worden bevrijd
en bewapend, klaar voor de strijd die
hun kerker voor ons, hun echte be-
vrijders, maar hun belegeraars straks,
oninneembaar ging maken. Plotse-
ling echter drongen ze binnen’]
[‘je
je niet schaamt is mijn vraag, qorbân-e
sjomâ zo beenloos naar huis van het
slagveld, waar duizend het paradij-
selijk geurend mosterdgas snoven
het offerlam dood en jij onbe-
taalbaar op deze baar die niet op-
baart qorbân-e sjomâ? noch -beurt! niet
beschaamd je ouders hun rouwtegoed
te doen derven het was qorbân-at
jouw beurt je had moeten ster-’]
[sie das
Schemâ Yisroël zu singen Na
wirds mal? mit dem Jewehrkolben, hit
everyone Abzählen! wenn ihr’s ha-
ben wollt Adonoy eloheynu
ehod as if pre-arranged prear-
ranged as if prearranged as if]
[Niets
beeldenstorm beitelt zo de versui-
kerde putti Tiepolo-blauw van
fresco-festoenen als mijn kara-
te het stoute Kindeken Jezus
de botten breekt; hompje vlees om elk
stompje past in het vriesvak compact]
[toen de troepen vol crack gestopt uit
de ’copters sprongen, de bamboesta-
ken onthoofd door de luchtdruk, troffen
ze blaar-bedekt in ontbladerde
boomgaarden Huey aan met bij de el-
leboog beide armen beknot en
haar dochter van acht de rechtervoet
afgezeist en het onderbeen links
en haar zoontje van drie geplant op
zijn bekken-stronkje op tafel en
bij het laatste bezoek der Kong ook
haar derde zoontje of dochtertjes
geslacht met een scherpe lepel ver-
wijderd nog in de plas stilstaand bloed
rottend Het loont zich niet, kameraad
nog de rose-huiden te helpen]
[o Azalea mollis’ weeï-
ge geur en lijm, die verwilderd uit
’s Gravenwezels domein verplant tus-
sen varen, bosbes en braam]
[-tance from
their victim so how he died was im-
possible to decide and each stone-
thrower proved innocent without sin
(as whoever is without sin can
throw the first stone!) and besides the dis-
tance kept blood from staining their robes (may
his blood splatter us and splatter our
children) so they said: Why all those stones?
One will do All the executio-
ners? I can do the job]
[maar tot geest
door dringt uitsluitend de verzoende
die vijfdimensionaal want als ziel
tot vrede elk onbeslecht gevecht
bracht, hoe ‘lang’ ook moet gestreden in
elk vervolgende lijf onbetaald
geld in de balans wierp van]
[we won’t
be defiled by your blood, count on it!
So much for the Nazis! But when the
two towers imploded and the three
thousand souls’ billowing smokescreen showed
a face, it was Úsama’s Lefté-
nant co’l Brandl facing Falluja, when
he encouraged his men meant this: “The
en’my’s got a face he’s call’d Satan
he’s right here in Fallu- Huj’ and we’re
going to destroy him”]
[‘be gentle-
manlike with the ladies’ is het jach-
tig te laat neergepend dagboekstuk
raad voor het jochie dat hij niet heeft
geboren weten worden uit hoofs
ritmisch standvastig en gedegen
doorboord zijn concubines gewet-
tigde schoot die het schiep; hij echter
liep er voor de eer van het leger
van weg; wat des mans is kan in fast-
foodgedate’s balboek niet steeds over-
schat! Die het trouwst bleek aan zijn jongens
en schreef: ‘hoe je de donuts aan één
duim krijgt geregen en zo scoret op
je allereerste date: maakt je man
wiens eer in de liefde voor zijn land
ligt’, viel dood. Purperen- ]
[denken we,
in de keuken en daar grepen ze
beenhouw- en versnijdingsgerei en]
[‘voor varkensbaai-klooiwerk in het vlieg-
tuig verraadt eed op de Tonkingolf
dat pas schaalvergroot kwaad goed heet’, zegt
John-Boy, de Vietnampiloot]
[vleesha-
ken en wierpen naar al slaand wat maar
leefde zich berserk op hun beulen
wier schaarse munitie het verzet
pas op ’t laatst brak, of]
[o paars rodo-
dendronwoud adder-labirint in]
[‘them snappers’ even goed zijn de voet
afgevijld, kin de kerkodreilos
gevoerd en met een heup uit de kom
van het bekken, gebikt doopvontbek-
-spanwijdte gemeten – als, nijlpaard
ook ik, in de keizerlijke braai
prik]
[Geschuwd, torent het Technion
uit, voor de afgrond met het ezels-
lijk: uitweg, die er blootsvoets voor boet:
heerszucht, die later de aluinzoe-
te lobbenvrucht als naam draagt: hij voedt
de haat overschouwend werktuigkun-
dig en deelt dommen in dommeren
voor hun domsten gevoeld: vlees valt in
partjes van de ploegschaar: daar rijdt hoog-
moedig de rupsband-ruiterij voor-]
[welks ingewand het kind van qalam,
rietkwast zijn pen scherpt, of uit melkep-
pe-knoken]
[op de handen hoort hen-
na, niet op de borsten het tot puist
uitgestulpt etter-kanaal en op
de beschilderde kop géén snel weer
opgedroogd gesijpel van bloed maar
om de kaken de baard klem als een
hoefijzer van haar dat de vrijspraak
belet, en die broeken van katoen
aan om ’s mans ééntepel-doedelzak
en beuierde fluit schaamte: het
boze oog verschrompelt de bronnen
des levens in ’t wrokkige Khartoem,
waar niet één Nuba nog naakt loopt, in
geen onzer talen voor elkaar on-
verstaanbaar, maar in haarstrengen inkt,
broeder, gevangen van steeds eender
Arabisch]
[van het purperen hart
dat schreef ‘treat each lady like a queen’
Oo Theou huios, geen]
[niét brak, want
in de keuken nog dood bloedende
lichamen nog levend, nog hijgend,
kreunend, nog stikkend in de doodsreu-
tel troffen we in kluwens aan, wreed
zelfs in de ruil nog van hun wapens
verbroederd, de geïndoctrineer-
de mof met de hakbijl in de hand,
het pistool klem in zijn zadel de
communist der weleer Bayrische
Räte-Republik]
[Holy/Bloody Mary’s
voor de Queen!’ In Pietà’s marmeren]
[Botten die de jutster-die-werd, van
het veld raapt verzwaluwt tot getouw
Die-nog-wordt Zal spant het ingewand
van ’t veenlijk tot kanvas en met sche-
dels als klos speelt ze het spinnenweb
met haar zussen, het scheeps-spoel en de
ploeg]
[what I regret most regret most
most regret most regret echo van
echo die van canyon- naar canyon-
wand galmt maar in Vallis Marine-
ris de galm na van zijn Mars’ meest ver-
pletterde litteken is niets dan
gefluister bij een luchtdruk van nul
bar en vervlogen in geen wind dan
die on-presidentieel en zelfs un-
entrepreneurial als met lit-
teken-kleefband dwars uit met Koran-
citaat-draad doornaaide lippen snel
weggemoffeld de kreet in Guanta-
namo Bay uit de broek in Chesa-
peake Bay door Nonkel bescheurkale-
dermop-monkel verknepen scheet what
I]
[kijk maar, stamhoofd met opgetrok-
ken knie en coiffure goed naar het
voetje der porseleinvlezen pop:
brak van je dochtertjes choco-]
[Heer
in den Hoge Heer in den]
[Hoge
Elohim Sevaot]
[“veel beter
de eersten koud in hun kelderker-
ker verhongerd, het tweede paar na
de schennis-test langs hun kruisje met
de Engelse sleutel levend be-
dolven te zijn dan jullie ‘gered’
blijvend bevlekt is jullie”]
[‘They then
took their gloves off’, said captain Eric
Krivda, applying another kind
of more lethal smokescreen: white phospho-
rus burnt off the muscles sinews and
blood-vessels from the children and men
and women and all the stuff that ca-
resses and is caressed, they were found
wearing their gloves if they had been, gogg-
les if –, shrunk to glove over bone and
goggle pair molten into their sock-
ets. How fine a craft, to thus quote, like
the Nazis, the Bible, Chapter, E-
zekiel thirty seven, and verse,
in reverse al rovescio Krebsfüh-
rung Schönberg yahtarifûna in-
stead of bringing them life in]
[“lot”, al-
dus luidt vereend het besluit van de
levendbarende dames, deugdzaam
met eega’s lopers ontsloten en
van het echtelijk]
[bed de kussen-
slo-]
[‘Satans tros geef maar hier Ame-
rikaan of mijn kwispel doornige
knopen zal je cacaokakkend lijf
stropen’, en sneller dan hij in hel-
lebrands oven porie na porie
brandschoon door klei wordt het speculaas
terracotta ventje, vertelt niet
zijn khipu tentakels scheerkwast zijn
trotse Amerikanen-verhaal:
onthaard in het haardvuur hoort het en]
[Ptah, en die onvergolden bleef schuld
hoe ook steeds delgt]
[-pen en het paar la-
kens ontvlekt met Sassi, “maar zijn stank
kan geen odeur van je be-”]
[het zwart
kapitaal roodbloedig zwarthuidig
het volk in des vaders naam van de
witbierpater gedoopt wie het rood
voor de ogen loopt doodt hun witte
metaal Angola’s sovjetzone
socialistische zwarthemd zwijnrood
van kwaadheid git uit van woede als
raak voor de wraak schiet in het pupil-
witblind doelwit klinkt er contant voor
la plata’s soldaten pueblo u-
nido sara vencido jamás
op de bank staat de borg die apen
te wapen voorschiet bewaard zodat
ik van morgen ontzorgd kan slapen.
de mat waait open; het Stalinor-
gel schiet, en ik gaap tot as]
[je te
zien op het niet onschuldig terras
Barbarabbas aan je Bianca fio-
re Mafioso’s bastaard zijn mof-arm
bij Pis– Man het is dokèsis! van
strontstromen chocolade en ijs
kalft van O IRA jullie uit Alz-
heimer-marmer lamplicht ontstolde
hersenen vladen en voor je zon-
den morgellon-made-in-Ameri-
ca-maden-tartaar uit]
[“zoedelde
kut halen, die onfeilbaar wel ie-
dere feromonade vrouw her-
ontdekt: ze haalt voor de dupe die
het niet ruikt, maar je pruim met dié deelt,
in zíjn legaal zaad diens ejacu-
laat van haar koekoek mengt haar]
[ ha Ha
ha ha Ha ha Ha ]
[ ya Ya ya
ya Ya ]
[waarvan twee in doodsreutels
zwanezang ons agnostisch gena-
deschot waard waren]
[fronsend neusvleugel-
gel-paar op Daarom betaamt het jul-
lie verbasterde staat dat elk in
betonbekisting gestort wordt met
een steen om]
[ ra Ra ra ]
[Niet dat te-
ruggekeerden in stukjes terug-
keer-]
[ wa wa Wa wa wa wa wa Wa ]
[wordt de nijlpaard-moeder aanbeden,
wordt de vader gejaagd met spiesen
en speren]
[panfluiten kerft en on-
der de kaarsen kastanje voorgeur
van jeugdheet zaad snuift, spirea kam-
perfoelie’s citroengras-honingzoet
geel]
[jullie te onschuldige nek
schaam jullie zink in]
[die zonder pant-
ser of paard of wiel van geen tel noch
ziel niet tot twaalf kunnen der apos-
telen-Jesu tellen of elf maar
tot tien decimaal of meer brengen
wij de Amerikanen wel dom
’s Heren verboden voor]
[ la La ]
[ aum
aum Aum ]
[ mna ha ya Ra wa ]
[laat tót
míj - laat de kinderen tot míj ko-
men - tót mij - laat de kinderen tót
mij kómen - de kinderen tot míj
komen - tót míj - laat de kinderen
laat de kinderen tót míj komen
tót mij komen tót mij ko tót mij
ko tot míj ko tot míj kómen tot
míj ko - tot mij kó tot mij kó tot
mij kómen - komén komen komén
komen kó mén komen]
[‘Daar ben ik
door zwarten mijn mannelijkheid kwijt-
geraakt’ sprak mokkend de Witte, die
me net leeg had gerukt ‘Bleven de
martelaars niet maagdelijk, spijts wat
hun de Mwami beval?’ Macht die be-
paald wordt door des Konings hun kontdiep-
gang peilende paal; het is geen chris-
telijk kruis; geen van hun broederlijk
paar wordt gekontneukt door de ander
van beide presidenten, maar God
Zelf Zijn raket knalt ze als voetzoe-
ker af en zijn machete schuift elk
uit zijn blanke manchet Eindelijk
wraak van de verkrachten die moorden,
zijn aarsborings bloed scheldt wie in se-
rie slacht kwijt Eindelijk]
[ La la wa ]
[ Ra ya ha Mna mna ha Ya ra ]
[Hal-
lalí-halliohááá ala hííí-
yá! hallahí halliohááá a-
la hûûû-]
[ wa la ]
[ la ]
[boeten hun dood
door doodzonden uit die door hun dood]
[ wa ra Ya Ha mna ]
[het vliegtuig o
uit het ruimtetuig kip kieper in
vacuüm-suspensie je slinger-
schijt-lijk door het ozongat gesproeid
en verdampt]
[ét ve oháveto
adonay elohey chol levo-
vécho uvechol navesjécho
uvechol meôdhe Nochmal von
vorn anfangen chol levovécho
vechol nafesjécho uve Rasch-
er! vechól Rasch-!]
[Colalucci, niet
enkel Daniele’s malachiet, van
schoonpauselijke jockstraps beeldt elk
kuipje Veronica’s Turijn na,
laat staan!, het negatief van het kut-
slijm, het zaadspog elk nap-muilkorfbe-
hacupje laat staan, zeem met bleekwa-
ter weg, schraap met hekels, slecht met pers-
luchthouweel stoomtorens bulldozers
Talib met kruisraketgeschut Ba-
miyân’s boed-]
[in het mijnenveld-veld
schoppen de kinderen de kopjes
vol doodsverachting los uit de bo-
dem, kleefstroken varkensworsten-darm-
droge huid knopen ze feestelijk
aan een borstkasbot-korf vast van ver-
nufteling, hoogleraar, chirurg en
hop gaan de beentjes in de lucht en
ballistisch buitenspel en de beul-
scheidsrechter fluit tegen de muur waar
de strafschopper zijn eigen kop in-
kopt opgelucht ademt elke jong-
en zijn borst uit en de lucht in en
bij zonsondergang springt elk even
gretig als de regen van kikvor-
sen de botsplinter-wolk na van de
splinterbom]
[ mne He ye re We ]
[ le ]
[ ouais! Rè yeah! ]
[ hè ]
[ Mnè lè ]
[ wi li Mni
hi yi Ri Yi hi ]
[-ha doordonde-
rend gedender yahûûû hôôhoyo]
[mannenhuis na maanden beslaping
hij plots in mijn armen zich zijn baard-
haar gekroesd]
[stukjes terug als de
Belgen maar heelhuids en het lid vol,
hoe breedgeschouderd schuldig hun rug
ook was gekeerd naar in de rug door
het]
[omdraaiend doorvlocht met het mij-
ne zwengel langs zwengel slaand en pruim-
tabak-sap likkend van neusvleugels
die kaneel uit zijn mond roken mij
bloeddoorlopen aankeek en sprak: en
sprak: Tussen vrienden moet er even-
wicht zijn]
[Omdat het klavertje vier
vast zat en spoorloos het vervangstuk
mislegd was van wat ik aan mijn kruis
droeg, vroeg ik je boekwerk om een sleu-
tel van taal, beelder, en opende
op de koop toe de kluis Scelsi. Je
klepelt in de beiaard steeds groter
particelli van huid los der ne-
crose tot het eerste gedicht van
de melancholericus je klok
luidt]
[the fields Babylon’s fields where they’d
been exiled (that Whore!) as had been pledged
by the Lard, people of Israel,
the American art brought to the
living in that present-day Baby-
lon Falluja (that Whore!) DEATH to the
Satan of the chosen, their champion
thus mock-paraphrasing God Himself:
you will die, AND I will take breath a-
way from you AND I will remove all
your skin and I will cause flesh to melt
off you and tear the sinews off your
bone liquefy your liver and spleen
turn all your intestines into gas
and your gut and glands into plasma
so that ye shall know that I am the
Lard]
[ mni ]
[ li wi ri Yo ro ]
[ wo Lo
mno ]
[ ho Rau ]
[ wau ]
[ lau Mnau hau Yau hu
mnu Lu wu ]
[stokrozen groeien te-
gen de badkamer-muur op]
[Spijker-
laars-stamp geeft smaak aan de ossenhaas
de vossenjank velt het pissende
ree]
[en van het moeras aan de sloot
zwaardbeschermd lisgeel en de benzi-
ne ten spijt zuurzoet rozebottel-
vlees waaruit hij het zaadschroot spuwt]
[o
hoe handig vrat van hun touwen niet
de in bussels gebonden rompen
tot klomp mijn zegerijk strijdros be-
geleidende hond ik stak hem de
morzels in de geliefkoosde mond
heerweg na heerweg werd van de grond]
[‘Onze zaak’, zo sprak je verbeten-
-koel toen je vriend zei dat de ura-
nium-bom ontploft was, ‘is: juichen’
en schreef de Nocturne Mikhelin
speelde je en het meisje in Brus-
sel, Scherzo als scherts en rouw-passa-
caglia tot in Burleske’s Rayok
toe en de la in gaat het geschrift.
In de kern geschift stem ik echo’s
la naar je psalter en onze]
[Op
naar de blauwe dadelpalm-boomgaard
nog even, dan zwart, kamelenjong
luister naar het geneurie der djinns
die, zo filmt het de man van Rome
de radde Sheherazade na,
hun in goudverf gedoopte piemel
als pijlpunt recht in je roosje, dat
van verbazing wijdopen gaapt om
mijn vinger, lik! zullen schieten O
dat daarboven in palmboom-oksels
en -liezen eikels en kloten zou-
den hangen, ik klom het eelt van mijn
zolen af om de zoetste nachîl-
vruchten te kiezen O dat bene-
den het fruit der mannen van straks, zo
dadelijk, druipen zou van mijn]
[ Rû
yû ]
[ hû Yû rû ]
[ Wû ]
[ lû ]
[ mnû Lri wri
rri Yri ]
[ hri mnri Lri mnri Hri yri rri
Wri ]
[geëjaculeerde stuk tong
cameleon-gek]
[Hallélluhu
doordonderendgedender yahû
Hôôôyoho doordenderende-]
[schok-
kend geschouderd schiettuig gevelden
keerden ze schokschouderend terug
naar hun ouders schouderklop-klap op
hun telkens, bij elke]
[brengt in het
reine en die zich afdroeg tot gel-
ding terug; onvergeven valt hij
uit vegend vuur in de onderwe-
reld terug, deze hel, dit eden,
zijn weerga-vijand en hij uit de
smelt weer in tweeën gesple-]
[Geze-
gend die ene roos in de avond
des levens Gezelle ressouve-
nances du septuor de Beetho-
ven, je nazarbâzî tot blijk en
des jonkmans schroom voor de ouderling
als wiens repetitieve blaadje
Ligeti ligt op het water van
je lymfekanaal en slagader
jarenkrans het liquide van elk
encyclo-paidika]
[onverkoch-
te computers zat op de belten
: door vuisten, hun eerst ontwerpende
handen, als om uit wraakzucht gebruiks
grijphanden af te slaan in de prak,
daar gewiste programmaturen
in, of niet méér in, of zelfs de spo-
ren van bits, entropisch verloren,
waar cargo cult spookt door knopen in
kronkels op hun verkreupelde doos
vol vergrepen organen, sorghum-
meel lekt uit scheurbuikhuid-buikscheuren
o Masâkin in Chams of Sems taal
die Nilo-Kordofan-Kongo spreekt
Niger-Sahârawi het antro-
pisch beginsel heeft zich verrekend
ze sterven bij hopen]
[ Û ]
[ u y ]
[ Û ]
[ u y i ]
[ u Y i e  ]
[ u y Î e a Ô u Y ]
[ van
de bos- geplukt uit de okseltjes
van het kruid ]
[ door de rasp gevild gaat
de hond, de aap door de schraper dood,
de vijl schilt de kater]
[reikt naar uw
vruchtjestros parasol-vermiljoen
lijsterbes klautering van het kruis
dat de duindoorn- proeft en trombose-
purper braambei]
[ontmanteld, hangbrug
van rots- naar rotswand na hangbrug weer
op de spoelen gerold =wij wisten
ze uit, verkolen de klossen= maar
de adelaar rooft de mens, die zijn
gondelloze ballon uit zijn long
vult die het gas blaast]
[Palindroma-
tisch o Meester denken van U en
jij zegt muziek van me want geen leu-
gen bestaat in beide geleerd en
mimèsis’ kitmân esóteron’s
pad in het paragramma terug
lópt en zwart-magisch op eksóte-
ron’s dwaalweg in de spiegel jezelf
tegen je zelfverweer Huang Tzu op
het rooster van de walvis het lijf
o Tantrika]
[Dít zal in uw hart
staan gegrift Hulp valt van ons enkel
te verwachten als nijd-naijver-
loos gij onze schoonheid begeert niet
in de mate van prachts pijnlijk ont-
breken in uw wezens ontleding
gij ons deze oeverloze gaaf-
heid misgunt Veelheid van enkelin-
gen snellen, in nood, in hun volle-
digheid één scharen van engelen
engelinnen pas dán toe als be-
wondering geen baatzucht versnijdt en
mits de bron van uw lust wrok niet ver-
giftigt Maar als louter van hart gij
de roos ongeplukt laat is eu-ág-
gelon dit: angelloos schenk ik u
ons weg als gift]
[ i ]
[ i ]
[ i Ê ]
[ i
e â ]
[ i e a Ô u ]
[ i Ê
 o u Y i e ]
[het sportvis-
-harpoenschot perforeert de dolfijn-
long]
[sympathisch trilt luid zingen der
Flatterzunge door als hun stilte
het trommelvlies]
[Rascher! metsavé-
cho wieviel hadevorím will ich
wissen vieviele ich zur Gaskam-
mer abliefere al-levové-
al-le]
[als klappertandend paar cas-
tagnetten hun Sint-Jakobsschelp schiet
ontsnappend op foto uit het blik-
veld de buik kolibrie-fladderen
in onzichtbaar duet kus in de
leegte van kastanje en eikel
en elpis]
[Beschreibung eines Kam-
pfes The buck stops en het handschrift vindt
naar de gliefen geen weg, kraai, dan Kha-
zaars al dat Kaukasische erfgoed
om den brode verhaal, kritzel maar,
Logos unzerstörbar doch niet Fi-
listijntjes kijk nu naar Palesti-
na waar Praags rebbe nooit wonen zal
Immers, je duidelijke taal gaf
het hemelse Jeruzalem twaalf
poorten]
[en dagelijkse zonde
der slachters in hun staat van gena-
de beboet, door hun vlucht-uittocht de
onschuld in der wildernis Weg met
een schop van hun kruis vliegen de shorts,
het geweer dwars om de schouders als
Spartak, hun voorhuid rolt per stap als
een flensring om hun loop waaruit slijm
lekt want ondeerbaar, nu niet zwak en
de foeten uit de buiken der Zwar-
te Maters ontbolsterd graast hun bek
als vreemd fruit Slachtmeesters moordkunste-
naars in één aan de top staan ze, hun
kop in peristaltische aanstalt
recht naar de schoot zich door het kroeshaar
een weg te vreten Acht mij, ik boor!
Coltan]
[ a ]
[ Â ]
[ a o ]
[ a Ô u ]
[ a Ô u y i ] [ Â o u Y
I Ê a o ]
[ • si vous voulez
vous pouvez voir à votr’aise]
[als
Architeuthys de strijd staakt en zijn
octopus-aashaak hem het dek op
takelt]
[tweeën gesple- tweeën ge-
sple- ten door de nooit meer omkeerba-
re tijdspijl geplant tussen de sla-
pers dor Gods zwaardengel Gabriël]
[en uranium, o Kongo je
oerwoud Art Nouveau onzer ouders
wordt eeuwig betaald door het kristal
dat geroofd tikt in atoomkloks a-
toomboms atoomklok Aan de voet van
hun omgehakte ballen en pik:
ik]
[Na de aanval op de Griekse
syntaxis, mijn Zoeaaf, door de Vlaam-
se snoeshaan, wat staat er je te doen
dan Bordeaux? Niets dan het andere
in het eigen der taal is je het
toelaten niet toegestaan. Vlucht! ta-
qiyéh en kitmân in elk ivoorgeel
kwatrijn met de ontbrekende duim
teken, maraan, als mandarijn van
je idiosyncratische bestel]
[de weerloze hoop die uit haar blik
spreekt zal óók ooit zijn verrezen en
die zijn klompvoet niet preuts wegtrok, zijn
poliomyelitische trekke-
been niet angstig verborg glimlacht en
nodigt ons, ontschoeid, tot de tempel
hoe stevig met harnassen besla-
gen wij ook, niets dan ontbloting van
de huid wij ook dragen tot de cel-
la waar bed, altaar en rijkelijk
de rivier in elkaar badende
lijven op het droge der tafels
en matrassen gedist wachten als
gulzig zich verschenkende voedings-
waar: wij, die de neerhangende ba-
nen van gaas zachtjes opzijschuiven]
[Yâ svper lvcis diadema
formosvm svvm crinem ayhâ
igneas cingens in Archange-
li fronte vidi litteras CRVX
LVMINIS bios eimi SVM VI-
TA anâ’l hayyâ ittifâqu-’s
salîb wa’sh-shahâda VERITAS
VIA en summetría qvod EST
NISI DEYS NON DEYS ET: MA-
CHOMETVS DEI APOSTOLVS
Baphometus Aiônos Sumbo-
lon]
[gekko-snor als de trossen in
het bos waar de tent staat Trek die gan-
doura van je geprikkelde lijf
heet van het brouwsel en van de ste-
kels der ezels-distel als vel ge-
malen glas langs je fluit en billen
ruist Hengst, je keutel zal wijken voor
deze droge ablutie Spaar maar
dat natje Schuif er weer uit op tam-
boerijn en gegil van hitsige
kerels en van de jongens gebrom
Draai maar dat kontzadel dat je steng
draagt en dadels snel naar me om bij
tromslag na tromslag en op je beurt
waag je stijve tong in de keel in
het hol van de leeuw die net in je
drong]
[Heb je hem zodanig gezien,
vergetele, qualem capere
potui, ik ook jou, jou ook ik
panisch onthouder, zolang het lijf
het, be qadr-e bînesj-e chod, ver-
oorlooft, uwaysi-volgens-de-sphinc-
ter-van’t-beest, niet minder, maar meest met
de vinger, die wijst... O wijze, har
kasî konad edrâk, als de Draak
in zijn kroonlus van Lemnos’ rozen?]
[Wie is als God is de Lichtdrager
en de Heilige Geest verslingert
zijn speer in maagdelijk ingewand
tot als Hermes of Horus Adam
haar schaambeen uitschiet en twaalfjarig
in geen tempel des lands poëet haar
uit]
[klop vernederder schouders, tot
hun sleutelbeen-paar verpulverd hun
borst niet meer voor de klap spaart en long
inklapt na long, zodat ze niet]
[Da-
delwijn dronken droogt hun woestijn het
zaad, en ontwortelt ze, daar het vrucht
heeft ge-]
[Achtung! Al-levonécho
sjinónetom Abzäh-!]
[ Â e i
Y u o a o ]
[ Û y i Ê
i ]
[ Y u o ]
[ Â e ]
[ Î ]
[ e ]
[De
langsrichting van de halle. Ik klim,
tenen in hengelkepen, de boom-
ladder op, verwacht door de mannen.
Pijpen verdwijnen uit hun vergeel-
de gebitten. Hurk in hun stank neer
Zij knielen en één voor één hun voor-
uitgestulpte baviaanlippen langs
nemen tanden en tong voorzichtig
mijn lul beet, proeven bedachtzaam als
van een zoethouten twijg van voorhuid
en eikel, monsteren smakkend dat
blanke in haar, en geven me door
aan hun vriend, hun zoogbroer, hun broer, hun
geliefde, hun neef, hun oom, aan hun
overgrootvader, grootvader, va-
der, hun achter-, hun klein-, hun zoon]
[Ach
zo vroeg besloten dat kunst in het
onvergetelijk leven voortge-
zet moest der lichamen, mededo-
genlóze, zo slachtbaar, slachtbaar: geen
zwaardslag in te verheerlijken vlees
over te slaan was er noch de blad-
zijde om waar marterhaar-teken
het mene je tekel voorschreef u
farsin? zal ik die kelk met je zin
af, of met tegenzin haar]
[het lauwwar-
me duister dempte de schreeuw, het
grommen, de gil niet, achtereenvol-
gens uit elk zijn keelgat gespoten
naarmate hij kwam Zij zonken als
takkenbossen en schoven verbrand
in, en kusten elkaar Nieuwjaar]
[le-
vonéy in einer Minute will
ve dibáreto bom ich wiss’ le-
vonéycho wiss’ levonéycho be
sjív’techo véytecho]
[ô messieurs
le tableau de chasse sobhânî
sobhânî sobhânî élk krijgt bij]
[groen uit het buitenwerelds gedrocht
lekt de bloedbrij]
[ a Ô u Y u
o  e ]
[ Î y u Y i ]
[ e
a o ]
[ Y u ]
[ o ]
[ Â ]
[één enke-
le vrouw bevredigt de man, die on-
der eden de echt sluit, wet van het
uitgesloten genot van de trouw;
zij legt geloften af en verzaakt
aan de ware, huisgezinsvrede;
in de rouw baart zij kind na kind, en
haar man verwekt uit dat dode zijn
menigvuldige zaad, uit Frankfort
verscheen mij Willem van Spanje zo
met watergolfgrijze dos in de
nis boven de jacuzzi en dook,
schutsgod der nachtvlinders, in de gloei-
ende as van water en trof zijn
duizenden echtgenoten op spoor-
afstand, ver van rookhamloos kunstro-
se haardvuur dat uitdooft]
[Niet in Vla-
chernai waar je de Vorst hebt gezien
weet ik met zekerheid te hebben
gestaan door zijn graffito, gezocht,
heb je het, Rhus, wel in zijn kerker
gevonden? of door jouw vers als spoor
in kalk der citerne, maar door licht
van fosfeen zien en gezien worden
zoals hij in wat jij schouwde er-
uitzag in dat jij zag er in zag
en ook ik er uit]
[while valid bi-
folios were stolen, by souve-
nir hunters from Bruckner’s dying cham-
ber voel ik dáárom haast duivelse
genoegdoening dit uit het Infer-
no van angsts afgunst te redden in
Paradisum: gezang]
[ooit gaat de
tulp hier als de vingerhoedskruidkelk
in het wild uit de bol, hoop! van fœ-
nicula de officinalis ach-
terna in je]
[name voor de Mo-
loch zijn maagd Iphigeneia, zijn
leeuwenflank-honingraat, zijn]
[Corsi-
ca Perzië en, Israël Hinds
Lotus]
[ e Πy i e  o
u ]
[ Ô a e i Y ]
[ u o Û ]
[ y i ]
[ Ê ]
[ a ]
[om drie uur gaan de
bars dicht, en het leder wordt afge-
legd; stroop van je skin, de autopsie-
-ufonaut na van diens slachtafval-
ingewand, plastic; in het spina-
penhaar ligt op je spichtige arm,
otter, de gladgeschoren beer met
de nooit tot je verzadigd bent toe
ontrimpelde kegel; hoe zijn lip-
pen tot één kringspier vergroeid door je
ondernemender paar opgerold
omgekruld tot waar ze in wortelt
gestrekt wordt en zoenbeet het terug-
trekt, de rand over, tot lurktuitje
aan zijn joint. Wie een wit laken gaat
halen slaapt bij Hypnos Wie speelt zal
hem bewaken]
[De Taal, heer, is po-
ëtisch maar versneld in de Alfa
Romeo: de inhoud, wie begrijpt
’t geheim, hoogste der vormen: het
voorrecht ‘herkenbaar ontoeganke-
lijk’ ingeruild voor nimmer herkend
vreemd doch toegankelijk: het kutje
van avondlijke pluk: je verra-
der die jou en in jouw spoor je di-
scipelen naar wreders: het hart van
de vorm leidt]
[Insomnia ahup-
nia Nacht Droom voor die laf zijn ver-
giftigd door staatsexperiment hoe
voorzichtig ook en schenkel-omklemd
dijen-omslingerd door het water
(het staat hun aan de lippen) gelaafd
getroost willen]
[barbecue-garnaal
mee, zijn paar flikkers, cojones del
amatado, een ram-hammetje,
vis, of van de man wat naar bok stinkt,
pik en]
[veléchtecho to sing! va-
deréch’u vesjochbchó uvekúm
kúme vkumécho]
[maar in Hellas
krijgt hij die in het spel overwint
een krans van klimopranken de]
[ Ê
i y Û Ô ]
[ a e  ]
[ o ]
[ u
y ]
[ i ]
[worden; gered, worden, su-
pini, Ayurvedisch al Qayda’s
theriakel uit pijp slurpen na
pijp in hun symbolisch gepijp van
Pashtûni’s van Lethe op de schuit
in Kashmir Valley de platboomde
dat het exoskelet-krauwen der
krabben in hun smeltbare weefsels
vergeten en pijn worde verstikt
O de rand over verdwijnen van
monden waar licht niet zo gebroken
wordt, tamme lamantijnen elk, drinkt/
graast van de moestuin de verwelken-
de latuw in het water tot alg
haast kers bijna kroos zo in de Stad
van de Heer walg die ze braken ter-
wijl ze]
[Rijkeloos zoon lusteloos
zwervers van hun zilverlingloon be-
roofde je moest aan het verdoven-
de spul om Wilhelm Tell na je vrouws
klokhuis met ijzer van de deurstop-
pin bloedig te doorboren Het Woord
werd Virus Het doorgeknipte ga-
zen verband gaf je verraderlijk
en voorbeeldig de kus Judas der
dodelijke letter voor levens-
geest]
[het octopus-been, diep in zijn
piel verondersteld, als cosmeti-
cus re-construeert en aan de Phoe-
nix zijn stuit meevoert per zaklampstraal
Niels Holgerssons wonderbare reis,
want een stem schreeuwde zijn liefde uit
en daar]
[eerst om de nek heen Dio-
nysische guirlande en kruisend
voor de borst in een lus los om de
lende gedrapeerd analemma]
[die Insel der Liebe op een bus-
rit van drie uur van Recife en een
oversteek]
[acht, die met lemniskoi
Etruskisch is omwonden]
[eheu!
passus duriusculus]
[ex]
[machi-]
[-na musica in]
[di-]
[-aboló]
[net geen kwartier van de Amazo-
ne bereiken Geef de terugvaar-
der kunst mee de veerman vers de re-
verse want voor de heenreis de prijs
Aan de onfrisse oever humus-
moerasdamp adem en neergeplant
zal de ochtend-gymnast die uitsliep
zijn vlees als brood zien herrijzen om
zijn afgekookt bot De ijskast gaat
open en van het schap vergaart elk
mierenbeer-handje dat zo verme-
tel en slim de greep van de mens leert
chocoladeijs yoghurt-honing
en rijst met zilveren lepeltjes
en je glimlacht en kust het witte-
druif-witte oogwit der schandknapen]
[Voor stropers is zelfs de zelden ge-
likte maar wel gestroopte te koop
zoon van katóptrikos Ptolemái-
os, jij ook? Prolaptische frons der
aronskelk, Dante! En over kop
trekt, peu franc, het oestermes schillend
Veronika’s lijkhemd Thom’s kata-
strofe, die door de sluitspier je ei
ontglipt in het vruchten-kunstwerk der
jongensfoeti zult nestelen]
[KHNUF
Canobos’ uitspattings paradijs
der inverte knapen van Lût die
Emmaüs’ engelen hun vergas-
te geslacht gastvrij in herinne-
rings vlees incarnatie brachten en
paring met deze zoon van de mens]
[zoals Jezus de baard is afge-
rukt, blijkt naar scheppers gelijkenis
‘wie als God is’ gezalfd, niet ik: ne-
gentien, fatâ’, maar wel hij]
[onder
deze hoed reist Tarocco’s dwaas langs
de zonnewenden en evenin-
gen]
[anâ al-‘aqrab al Ptah ha
yehîh yehîh à]
[la Gakaka
il-]
[lâh i-]
[la-]
[-léllu-hû]
[a-]
[-nal
háqaqaqallelûjah]
[weerstaat
niemand aan Hoogste, waar met Nostra-
tische wortels luidop gegnuifd wordt
hoe steeds abstracter ook uit dezelf-
de injectie klanken gekloond, tot
de zevende achtste weet ik veel
al maar wel waar Heelalengels Als-
-Heelalengel Alles Heel maakt, stap
ík uit, Zonder Betekenis, Wees
Bal luidt het, Flensje, of wil je één,
in het spel, zijn? Nul, dan]
[de weg naar
gas voert de loopplank op naar het touw
naar de hemel liefste; het ogen-
blik duurt dat er prik na prik in het
hartspeldenkussen kussen gespeld
staan, en schedelvlees huid wordt, zwoord wordt
tot nekhaar, dons van je gloed]
[volgens
Alexandriës kaart het nevel-
paar na, daarheen waar de Nijldelta
bijt in haar Zuiderkruis, het magneet-
veld zich ompoolt, Ma-]
[voor de vuri-
ge raspt van de kat de tong in het
leven nog het tonsuurluik o-]
[han-
na Aay-mén yo]
[ja, yâ ayhâ ja
ilâh halléluhu yeah! ha!]
[he]
[he]
[al hâqiqo î-ha î-ta]
[hamî]
[na î ha]
[-pen, liefste, waar
de vorm door ontweek Het lichaam dat
spartelde hield zij tegen in vlees,
woord dat verzwegen wilde uit vrees,
tussen stilte, stilte. De zielen
zijn weg naar de geest. De stilte hun
lichaam als in verlo-]
[que ton cœur
Vierge Vénus soit du Saint Esprit
réceptacle rien que beauté je
suis de Lumière pour toi porteur
simulacre]
[Deus in musi-
ca Deus]
[-ren was wat was In de
vinder wordt het herboren]
[in mu-
si]
[diá]
[-bolos Pan âmân]
[â-]
[-dagascar drijft op de Indische
vol Lemuren van Munda’s landschelf
gezwommen]
[-mân]
[arraché de ma
chair par Amour, ô sacrifi-]
[ex
machi]
[-ná]
[diábolos Pan al-
âmân]
[naar het Viergesternte: geen
Zeven, nu, der Plejaden gestaard
noch naar Orion’s gordels drie of
met Betel-geuze zijn zeven noch]
[hhhhh]
[-cateur que soit sauve Étoile
des Mers du cruciverbiste le
pentacle de]
[lâ ilâhilla]
[Deus]
[je]
[je hallélluhu]
[Hâ!
Hílalah hílaliha]
[he]
[cir-
cumpolair de berenpaar-zeven
om Polaris of Vega : meri-
dioneer]
[hehého]
[iblís]
[ma re-
connaissance en sa Vie de Christ en
qui meurs]
[cum Domino Nostro Ye-
ho Íse-]
[-os Húios -shúa]
[Nos-
trati-]
[u op Canopus en vaar,
middenzee-waterstof]
[-cum]
[in]
[Ma-
re-in Mare Nostrum ye]
[hîh ye
Hó ye]
[in]
[Isola Dulca-]
[-ma-
ra]
[ye]
[hû]
[Yaqî ha ha kî]
[ha
Qi]
[Qâ yâ sâ]
[Qî hû]
[Qî]
[hua
Hî]
[a]
[hî]
[a ha]
[Wâ]
[ye]
[hwî]
[Hwâ...sss]
Crux Nostratica X: Threnos, Rogoznica (Ad Crucem)
Ad Crucem
Kijk, aan de horizon de dikkop-
jes-dans der spermatozoa niét
jagend in ’t blauw ionosferi-
sche water, of van ’t pijlinktvis-volk
het even-geslachtelijk panie-
kend gevrij niét in het vleeskluwen
dat zijn sidderaal-gif pijlrogstaart-
stroomstoot aan elks schaduwmaat kwijt moet,
als de twaalfmijlsroe plots afknapt, als
krols getorsadeerd telefoonsnoer
zijn springveer ontspant en zich ontrolt
hangt de sneu knooploze navelstreng,
en weg schiet het ruimtestation weg
van de stang, hulpeloos bidsprinkhaan
door myriaden op vlees tukke ter-
mietrovers omsingeld | zo volgt hem
de patrijspoort en gaapt kwalvormig
reuzenrad na reuzenrad na dat
doorzichtig en buigzaam voor de roe-
de, op haast tachtig mijl afstand, voor-
bijvliegt of achter, dat per regel
van drie op anderhalve of één
mijl kan hun doormeter begroot, in
hun vogel-element niet in Flat-
land van ’s mensen vervoer dwarrelen
suizen oogverblindend plots oplich-
tend duizend voor ons, aan geosta-
tische baan gestationeel steeds ge-
zwollener kaasbolvorm geklonken |
Hoe zeer ik je celest eskadron
wou zien verschijnen uit het zeldza-
me groén licht aan de horizon, vre-
dig speels technologisch je triomf
infernaal vagevuur-smaldeel uit
onbekend element meta-me-
taal gemaakt o elementalen!
Vanop deze schedeldakstoel ka-
le (bij dag!) berg, tot er horizon-
taal platboomd door de lucht raast oorver-
dovend de geluidsmuur doorbrekend
als een schicht op de buik achter het
Technion vandaan en te voorschijn
gekropen gebliksemd het geweld
van Tsahal Mogen je tuigvliegen
Heer van de horzels van het Heer van
de joden en jodinnen geduimd
wordt van ’t balkon hun pandemoni-
um pantheon en zegent je vlucht
o één volk en één taal godsdienst en
Nazi één cultuur en één ras o
één godsras het joddelijke ras
door de Groot-Jood door de JodGod jo-
goïm gojoïm molochoïm
gezegende gejoochemd joechei
goochemerd uitverkoren Ras! der
chihuahua’s pekinezen chowchows
sint-bernards- en schaapsvachtherders Deutsch-
lands vooral duidbaar als Dietsland zul-
len wij ’t Britse variant mankepoot-
Rüsseljack de honderd-en-één ge-
vilde Dalmatiërs en wreed van
zijn flapoorpaar ontdaan de Afghaan
keuze te over op de vlooien-
markt ’arD-u daarom joden jodin-
nen wié hebt gij uitverkoren spreek!
uit de wijd vuurspuwend openge-
spalkte berg van het heil sunhedron
sanhedrin jodinnen en joden
komt het zál wel Tsahal zíjn die de
boodschap der vermalen vermalen
vermalen vermalen maledij-
ding brengt Rot óp Filistijnen! Dit
is: je hondestronthol-rimmende
christenhonden rolt jullie matten
Van Karmel uw Thabor af o bar-
revoets heer grint in de kloven en
platypus lederachtig uitge-
zakt neger in de rots twee miljoen
jáár oud in strata onder lava
als zoolafdruk getuige te staan:
van hieruit de havenstad te zien
van Bahâ, ginds de Labânwitte
van Adôni en daar etnisch ge-
schoorsteenveegd Safeds synagoge
Waar Trismegiste! staat Megiddo’s
Beth-El die uit harmonisch gewelf
viel en van ’t zelfmoordterroristi-
sche Matsada unharmlos herme-
tisch tweehonderdkernkoppig de Hy-
dra, geen gel zalft de bekeppelden
in hun Meisterkapel Bustrophe-
don van het als Bustrophedon steeds
naar de linker- en weer rechterkant
buitelende vers in de strofe
en over naar linkeroevers Rot
gaat de boot Ginds komt met appeltjes
van Yaffa of Yaffo van je ne-
fas of fas stoomt an duæ Ripæ en
de Brabonische hand spuit op de
fruitmarkt wat de maker der Mense-
lijke Hartstochten snel opborg
in Horta’s paviljoen de Buboni-
sche plaag van het bloed waar een haram
zich voor schaamt Over naar linkerkants
waterrot wentelt zich de boodschap
der muskusrat der buidel der rat
Waar is de oever in de delta
der delta’s van Dajleh van Dajjâl
Tigris en Eufraat en van de Bij-
belse Maas en Schelde en Rijn en
de Waal en de Nijl van ’t meer der Vic-
torie naar Alexandriës kust
Amazones Punjâb de Kongo
bij Inga Mundalands levensa-
ders waar loopt, door geen zwarte driehoe-
ken-schaduw angstovervleugeld, de
rivier in hun delta’s linksvertakt
rechtsvertakt de syntactische Takt
slaat en er over moet naar meer Le-
bensraums Drüben Habrahams arba-
’a eufraseologisch Broto
Eufrasi Frase Ambrosia
het Hebreeuwse herbreeuwde reeuwse
erobert Rüber europa! naar
de crepusculaire ripa A-
ruba waar Atlantisch ya‘rûb
‘araba garaba naar magrib
naar Amenti’s Westen de rug van
Zeus op der rüberschwimmt op zijn stie-
renhoorns stauros neemt hij Tyrs dochter
en Bustrophedon de strijd der be-
schavingen met zijn hoeven verkar-
nend zwemt hij zijn strofe rechtsvertakt
linksvertakt als de god van het licht
westwaarts precessie der equino-
xen geschouderd Minos Ariadne
golven met hoefschoepen naar de oe-
vers van afstoot slaat hij tsunami
de wereld rondt ark der arken en
dierenriem in zijn aritmo-re-
me en vindt dat het ras der mensen
alleen verkoren is, uitgestor-
ven fossiel op een rest van Munda
maar troost is treurnis, tris Tristia
op het rechte stuk weg dat Laken
met Boom verbindt per ontstekingsmo-
torkaros, naar Duæ Ripæ, zeven-
tig uurmijl, helft van de rechterhand
vol zestiende-eeuwse spoken op
dool ook in de septentrionaal
stralende spookoeverstad op Mo-
dulor-maat gesneden nomade
Breedam van Breedam de hemisfe-
rische rechter zoemt de koetsier dit
van Breedam-Verdriet der roodhuid-ka-
nunniken voor, wier Ballad van Wound-
ed Knee in Roger De Neef en Con-
stance hun kunstgastvrije kapel
bidt voor de vrede, en het verdriet
van van Breedam Breedam de mens van
Breedam de breedademend ruimzie-
lige man van Breedam gestaag rijdt
de wagen het eindpunt nader de
horizon op het rechte stuk weg
en een stip wordt onmerkbaar één en-
kel voertuig zichtbaarder groeiend voor
zijn te sentimentele linker-
helft snedig handslaande rechter van
Breedam het enige dat zijn tuig
van de oever scheidde zijn koets van
de einder verwijderd doemt voor hem
op en op de scharlaken verhuis-
wagen-deur die hij inhaalt staat van
Breda, Breda leest hij kruist hem waar
van Breda waar het recht stuk weg van
Breda nu eindigt recht vóór het ach
recht voor het ontroerden-voerden het
weggevoerdenkamp Breendonk ontmoet
Breendonk toen wist ik dat ik was aan –
het kamp Breendonk aan was gekomen
de grap van de pisfles ach hoe ge-
lachen is om de grap van de pis-
ach in de nacht reeds toen we maar net
waren aan gekomen in Breendonk
Breendonk opeengepakt in een cel
met ons vijven zessen en ’s nachts ons
de aandrang te machtig drong naar een
plas die zich in elks blaas had verza-
meld te machtig werd greep geen vijven
of zessen één plots een fles en uit
zich de flesgroene hals op smekken-
de pisbuis vesica piscis der
lens van het pisoog dat in de nacht
als een katoog loenst en zijn dorst lest
ontlast hij zich lost hij pisplas na
pisplasstoot in het mosgroene gras
dat geen stijve om vijf of zes hem
of elk van ons die om beurten zich
aan de grasgroene mond der fles van
zijn dorst verlost zou verrassen en
de fles gaat van mond tot mond in de
rondte zodat elk blaast aan het glas
Breendonk o Breendonk voor de promo-
tie en klas de eerste der lessen
van het leven de doodsles: gas van
de oven suist uit de fles en al
heeft de kamer geen buis of las waar-
uit holo-caustisch het rasgas komt
gesuisd op het groene grasperk, het
rozenloze Rogoznica’s Groß-
Rosen’s in drieënnegentig aan-
gedaan kamp, mijn broer en mijn neef, het
regent, Historikerin im Ru-
hestand, toon wat rest van de oven
die resten van ons die resten en
overbleven en rotten verast
As is waarmee we, en geen Deo-
d’Orant, de niet opwindende stank
pellen, van rottend voor de aarsma-
den opgegeven vlees • uit tand-
kas, schoongeniesd neusgat of strijkt
het servet puik van de rechterhand
of de linker van goed kwaad of Jen-
seits de ambidextera manus
het restantje gevoeg weg dat de
zuignap-diafragma-torsade
der aars na de akkergift niet in-
blikte | flits gaat het wel neoko-
loniaal bij de bidsprinkhaankip Rie-
fenstahl staal Leica | en Laïka
in de baan van haar blik stikt op dat
ogenblik O leid naar het moeder-
schip of vader haar lijk groentjes-flot-
tielje en het settertje ook dat
door nierpijn geplaagd adolescen-
ten-geplaag niet onder schuiloord-buf-
fetkast vandaan kreeg | met elk onder-
deel opgemonterd re-combineert
experiment van je allicht nog
wat fauna voor Harmaggedons na-
dagen Lust nog een keer, goden, in
vlot geïncarneer : wie ontzegt je
de vreugde? | maar wij die in dit vlees
vooralsnog geilheid betrachten, en
straks elkaars staken estafette-
stok strak in beide handen gestrekt
strijken doods as over elks zweetgra-
ge poriën als vloeiende bloem
en niet het door nanotechnolo-
gisch vernuft subatomaire niet
meer traceerbaar vergift gistscheut-mor-
gellons dat het lichaam betovert
tot aardappel-luchtwortels uit vlees-
knol na -knol schieten en mensheid zich
als het duizendpoot-volk fluks op zijn
ledematen-overvloed voortrept
naar zijn eind als patat. Strijk met je
linkerhand je rechter van goed en
van kwaad in mijn liesmuskus je vlieg-
as mijn lief Maak het de schaamluizen
moeilijk die al te graag in ’t veld van
mijn kroeshaargewas huizen, en stroop
jij maar de voorhuid van mijn eikel
die beide vingervaardiger in-
talkt dan ik ben in staat ‘Nooit’ schrijft ge-
schrift van het historische ponti-
ficaat isti‘mâr-shayûniyân
‘hoeft het ras racend racisme be-
hoefte verklaard te of ontleed te
laat staan te worden ach laat het staan
analyseerd te ge- om werkzaam
te zijn ofte bestaan’ want in cir-
kels draaiende taal draait voor de o-
gen haar rad weg van het reuzenrad
onfortuinlijk bestaan | weg draaien
radgedraaide ogen o draai maar
taal ‘le racisme n’a besoin d’êt’
fondé’ weet je ‘pour être’ O Zijn!
‘compréhensible par tout le mon-
de, sans êt’ admis par tous: un axio-
me’ Juist, duid het niét! Op het failliet
van de taal wacht wat geschiedt niet om
te geschieden Ik ruik graag aan mijn
ballen maar De pik van die ande-
re vent stinkt… Als die tong walgt, als die
lippen zich voor ’t welkom-gesabbel
aan ’t vleeslapje schamen is er spra-
ke van ras Bijt in zijn kloten, denkt
elke pitbull en rijt lijfgeur aan
flarden, maar het hondenras zelf ruikt
zich kwispelend vrolijk aan hun sub-
liminaal aars-open taalgebruik
Snel trok de sabra van de pitta-
tent ’t luik dicht maar de ovenknecht zag
honger in hem die bij de Poort zijn
nog hiv-immune bloedtap versja-
chert ‘Kom met me mee want die dit bakt
is mijn oom’ Brood kleeft als koeienvla
tegen tumulus-hol kleigewrocht
zwaartekracht trotserend | de neef pelt
gaars van de ovenwand en deelt het
en eet dit is mijn lichaam | nog stroomt
vogellijm-manna niet of wijn uit
de tapkraan maar de wissel voltrekt
zich man in het mannenhuis te zijn;
geen El Al-vliegtuig vertrekt morgen
naar Halab maar vannacht zingt het ge-
sprek reeds van Habîb-î mijn lief op
de qânûn bij de thee, broers, in de
keten van Al Quds door ’t Gewapend
Betonnen Gordijn thans onherken-
baar gekloofd Ooit in de onderbuik
van An Duæ Ripæ heeft hun zoon
me zijn borst blootgelegd buik waarvan
bij de navel de huid trilt als een
trommelvlies en zoete amandel
onder lichtbruine pel lokt elke
vinger naar de schaduw ‘just be here
and wait for my mood’ is wat hij zingt
en zijn hart bloedt ‘Palestina!’ li
hâl-î en drinkt dit is mijn bloed en
Zalig de zachtmoedigen ’t Rijk
Gods zal hun toebehoren ’t Rijk van
de Mammon rukt de hand van elk stuk
pik dat stond aangerukt en met ed-
ging denial koppelt en kwelt het
terugslag van toom en haan aan zijn
zelfopwinding terug O de moed-
wil de Tantra der linker rechtshan-
dig om te slaan is geweld wie dit
niet begrijpt wie dit niét begrijpt dit
wil niét begrijpen en slavenjon-
gens bloedgeld voor klim der nep-Kunda-
lini wordt ieders linkerhand-duim
omgedraaid aangenaaid op de plaats
van de pink en dwarse rekruten
bij het polsgewricht Brabo na aan
de stomp een rechter weer aangezet
dat het richt dat het mikt en trekt het
geweer geschut mitrailleur en op
de kruisraket rijdt de ruiter on-
vruchtbaar als op zijn ijzeren ros
fietsfreem de vleesstaaf | die van kastan-
je-prostaat naar rijp aguacate-
smegma leidt zalf op de avoca-
donoot eikel | fietsfreem de vleesstaaf
vervangt in zijn • geslachtswortel
cyborg reeds androïede | leg aan
en schouder! zo wordt hij opgeleid
afgericht en zo richt hij zich op
kindertijds tekenles tot graffi-
to ontaard van gaapkut of billen
kippebouillon niet meer; orthodox
moet de hand gestroomlijnd en schrijft op
de rijpe granaat de boodschap van
liefde van de Khazarenstuk-staat
hoe vol haat niet met zoetwaar mager
gemest het rijkeluis snotjong van
Levantijnse komaf het mailtje
unzipt en plotsklaps ontploft als de
querulant-kamikaze vliegen-
de-bombrief straks die op maagden van
het beloofde hiernamaals azen
blijft | ach hoe komisch psychotisch dit
Shahîd-fetisjisme ónze juist
aarde hallucineert ons eretz
ardhu beloofde en als de las-
tige klant ons land niet aanvaardt ver-
brand ik wat híj claimt en tot de laat-
ste olijfboom-gaardolijf ónver-
gaard breek ik hem zuur op ’t uiersap
bijenrot in ’t oniemkbare slaat!
alleen hun IQ al! mammelmelks
Gaat en vermenigvuldigt u propt
schandelijk mededingend met on-
ze fabriek dat kutmechanisme
seks-onverzadigbaar met de pap-
lepel Ha! de papslepel da’s pas
een Witz maar met mes en vork heeft de
ingeburgerde Sud leren e-
ten en prik zegt de vork in bil en
het mes snijdt pens van de varkensbuik
dat het puik van de mens gevoed wordt
en wepel zoog ongedierte zorg-
vuldig veredeld apebroodboom-
fruit niet uit de ukkenmond plukt en
gebruikt voor hun hete bonobo-
fokfeest waar van de kut naar de stuit
ieder hol met stuks fruit gevuld wordt |
een tuiltje rukken of rampetam-
pen | die ruil is een taal! betaald wordt
er niet! die nuk moet er uitgestampt
dat onkruid gewied; de rampen E-
gyptes die ons de Here gebiedt
Vuur! O Walkurenrit van de drie-
hoek-vampiers met Tarnhelm op, gypsies!
O uitvaagsel, schuldig acht je de
Rechter aan de complottheorie
laffelijk ’t Rijksbelang te bescha-
digen, span- en handlangersdienst ter
vijandbegunstiging te verrich-
ten en botweg loopjongensklussen
te klaren door wat heet Wederstand
schietgeweren en schroot te bezor-
gen, weerspannig het hang- en sluitwerk
van ach des Opperbevelhebbers
cybernetische brein te lichten
en zo zich toegang tot hogere
lagen nog boven het aller-Op-
perste Staats Geheim te verschaffen
zo hoog zo subliem vervluchtigd e-
therisch dat het ontsnapt aan des Op-
perbevelhebbers brein, zijn Hoogste
Idee van Opperbevelhebber-
schap ontgaat, die zijn eigen schepping
vergeet, raket aan de dampkring, en
daar kreet gij sujet dit poly-Chi-
nese dit Pulcinella-secreet
bruusk van de daken terwijl het nie-
mand warempel eigenlijk nóg in-
teresseert o de Voorhang scheurt in
de tempel ik scheur mijn priesterskleed
en veroordeel tot ’s Rijks verdedi-
gings werkkamp jullie die ’t stichte als
tot stichtend exempel Jongens, de
gasten die ’s nachts de beestentrein reed
Moorwaarts naar Esterwegen waar turf-
steek hen wachtte Waar staat te lezen
ondanks de huiduitslag die zijn lijf
overdekte put hij zich uit in
het kamplazaret met ziekenbe-
zoek aan die niet genezen. Een boek.
Uitvaagsel-huiduitslag als krijtkorst
na -korst van psoriasis door geen
zee te genezen door geen Dode
geen Dode door geen Dode geen Do-
de Doder en Doder want op wa-
ter belust dronken van water | waar
ze in drijfzand der Hel drijf ze ver-
welkom met je armen van modder
aan hun enkels en kuit ballen en
fluit een elektronische voetboei
geklonken demonen van gewa-
pend beton slurpt niet verzadigba-
re lust aan de watertafel drukt
ze omlaag Onvloeibaar dikker maakt
het verzadigend zout pekel; het
bladerdeeg der naakten verkorst er
met haar schaal, in geen Aïn Guedi door
opgedroogde bonestaak douches
weer streelbaar te weken Als het dor-
stende ree hunker ik heer naar uw
bron maar van heinde in Onvruchtbaar-
heids Zee te zien gezaaid en van ver
exoskeletten van verdwaalde
garnalen elke hinde en bok
Daarom kalk ik het beeld wit wat ik
schiep, ik overpleister en -gips al
je lepra op ’t identifica-
tie stuk kont lepel ik stroop uit voor
stoma, de pink aan het truweel van
de meester sluit de lip waar je aars
dringend door buiksprak Perkamenthuid
is schoongeschraapt ontlikdoornd herlooid
herbruikbaar besta je weer gewis-
te Mijn pen schrijft je geschiedenis
palimpseste, alsof niemand jouw
versie die je stamelde miste
met ‘Kijk! een konijntje’ komt de ram-
melaarklauw viltomfloerst hameren
aan de poort van ’t paleis, droomt je de
lust voor die zijn myxomatose
nog niet afschrikt, maar plots kreukelt je
strompelvoet kadavers van hazen
en daar in de V-oksel geprangd
van een wilg slaapt als je Todesver-
kündung een lappenpop: de raaf; ach
je navel die je bloot houdt, bewoont
retrocaecaal je blindedarmworm;
aroma van souksouk en youyou-
ende vrouwen doorspookt web waar je
Enkidu verwacht maar de pook in
de hand de eenogige die stier
is en mens slacht bij de exit, haar
acht als je wapen tegen honderd
van hem die bij de koe ligt op wacht |
laag hangt de zoldering der ufo-
hal tropisch in Sargassozee-licht |
de schikgodin metselt met haar taar-
teschep-schaar drop op de kartellip
van je doopvontschelpmond | open je
buik voor het onstelpbare kind, dat
keizerlijk losgeknipt zijn navel-
streng-kronkels uit het stopcontact rukt,
draadloos voortaan en als de zes en
een half weldra tot vijf zijn gedrukt
ontdaan van geen waterkop of dik-
zucht der romp: één been of armstomp, heb
je de keuze, zal ’t zwaard slaan van de
rechter op het Hemelse plein •
en per één twee drie tien honderd ver-
snijdt de zich uitzonderlijk wanen-
de heerser zijn onderdaan; en hij
die het vreet óók wordt de hondensoep
Als de ogen de lucht in en ten
Hemel en het wit van de oogbol
wij zien het niet meer dat de pupil
achterna draait naar de duizend en
acht van het blauw dat is gebroken
in schildpadschubben goud door de zon
zien hoe de lotus in de dasjt van
het zout waar ooit Farhâd en Sjirîn
Leylâ en Madjnûn over tot schol-
len gekraakt oppervlak draafden op
hun gepaarde gespan schimmels, tot
bloei komt in de korst-polyhedra
zand waar de zefierbries zijn strepen-
web kabbelt, variegata het kleed
zebra- of luipaardvel en open
de hoed breekt van boleet, amaniet
dan weten we niets meer van de roep
van het steeds steedser vermorzelde
aan de oever waar lauw Sjiva’s ab-
lutie in de vloeistof verrichten
wij en modder die diep dekschildblauw
glanst op de betegelde beekvloer
naar balzak en borstenvlak, en oor-
politoer scheppen o sadhu in
de ochtend o heilige oryân
die zo graag zwierf tussen graven en
met je hand het zo fraai blootgelegd
vleesfruit dat hij aanbood taxeerde
op zijn rijpheid en woog hoelang het
strelen met je zooleelt je eigen
vermetele degen het bekwis-
pelen dan, knaap, met twee polsen en
lippen en muisbal en tien kneden-
de vingers het zorgvuldig gehaakt
baardwerk de lipkussens de tongslag
het tandeloze bed van de kaak
speleologica van de keel-
holte smaken ooglid en oorflap
om pit en om steen, om vruchtvlees om
zeemvel van de praikokkos birkûk
fructus persicus sluiten nectar
amrita fructus Ambrosiæ
en het kwijl van de soefi sijpelt
zijn baard in, bergriviers honinggeil
uit Ararats ark geruist uit de
flanken van Demavend en Elbroes
stroomt langs zijn benen, als onophoud-
bare straal urine, ter aarde
op de glasplaat uit achttiennegen-
tig vlijtig vastgelegd opgespaard
door een baner van spoor in Oud Te-
heran ik kreeg je getuigenis
van die het bewaarde doorgaf aan
mij die er dit gebruik hier van maak
Heeft deze blik die je roekelo-
zer dan ver de hemel in wierp dat
niemand zijn boemerang uit de droom-
tijd terug zag toén al de lichtflits
verglaasd van het ma‘asjallâh Mo-
lybdenum laboratorium? fel
verlicht ook de tien miljoen door de
kerstboom zodat elks radiografie
netjes het krattenvlijm aan het licht
brengt met Pritt-papierlijm geplakt in
elk zijn verraderlijke pochet,
assasinisch gapende aarsgat
de as van het boze scherp steeds om
toe te slaan in de rug van de vrij-
dom en nooit zijn de zwarte dozen
gevonden. Zal soms hun zangeri-
ge, die Frankensteins tongval afblaft,
de beul in liefde beschaven? •
maar de konten der vrouwen open
te breken, billen cycladische
kalebassenpaar-risten, knopen
gevlochten knoflook waartussen zich
de hand voor het fisten doorworstelt
peddelvin de bezwemvliesde want
wijzend naar dubbele overkra-
gingen baardfluim-zwart om de oester:
daar ligt de parel in en op straf-
fe van bankroet roof ik het maagdschap
gestort in de groef | de liefdesbrief
thuisgebracht naar de moeder der stie-
ren hoorns door de waaghals, octopus-
armenkrans als zijn hoofdtooi, omdanst
post uit Atlantis, Mesopota-
mië, Westen waar ik, het Noorden
kwijt, even buitenzwerf als maar O-
riënts licht naar Canopus’ Zuiden
het Kruis tegemoet de bron van n-
tú en langs het Hamitische n-
t-n-tí en naar clicks der buite-
laars boude tuimelaars tegenpool-
antipodische neusgat spuiten
der kaap | daar ringen door heen te slaan
oren doorborend met het goedko-
pere koper beter voor doop dan
hun heidens ivoor en mocht toch dat
gluipende niet hun frats uit te slaan
zijn, dan hakt de voorbeeldig botte
machete lidmaat of lid af, waar
maar de zonde het ergst in huishoudt:
nog niét gepleegd is de diefstal maar
zij zal of ontsnapt de slaaf en hij
lapt het al en al loopt van hun volks
ontucht ’t gerucht niet eens rond, wij rui-
ken hun lucht. Ze stinken als dieren.
Wie rubbermelk gaart, in emmertjes
levert, die wordt het leven gespaard;
opgespaard, duizendmaal aan de paal
van zijn drijver overgeleverd
– rubbermelk gaart die in de te paard
staande slurf, niet moe fijngevoelig
de drie prehensiele lipjes met
strovuur de impregnatiestaaf op
te doen rollen, hun vleeshuls vliesdun
gehouden tegen de vlam en het
als mahoniehout levend donker-
bruin onyx wemelt van zwartblauw ko-
balt maraschinorode guirlan-
des uit Hubble’s melkweg-explosie
en doorgelicht rolt zijn voorhuid zijn
fokhout langs tot hij spuit in haar preut;
wie de kinderoogst gaart, gebukt aan
haar lippen, spaart op zijn bankreke-
ning wel menige bruid en Leo-
poldiste, biddend om uitzet tot
haar God en haar guit, het Manneken
Pissebed, naar toeristisch verluidt
Stuksgetal emmers waarin hun bloed
met het rubber wedijvert, wordt door
het gepaardgaande geld betaald van
het giftig godsgeschenk, dagelijks
’t vegetArische ras Tartaarser
gehakt te voeren, dat spreidt het so-
cialisme. De bond van ’t vak doopt prin-
sesselijk het fregat wier harpoen
Afrika’s zweefvliegboten geluk-
zoekers entert Paar o duet li-
belblauwe glazenmakers en stuur
tegendraads je krekelzwerm legers
naar ’t opwarmend Noorden Rijk staan de
tafelen en met kruimels gedekt
Brahms als de Oïstrakhjood, de Svjato-
slav-Duitser opus zes maal achttien
spelen, de Sovjet componist Sjos-
takowitsj zijn ultieme Sona-
te spaart ons ’t gepingel en geve-
del dat kunst kundig als smoes gebruikt
van de Star Wars-prinses: Heydrich als
schaamlap voor Maleisische Unter-
mensch-eunuchen wie ’t bloed bruin gonor-
reïsch door de luierseks dhatu’s
gesijpeld komt Sla het martella-
to als lied Zing het cantabile
als snaarpees-ontwortelende cem-
balon-staaf Zeem niet de bloedspatten
van je slachtoffer uit: flitsloos ver-
eeuwigt het mijn steeds digitale-
re portrettendoos Bloed schiet als de
kikkerdril-fontein uit mijn opgestut-
te kut, mijn haast afgerukte lust-
stuk Hoe mooi klinkt hier de muzak-mu-
ziek van de doedelzak klassiek voor
het poedelnaakt publiek voor de kiek-
kakelde koekeloere kukel-
de Klux kikeri clicks corico-
-qui-cocu guck ook ik uk coq au
keuken kokkerol derdebolder-
de riepesol drolkak Het verhe-
ven gemak tongklikt en handklapt en
zweepklakt en liefst collaboreert; het
betoelagende tongbeslag valt
dik op de zangerige tong van
wie toegeblaft al spoedig ook blaft
de monddood gemuilkorfde springt hit-
sig het spits vlees uit de voorhuid als
men hem plots uit de bek ’t bit slaat, en
’t kwijl, dat naar bloed dórst als hij toespringt
Waf waf geef een pootje aan de gast-
vriend, begroet blaffend de vriendelij-
ke meneer aan ’t matras-dragende
rooster van het bovenste stapel-
bed de enkels door twee lussen e-
lektrasnoer gekluisterd kef kef en
de knieholten winkelhaakrecht o-
ver de rand vallend van ’t freem, verti-
caal de drie vierden van het lijf in
de diepte en zijn kaken: waarom
bangelijk dichtgeklemd heeft iemand
al ooit uit een verwonderde aars-
mond ten hemel geveest ‘Here ver-
los mij in uw handen beveel ik
mijn geest’? maar zo zuinig is met spraak
niet slechts hij! allen verzwijgen be-
scheiden hun dankbaarheid lik-lik ze
weer praatziek, slobber-slobber kwijl-kwijl,
goedige mensenvriend, de kleine-
re billen met gekietel tot hui-
ver, griezel tot kippenvel: daar hup-
pelt je buit, welverdiend snoepgoed voor
je weldadige tong, spring over-
eind, zet je gebit in zijn voorhuid,
voorpoot-manchetmanen getrouw op
zijn uitstekende knieschijven, plaag
driftig je stinkende raket zijn
opeengeklemde lippen door, paar
o Hond! met de christenhond de jo-
denhond paar hond met de Koranhond-
pedarsag als ikzelf opstond het
bekken naar de muur gekeerd beider-
zijds getild van de grond voeten ge-
nageld van de handen van ’t kruisbeeld
zijn Christusfiguur van die ’t in Beck-
enried hieuw, vlees uit gebeenderte
kijk niet neer met uw paar bloedrode
ogen op uw parende hond hoe
ik ’t kruishout o on-meedogenlo-
ze gesmeerd stoot in de gapende
wond van uw zaligmakers roos, e-
vangelie polyglot uit uw hart
vuur sproeiend gorgel met één huigslok,
één glottisslag mijn strot door en kom
Amerika! televangelis-
tisch in elk godgewijd huisgezin
dat de kut van zijn broek openknoopt
wanking for Armaggedon wánt: de
wet is de wet, I’m only doing
my job you know, beveel is teveel
hebben ook wij het niet geweten,
ook wij niet het geweten, ook wij
geen weet \ van ook ‘wij’ geen weet van ‘ook’
wij geen weet ‘van’ \ ook wij ‘geen’ weet van
ook wij géén weet van óók wíj geen weet
ván ook wij geen wéét van ook wíj geen
weet van óók wij geen wéét ván ook wij
géén weet van ook wíj geen weet ván ook
wij géén weet van óók wij geen weet ván
wat de schuld licht, hier beneden? waar
de schuld hier beneden ligt is niét
van belang; schuld in de hoogte wordt
door de schepper gedelgd; schuld in de
hel heeft geen betekenis. epos
van de schuld in de vorm zelf van de
schuld die aan de vorm wordt gedragen
en daardoor wordt ingelost. Het werk-
tuig staat stil, even, bezint zich. De
dichtere wijkt voor de veel verder
verwijderde. Hij komt hem nabij.
Liefde vervangt wat in het vers wordt
gelegd als zij niet ligt in het echt
Bloedgeile knaap met de Venetiaans
blonde krullen Jij daar | O Heer die
verfrommelden weer te lopen leert:
opgeraapte per bus Zyklon b
of zo niet wat de nazi-Nase
vol leut omhoogtrok: de Judenna-
se door niespoeder-Platz geleegd van
hun snot haar botrot-rachitis haar
hovaardig gesmeek om Sabaoth
Riesenfalter per conische straal
insecticide en de vampier
van de mot uit hemelen neerge-
haald Raham van uw hand o Rabbi
herstelt geleiding der aders, duc-
tiliteit der trachee: uw warmte
ontstijft het bloed dat tot hars stolt van
de exoskelet-citine, tot
pop voor de ‘anqabût-slurf ‘aqrab-
kreeftegang sprokkelhout voor de hooi-
wagen krab-tarantula dans, ru-
taila! | Ja rapen jullie hem op
van zijn brits en duw zijn geraamte-
mikado per kar naar mijn cel in’t
rotsklooster der Teutoonse solda-
ten Jij daar sta op! | O Heer ik ben
kreupel want van de heuvel gestuikt
domweg gestruikeld toen ik de steen-
groeveheuvel afkwam door eigen
rotschuld O mensenzoon, met één en-
kel gebaar van u, heer genees ik |
ik breek je nog stukker! weg met die
broek en draai me je stinkende hol
toe waar tyfusgeschijt uit spuit in
een eigeel straaltje; is gespuug in het
openbaar niet verboten; daar zet
ik zo een stok voor | die achterdeur
maak ik dicht | op dat lopend schijt past
een tap | o Heer al dat ruggemerg
van uw krachtige lenden schudt aan
mijn wervels bikkelt mijn boomstam tot
een stere gehakt | Ik stamp tot de
breuklijn je als bij Wegeners drift
snijdt in vier ledematen: dat uit-
stekend scheenbot onder je linker
knieschijf mag los en uit het verpap-
te bevrijd, die pols aan je rechter
mag door; naar de smid! er past wel een
haak in, en wat je rechter betreft
wat boven de knie zit mag je be-
houden, ook op de stomp van je schonk
raak je omlaaggehinkt; o het fijn
Fabergé ivoor-craquelé der
eischaal geplet in het celadon
van je huid verpulvert mijn duim, en
je schoonheid bezing ik moordenaar
moordenaar van mijn volk jou verstom
ik! die aars de niet zwijgt, schreeuwlelijk
prostaat-protest eruit slingert en
eruit slingeren laat, ik breng haar
tot zwijgen, metsel en spatel het
gat van het graf dicht waaruit het gat
van het graf niet meer zal verrijzen!
O edele kop, de vesica
piscislens van je lippen-aman-
del doorklieft als de schaal der weegschaal
je mondspleet, opengetongde; hoe
me het voorhoofdgroef-drietal lief is
geen dertig! jou dat het toevertrouw-
de dier van je broer der liefde be-
kommerd heeft en bezorgd in je huids
korrel welks evenwicht asymme-
trisch het geel verfelt dat je aanbracht:
één strook en abstractie tilt je, je
lichaam, in je geheel naar je geest
Wat valt te leren dan dat het le-
lijke dit vernietigen moet, want
leren is lelijk zijn en je zien
op het beeld betovert en ergert
rechtleersen en eerst verkracht je hun
aanrandershand hun rechter en vilt
van je billen het kleed der naaktheid,
de huls die kuis om je eikel schuift;
van de talen de taal verdringt van
de god der goden vervolgens je
taal en je goden die in dezelf-
de taal wonen: nooit meer te dichten
en nooit al te denken! staat er niet
‘allama bi-’lqalam al-insâ-
na min ‘alaq min ‘alaq xala-
qa mâ lam ya‘lam lam ya‘lam en
met de baraka broek gekleed van
je bloed tot slot word je uitgeroeid;
door ’t geel dat je aanbracht breekt je oor-
spronkelijke pigment, alsof klei-
oker de kleur was van je natuur-
lijk gespreide romp, van je ballen
die als koebellen zachtjes wiegen
wier koper gonst in de avondwind,
en daarop had je glanzend zwart ge-
verfd, blanke, inna fî dâlika
li qoumi ya‘qûlun inna fi
dâlika al-ayât al-ayât
blanke, mijn zwarte met het grootmoe-
dige hart, en danst met je broer van
liefde de zegedans van het schijn-
gevecht, slaat het hoofd tot het bloedt uit
zijn waskorst, maar slaat de haat, en het
scheidsgerecht totterdood, en de dood
Maagdelijk wit was en zo hoorde
het broekje om de voelhoren-lóós,
leek het wel, opgerolde slak die
zo dadelijk, geen twijfel daaro-
ver, visbeen-balein in zich ontwik-
kelen zou, strak op zijn daad gericht:
je wel parelwit schot, mocht ik ver-
moeden, maar verdrong in de hagel
van je tanden je schat, zeventien
centimeter ver van mijn hand | die
tot knokkels gebald tussen je tan-
den geprangd eerder belet had dat
je tongslak zich oprollend je keel
had gestopt schuimbekker-ijler vol
LSD en een bak bier der kan-
tine met je benen hun barre-
voetse dorsvlegels wild slaand in de
rondte | met mijn troost werd de vriendschap
bezegeld; ‘vertel ze van de drugs
niet’; verraad klonk in het Frans tot de
arts, maar je leven werd gered; ach
de achtentwintig-jarige arts
held van de Dinka’s in de poli-
kliniek, met zijn verzorgende vin-
gers om kraakbeen dat Bach weigerde
aan te slaan en gloeit in mijn pols en
zijn werkjas zo hoorde het hangt maag-
delijk wit open voor ’t bruinbekraald
halssnoer gehangen op je borsthuid-
gianduja ‘naar de Dinka’s weldra
ga ik terug’ zei je en brengt ze
je Jezusadem arts zonder gren-
zen ‘ergers dan vleeswonden die dolk-
lemmers bot rondgezwaaid toebrachten
na een rel heb ik nooit dichtgenaaid’
zei je ‘en de avond zelf dansten
de kerels bij sorghumbier en zang
hun geschils pijn weer hun lijf uit want
als het wondweefsel trilt, heelt het ver-
snelder, maakt het littekens fraaier’
Met de staaf van zijn zwart flitslamp en
zonlicht absorberende oogbal-
membraanblik verjoeg hij uit mijn pols-
slag de brand, keek en genas me ‘An-
gola was erger’ klonk me lieflijk
zijn Vlaamse Franskiljons in het oor
‘Bittere wanhoop want wel drie keer
had frontwissel hun huizen vernield
In het land der natuur, zag ik de
landbouwers-zo-laters door rovers
op volbloed verdreven; elke krijgs-
heer doorzeeft vluchters met schroot uit zijn
klakkebus, schroot dat ik uit bot en
orgaan graaf die ik dicht opereer’
Ziel weet maar al te goed dat tweege-
deeld vlees haar holografisch verkeer
of geest zijn Niels Bohr paradoxa-
le heelal sfeer in één middelpunt,
niet kan volgen, en vlucht. Liefde ver-
schrompelt en verdooft zich in angst; de
brief gaat verloren naar de stad van
de kindergehakt slager bescherm-
heilige | kweek maar uit het fopspeen-
kondoom en zijn ontbubbelde kauw-
gum oersoep en soap opera zeep-
sop | en sop stukken van kinderen
in de doopvont en tob: niets kan nog
op van de half zeven miljard en
voor een snuif van de snuff ronselt de
jingle van de ijscoman-huifkar:
de wet van de jungle en de uk-
soldaat hakt haas uit zijn galgenaas
en zijn pa en zijn ma tillen hun
duim op uit de Eintopf gebraden |
de heiligman redt ze niet; en pas
als je naam doordringt Johannes de
Doper onwaardig je sandaalriem
te knopen de gezalfde gewijd
fok je er vlees bij tot het vijftig-
tal spoken van je sponde verdwijnt
maar eerst moest geschut waarin onstui-
mig geweld samen gestort was als
in de kuil van ’t symptoom opgedist
glimmen het verhaal der metalen
Plat ligt op tafel de conjuncte
disjunctie die geloochen beaamt
stelligheid logenstraft, beweert en
betwijfelt de disjuncte conjunc-
tie: functie : verhaal dat zich herhaalt.
Dit verraad haalt slechts het epos in
door het oog van de naald, stopt al het
eindeloze in en verweeft de
anekdote in zich, zich tot a-
nekdoton. Zo hoort ongetwijfeld
het woord ongehoord het ongehoor-
de te zijn nimmer betwijfelbaar
want nooit openbaarbaar openbaar,
en zo hoort waarheid zich hier terwijl
op de vraag naar het waar onwaar als
antwoord klinkt. Slechts zo wordt gewaarborgd
dat verraad zich verraadt, rouw zich be-
rouwt en wordt gerouwd door berouw, wie
jij bent wordt beschermd tot na de dood
van het vlees Al wie dit leest wordt in ’t
ootje genomen van de naald, en
genomen door de naald in zijn o
ootje, blijft steken in de naald-o
en steken in zijn o blijft de naald
Spiegeltje spiegeltje aan de wand
wie van heel het land is de schoonste
de schoonste van heel het land der ver-
schoonden van het ‘we hebben het ja
nicht gewusst, niet bewust althans, dan
je spiegel zelf die je toont aan me
bokje ree bokje gems de berg af
gehuppeld pluk ik je wipstaart bok-
je aap bokjemens-en-knaap met de
whiplash in je konijnennek knap
knuppel de knijnegrijns van je mi-
xo-matose wipneus je knuppel
is van mij (wat heet knuppel) geeuw voor
de mijne open het putdeksel
van je stinkend riool ik vinger
die peilstok eerst naar je waterstand
die flut-ulevel tot opstand door-
prikkel ik met mijn wandelstok-pik
wát heet kameleballen toch knel
ik de jouwe plat tussen míjn ka-
liber twee kogelrollager spuit
er maar pis uit, zaad niet op voorraad
dat zet je ’t verhaal betaald van de
volksverraderlijk konings-gezin-
de groet aan De Vlag; metaal van het
schietwapen dat je droeg naar ’t verzet
wrijf ik je hondenneus voor en zijk
er je tronie vol mee die meer ge-
woon is of denk je dat ik niet weet
dat je boven-britsbuur zijn koffie-
bak leegt op je geile bek, zijn bal-
lonbillen overboord? Tot geen kwaad
meer in staat dan er staal in staat van
de stalen graat in je ruggegraat-
loze rugje die ik, je taxi-
dermist er instak, insect van me
mammies mummie! Ja murmel, dichtge-
mept bekje, bloedklonter-kralen maar
van je rozenkrans Pater Noster
De patser! Ik, mammifeer, ben het
je mummificeerder! Loop in de
goot leeg dat ik je pens van je draai
Perst ook de pers dit niet uit het jo-
chie zijn verse vlees met z’n sikje
triaceton-tri-tri tri-tri-trí-
peroxide klutst in de thermos
vol thee het idee! het melkzuigfles-
opwarmsysteem met dubbele bo-
dem tripele bo- quadrupele
-tipele onderbodemde bo-
bodemde bodem die er uitein-
delijk uitvalt vindt u niet anthrax-
antibiotica in suspen-
sievocht slik onschuldig en gorgel
de luchtvaartwaardin bezorgt wel een
slabbetje als het vliegtuigje ping
als de luchtbel ontploft ploem ploem in
de visbak visserke vis – expe-
rimenteel postmoderne kunst-a-
vantgarde viert in haar krochten de
bloedende rubberwelpen hun voor-
huid af – Laatst ontving ik die boodschap
(die net als de nächste staatsvijand
belbaar ben) in hoogsteigen persoon
van Brigitte Bardot uit vlucht nine-
ty three die helder en duidelijk
op mij overkwam loud and clear toen
de bodem viel uit het vliegtuig waar
de stiekem ontplofte radio-ac-
tieve boven-het-damestoilet-
kapspiegel-rookdetector een spits-
muisgroot Niets: een gat in geboord had
Waarschijnlijk benijdt die slijmworm dat
mosselslijm die melasse moeras-
Moor van die Muselmänner de schoon-
heid der gladde borst van zijn schoonzus
halfzus verschoonde en van haar schuld
onbewuste schunnige zusje
haar Vrijdom in Ons beschaafde be-
schamende met zijn schaafdelen bloot
paraderende Groot-Brittanni-
ë Muss es sein? Ja, hij moét dood om-
dat hij moét dood hij moét dood Doet hem
in mootjes dood en zijn moetje moet
huilen moet huil nie, en wij verpin-
ken besmuikt een lachje. Ons hAchje
gered: de verheven pink heeft het
klaargespeeld van ’t politie-secreet
en wij slapen gerust op aarde
en hel want Broere bewaakt ons wel
Onbegrijpelijk bloed: verwantschap
waar niets dan liefde tot schitteren-
de oogwenken, warm-beborstelde
wenkbrauwen, een beschadigde tand
uitwist waar zondebesef tot moord-
lust leidt, lust tot zonde en weg in ’t
parallelle heelal verwenst de
hanîf Iblis op as-sîratu-
’l-mustaqîm “ik verkies de boze
gedachte” fluistert het offer van
de christen en neemt zijn plaats in, de
zotskap op van dat Arbeit macht frei
Honour to serve en in Hare Krisj-
na-oranje narrenpak klaar voor ’t
bad in de mensendrek op elk blad
van de schrift die mensendrek heiligt
o oom dat ik jou begeer als elk
ander, hier in de beerput, volstaat?
Viel er te slapen in de nacht in
de nachttrein op de brits naar de grens
vader bij Franfurt an der Oder?,
de opgewekte staak van ’t verlan-
gen kruisdwars geplant in ’s harten kruis
van de snaak, oder? Van koolrabi-
loof en biet het ontbijt prijkt op de
tafel van de Pool | CNN op
de hotel-TV boert op uit de
buik, van zure bom niet de nasmaak
waar paardekastanje die een ta-
xirit haalt aambei of speen van uit
de endeldarm balsemt en de bo-
de doorbeent ongepijpt pijnloos op
avontuur uit Wroclaw | waar sluit het
neergerateld rolluik van uit en
jezuïtisch barok doemt het col-
lege bij de dom tot de krul | in
Mashhad van het torenpaar gesto-
ten het paar handen die elk in el-
kaars broek een teelbal van het ballen-
paar beetgrepen | daarom (of gehakt)
zijn de bananen van de peerkoe-
pel krom tegen de kerk aan pissoir
of toilet waar madam waakt maar als
schotten maar doorboord zijn is bloed ook
geoorloofd | hoe snel de minaret
op van Qom stormt de Savak niet en
smijt de imam met zijn trompetpa-
viljoenvormige aars van een mond
hups van de borstwering fatwè na
fatwè op de gelovige borst
beneden Franciscus van Assi-
si bekeer Bonaventura’s i-
tinerarium, Lull lul en de
kont het onverbeeldbare lichaam
vervangt en vertoont zich voor het oog
van Allah : deer niet de voorhuid van
die zich lulloos beschroomt, scheur niet de
voorhang van de tempel des geestes,
maar de dolk des geloofs vilt met één
haal de hele schil van de pisang
de gil van de manbare fatâ
tot een kreet, fas uit het nefas en
sacer uit necans, en salpeter-
scherp pepert zich de wet in wat lilt,
weert de ontsteking en verweert te-
gen promiscuïteit van zijn dril |
maar voor Tripoli’s pest blijft de be-
ate niet behoed en de trein die
naar Dora de weggevoerden weg-
voert vervoert hém niet, zijn nummer ont-
breekt op de lijst, dat van het werk aan
de V-Waffe zijn mond blijft verschoond
zélfs geen servet meer het uitspúwba-
re Peenemünde af hoeft te ve-
gen, blauw van zijn paarsgestoten lip-
pen die vuur vuur van de penismond
des SS-Offiziers sperma ver-
droegen maar het proeven ontzegd werd
Stap in de auto naar de poort van
de strooiweide waar Hinderickx’ hoed
Winderickx’ hoed bij ’t wederke-
rige windenlaten hindert en as
des geestes op scheten wordt vergast
petit-fours fours crématoire dan maar
en fourrés à la crème Hansje een
waterkansje Grietje die was er
niet je Boomstam na stam bord na plak-
kaat met de vermoorde door gas dat
Saddáám van de bijbelvaste belt
had, In beeld: waar hangt mijn vriend bij hen?
op het ziekenhuis-bed zegt voor de
treurbuis van het volk het de vader:
‘hoe de smoor ik erin héb dat mijn
zoon niet op het slagveld verrekt is’
juister: de vader tot de zoon in
het ziekenhuis-vertrek ‘dat je poot
af is en, erger, dat je extra-
dij moes werd in de landmijn-bonan-
za, arm is het vaderland, ik word
niet vergoed, was maar gesneuveld, je
imbeciele gebrek, hond van een
zoon van me, ontrukt me ’t geluk door
ukken ombukt te zijn als ik in
mijn sterfbed word gestopt voor de Tuk’
soep wordt gekookt van de door blote
Mai-Mai-krijgers gekidnapte blan-
kes; Kuifje in Kongo zet gebit
in de bout vlees van zijn hulpdij en
ermee heen rent het Woef Teefje dat
Bobbie heet met bot van zijn been : o
dat onkwetsbaarheid naakt Zijn in het
oerwoud garandeert en de zwaaien-
de pik door elks borstwering geschut
voor het scherp vogelpik vuurwater
behoedt van de kruisraket: die moed
voert in één keer naar de hemel waar
zich aan druiven te goed, hoeri’s hun
ogen of aan kwartelei-ballen
van de knapen het heir ieveraars
ieveraarsters, mujtahidîn, kom-
somolskiy molodi en zeloot,
zelotin doén, want op doen komt het
aan, en de opgeroepen para-
commando sjort zijn koppelriem strak
aan als zijn cockring om de loop van
Saddááms raket Enérgiya Fuck
You! op haar huizenhoge transport-
gestel-wielen voort, communisten!
naar Baikonoer | hier zal oer der ka-
ratehand uit de vingers, met bloed-
loze zwellichaam-sproeiers bezig,
de lapzwans slaan en met lege zul-
len ze staan te, met lege handen
te staan te stamelen, uitgebeend
kanonnenvlees; hier de Panzerfaust-
vlammenwerper; het zuiger-verhaal:
wapengekletter: hoe in de ka-
mer de kogel ketst, hoe de lader-
bajonetsluiting kiekt, terugslag
gevoeld in iedere ader, zal
het organische heen en weer van
hun slap, dan stijf, dan weer slap gemas-
turbeer sublimeren, heer, in de
wapenwedloop-etherische-taal
horde na horde en estafet-
teloop toorts na fascis na knuppel
Dwars door de dasjt en naar de Eufra-
tische oever, over, daar hyper,
Hebræi Ivriet het volk dat er
over moet uit het oer van het Ur
van overmoed Hiep Hoera! achter-
na en naar de daarop aan de kim
rijzende oever, niet der rivier
maar de ripa maris, de zee de
crepusculaire waarin zich tagh-
ribu-’sj-sjamsu ondergaat: westen
en buiten dat westen over die
grens heen en in de Mediterra-
ne gesmeten verzopen honderd
miljoen veroveraars plempen het
Zionistische kind het badwa-
ter in en trekken de plaspot door
o de fata morgana fata
morgana fata morgana het
morganatische fatum fata
morgana fata morgana van
de mensenzee eerst Sahara en
droogte der schorpioen die in bed
neer dreigt te vallen van de toeris-
tische mas gehuurd voor vakantie
neer van ’t plafond waar de geleedpo-
tige dreigt mijn droom te vergallen
gebaart hem een tik met stoffer of
bezem en met de hand op de krant
geduwd op de stoep gezet | tot mil-
joenenheir schorpioenen verhardt
plots en verkorrelt wat niet echt zand
was noch water drijfzand voor voet o
jochie verzonken in penetre-
rende grond Arabiës koning
bezat je zo hard niet ook niet de
Turker noch op Tweestromenlands stroom
zijn gaullistische broer O bid œ-
cumene Sjîva Drievuldige
van ‘âsjeq en ma‘sjûq en ‘esjq van
subject object en objectsubjects
snede subjectobject der vijfpun-
tige ster fractalen | ik zink op
het Rot in het plasma superge-
leidend van de poëtische taal
die één keer mag vermeld en voorts als
vervuild bestreden het kwaad is het
niet zichzelve als goed herkennen-
de kwaad; het goed het als kwaad zich niet
herkennende goed; vooralsnog tot
Tao niet is hun tautologie-
Pad overbrugbaar, al mustaqîm
is de weg, de tetravalente
het teratogene spel met het
zwaardere element waar ik ín
bén als mijn hobby-experiment
o halbstarke vent uit je tepels,
heet het, parmantig naar mijn nieuwsgie-
rige kneep gespitst, deed het spog ko-
men spuiten dat nóg! ik roepen zou
nóg! naar je, uit je uier die ’t kop-
pel cilindrische zuigers aantapt |
zo spant de vacuüm-pomp niet eens
om je zwellichaam-slurf, de zwelgrens
voorbij, als sacramenteel het lucht-
ledige ruimtepak om je e-
dele deel de spat naderbijbrengt
van bloed op de hor, mijn mugje, der
trommelwand van je zaadcentrifu-
ge | hoe geil aan je tieten staal te
zien hangen, zuivel er uit als in
het urineglas pis gegeiserd,
geteld depleted uranium
per rad, bequerel per geiger, ik
kom er haast van, je gunt het me wel |
strek maar die tenenkrullende hand
naar mijn grijparm, nufje, je vinger-
vlugge voet naar mijn hete stroopwa-
fel-ijzer-bakvorm die dichtklapt als
om de duiker der diepzee doopvont-
schelp-valvæ, lief, en je roostert in
de snelwasserij waar hemden ge-
streken van ’t zegevierende Heer
jagers (ook zij worden in hun Spit-
fires gebraden, kijken verbaasd ge-
handschoende vingers na die hun neer-
stortend lichaams vlammenzee voor zijn
F 16 B 12 onzichtbare
doodkist in officiers uniform
opgebaard, vind je niet, verdient, de
tsahalpiloot? je stijve onttapt
sperma zal stijven de kazuifel
waarin ze rigor mortis verstijft
| met stoom op je armen die hun broek
die hun hemd spreidt op de plank komt het
je verpletterde lid strijkplankpers-
deksel en je toont aan ons omstaan-
ders je radioactief stompenpaar,
vlees van je skelet gestraald | krom maar
die klauwen, mijn opgezette kraai
en je poot stop ik als aandenken-
tilism in mijn broekzak waar ik elk
van je tien laserstraal-lasbrander-
-één-voor-één-van-je-voet-afgezengd
kauw arachneïdische lede-
maten-tenen-sauté-sprinkhanen |
voel hoe me je voedt als mijn maalkie-
zen-knauw je gecaramelliseer-
de krokant knappende opperhuid
kraakt en de nagels van je tenen
als graten tussen tanden vandaan
peur en tot nagels van hun doodkist
bestempel | zoveel houd ik van jou
het restant van zijn lijf brandt niet van-
zelf op en de Kaukasus-olie
die Paulus’ armee niet in de wacht
sleepte spaart jammer genoeg zijn spon-
tane ontbranding niet noch Toten-
kopf-Schwarzkopfs naar Irak of Iran
grabbel dat levende gekrabbel
Gefreiten bij de poten en draag
het snel naar de keukens waar de o-
vens gestookt klaarstoven afstomen
wat bekokstoofd bestaat Hänsel und
Gretel speculaas van mijn dromen
Gebergte en wildernis in liept
gij mij voor : spiegel je spiegel voor
jonge bok van het ree; les uit de
ketel waar ‘Alî als ‘âli in
staat gehamerd met wijn mij die de
kolven en retorten niet weet, en,
dehqân met de wijngaard wijs mij wáár
in Shiraz’ schaduw van stokken en
ranken bedronken wordt het avond-
paars nachtpurper en lauwte en luws
koude en wind voor ons in schapen-
vilt-mantels der versterving gekleed
Wat met hitte en stank vrees voor het
vlees in ons tot moed voor de dood deed
bederven, doet stuifregen van zweet
in de tent zweven want wellen uit
huid waarvan klamheid onze handen
bedremmelt als ze schuiven op zoek
vriend naar je okselknie je oksel
je lies waarin ze rust: want alleen
intiems is nog kies onder de man-
telmat-sprei dicht om ons vijftal (ik
vergezel jullie vier) ingetukt
Delf met je verschilferde nagel
broer naar ’t vas deferens dat tikt in
mijn zadel, dat ik droom van mijn buit:
Waak voor de appel van je kinkuil,
o wijk voor die je vingert en duimt
twee kaken!, en open, waar je baard-
was een dun strookje vormt bloot voor mijn
je zo graag scherend mes, lippen die
borstelige-snorhaartjes-wildgroei
camoufleert voor mijn tong; teer duwt haar
appelboor je sterretjes vijfhoek
tot torus, en nestelt zich erin,
en broedt één zaad: je kastanje uit
Als je leven zou, wás, man, je ge-
zicht van nu een eeuwhelft geleden
gegrift in de hartschoot van de vrouw
die je koos; bruine, turkooizen en
besrode kralen van je draken-
snoet-drietal om je nek, en één voet
vast op je schouder onderwerpt ze
haar kutje aan je keuring, je rech-
ter oog staat omkohld in ’t silhouet
van de zon, slijm van verdriet reeds houdt
als een blount-las je paar oogschelpen-
paren op de troost der verbranding
open die vuurwerkmakers bate-
loos brengen in je trulli van klei,
zon van de dag die in je borstbal-
gen bloed warmt, en je voorhoofd verka-
veld trek je de grens van een trape-
zium links, plant er de armen in
der vijfpuntige ster Sirius-
Venus die je lievelings vaars er
voor je hoedt tot ze klaar-zwanger voor
haar koos die je koos die het joch voor
je baart dat je zaaide in haar voor;
overdag trek je die open met
het ijzerstrak ploegmes van je ploeg-
makkers hak, ’s nachts hurk je neer en on-
der je kruis dat je spreidt tekent je
ebbenhouten el er je zilver-
slakken-spoor en een traan schuift om je
onschuld die vergoten zal worden
gespoten als snot over het veld
van je wang, droogt er en draagt voor de
dichter die later komt geen vrucht; hij
begraaft in de verschroeide, de rest
aarde je ongeboren kind met
het potlood, dat verstuift in de wind
Vrienden, geen readymade dan de wreed-
heid maakt kunst mimetischer, niets liegt
de waarheid met groter kracht dan het
lichtdrukmaal van het brekende vlees?
maar de vraag is: verbeeld, of afge-
beeld, keert geweld, dat zelf angst is, in
ieders vlucht ervoor weer, terug in
elks vrees als welke het beeld wordt. Geen
zich houden op afstand bant zijn aan-
stekelijkheid. Van zonden de tel
kwijt zijn is voorwaarde, en van schul-
den, tot onschuld: klim naar het voorge-
borchte, hoger: de hel haar innig
geborchte: brand in het vuur en van
wat barmhartigheids aartsva ooit werd
beloofd, quod Abrahae olim pro-
misisti, van hubris, overmoed,
Eufraat-over Hebreeuwse Ivriet-
oever ontslaat u, en naar Ara-
bia’s Kreta-kusten Europa’s
Westen, het Vagevuur, van de tocht,
en de Brahmin-lach om Eleusis
bij Strabo. Niet eerder! Hand van de
reus die vanop Lambeaux’ werk held Bra-
bo werpt als Ulysses ogen van
Argus hoog met je naamgenoots speer,
oom, en de meestbelovende tok-
kelbord-speler snijdt de granaat ont-
ploffend de vingertoppen en -koot-
jes af Wéés hen Daal in de zondi-
ge onschuld van bombrief-vlees af en
springladings incarnatie. De lik-
kende hittetong pure water-
stof gloeit tot spookziel, tot dwaallichtgeest
wel drieduizend, en zuigt hun schuld in
zijn zog tot stof zijn verrijzenis.
Yâ sjahîd! In de hemel snoept de
gekeelde halwa Het hete a-
mericanumbord likt de speksla-
ger schoon, wiens lever er aankleeft van
een tong op het farrae-spiegelvlak
plak, op arachnoïden gebak
moordenaar moordenaar en een me-
ga-scirocco maalt door zijn trage-
luchtstroomstroop paardebloempluislicht grint
dat hem stenigt stenigt Gestenigd
is lekker, yo Jud!, op goyim-ma-
nier met (hoe efficiënt) maar één steen |
gaat rots waar de kerk op staat niet naar
Mozes, dan aan die rots jij en vlug!
zâalrugde ’t lijf van de wederspan-
nige inmate naakt aan de bol o
mestkever-koning van het heelal
met je kont op woeker gebonden
van stront, je bezit, je zit maar je
dondert hier auf des Obersts Befehl
van de berg en je tafels kraken
je tien geboden tot schelpzand en
van je everzwijn-hoefteen pluk ik
het nacrum, tooi voor mijn vedelstok;
Spiegelt je spiegeltje-aan-de-wand
immers dietse kunst want verboden
verdubbelt je sjirk je rabbaka,
donker kijkt je afgunstig gelaat
naar je voorbeeld: ons licht! Je véélheid
van stenen spiegelt de éénvoud, ver-
menigvuldiging zét ons delen
betaald: Gebroken op ’t driedimen-
sionale vehikel markaba-
rad draai je naar de hel maar je puik
oogst ik deskundig want voor het Rijk
gaat geen zaadje Senf ooit verloren
De autoweg brengt de maan in de
voorruit, waar een verdwaalde brok rots
Shoemaker na of wat daarvoor door-
gaat een hap uit bijt, en ’t beraffeld
kiezen-klavier er per mitrailleur-
salvo stofwolk-geisers in serie
uit slaat In een baan benadert ont-
spoord de planetoïde de aar-
de en langzaam bij elke omme-
zwaai lager wentelt het aangetrok-
ken en dichter benadert langzaam
en keer na keer door de zwaartekracht
zakkend het voorwerp aller blikken
dat maal per maal door de zwerm er-
op afgestuurd jachtschroot maalt en als
tafelstofzuiger ’t stof van de dis
haalt dat langzaam en kreits na kreits van
het volle bord al het krijt veegt en
in een lagere baan spiraalt om
de aarde nadert en schuurt door de
paniekerig hete gassen die
tegengas maar geen afdoend verzet
rake biljartkeutik tegen ’t bal-
letje geven, daalt en roodgloeiend
haast twaalf maal in een etmaal staren-
de ogen roodt, dat door ’t blozen van
de gezichten de harten tik o-
verslaan na tik en bezwijken in
hun hik Het gevaarte raakt haast en
rakelings langs het aardoppervlak
scherend de uitgedoofde vulka-
nen op naakt Gondwana en schurkt zijn
sissende schouders tegen de heu-
vels van Asi-Africa wat maakt
het uit tot een laatste beurt het de
bocht ingaat van zijn laatste traject
stuitert een eerste keer door vlakten
en wouden bij tornadogeloei
kerft in de dichtbevolkte steden
een mijlenbrede voor en een twee-
de maal suist de maanklomp over ’t te-
gengesteld land antipodische
continent en terug beitelt het
mijlen van de reuze Gran Canyon
zijn gekartelde rand stralend a-
gaat uit in zijn bladerdeeg-lagen
en buitelt ten derden male e-
ven vertraagd vlak het concave o-
ver, boort zich ten slotte in de hoofd-
stad ontploft doodt van de mensdommen
het Adamisch begin Eva’s au-
rora, deze ploegschaar in ’t keizer-
lijke kut-eventraat, riftvallei
Vallis Marineris op aarde
Wij trekken de opgewelde Nijl
langs maar eerst slaan we de tent op in
Ziwa’s oase. Op de trommen
geroffel en daar schriller gepijp
over uit doedel-uiers vol, waar
straks deegkneders het zaad uit, elk lip-
penpaar bieden als dronk Kruiden ge-
mengd met van excreties der klieren
wat stonk wordt in neusgaten getuit
tot de drift doorbreekt gegoten. Ze
rukken de kleren van hun lijven
en opgezweept door dans en muziek
drijven de ouderen de jonge-
ren broeders in hun broers in hun zoons
en neven de vaders en de ooms
de van zaad palstaande roeden tot
het genot van de twee opspuit en
omgekeerd de zoon in de vader
de neef in de oom en in zijn broer
elke broer zakt op de bodem, en
op de kokosmelk-zaad-snor om hun
lippen staat de glimlach der vrede
In de tent van de man slaapt in het
teken onder ede gezworen
herboren elk lid van het gewel-
de geweld in We verlaten het
landschap en rijden naar het Zuiden
in jeep of deuxchevaux Langs de stuit
toboggant sperma door de inge-
wand-kronkels naar de uitlaat der fluit
Geposeerd is het beeld ach gepo-
seerd is voor het zilvernitraat van
de plaat in het negentiende-eeuw-
se bordeel bloot van de zeldzame
scheen der Khajaren-courtisane,
de synchroniciteit van het ros
sikje omglimlacht door de schenker
met onverdachte haviksneus, wacht
nog negentig jaar en begeleid
deze pen elders dit epos uit
onbekeerde Khazaar, hierheen de
foto uit als vlees uit het woord, po-
seer maar je hoofd, wat maakt het uit, van
je schoonheid je bewuste, op vier
vingers in evenwicht | waar heb je,
gestempeld op je asblauwe huid,
de kartelrand-radertjes vandaan
het fractaal vlekkenpatroon dat van
zijn zandkleuriger neef zwarter de
panter camoufleert en als mantel-
waaier spreidt bij de sprong? Nooit balan-
ceert het op je pols geposeerde
meer, dode, de echtheid van je kitsch
is ons erf. Uitgespaard donker liet
je je linker gelaat, schilderde,
dolichocefale, op ’t krijtwit-
te rechter een cirkel om je oog,
het concaaf dalende vlak van je
slaap in je jukbeenboog-omkokking
als voortgezet en klim van je kaak
voort in je opgetrokken wenkbrauw |
hoe liefelijk gevat in die lus,
dat lint is je schitterende blik |
maar op links, strenge, doorgrond je met
achterdochtige ernst hem die je
hoog van op zijn mythische ros zal
doden en dwars over je wang vliegt
het lijkwit van de bliksemschicht, kerft
diep het machetesnee-verlitte-
kend wondweefsel, waardoor je, dan dóór
zijn kogelscherp-storthagel, te ster-
ven verkiest Wát rest mij, brossere
fotografe, dan hier kraal na tur-
kooiskraal van je halssnoer te tellen,
achttien korrels per vers? “Grijp maar die
grinniker met laaghangend voorhoofd
van Tsjechische-boerenjongen-hoe-
renjong (ros krult vast zijn schaamhaar als
zijn varkensstaart-zinnelijke bles)
bij de nek Out shall I check him dat
op je fretvranke bek spotlach voor
rattenvergift-grijns wijkt met opge-
trokken lippen waar grijs droesem op
borrelt als mijn balk je verrekt” ‘Ach
ik spalk al mijn benen voor mijn gum-
mi geval open | dat wachtmeester
u met de slagkracht der karwats de-
ze kloefkapper zijn stift tot wat wild
loof van spreekwoordelijke prei zoudt
herleiden als de soep maar niet steeds
dun als rioolwater elk z’n aars
zou verlaten’ “Hou maar die snavel
gedegenereerde gans van je
open dat er de geurige brij
van je bovenbrits-buurman onge-
geneerd in doorloopt wel net zo zui-
nig dat voedzaam het spaart op Sud en
op spoeling Hoef ook met tandenbor-
stel jij de latrines niet meer te
soppen want zowel tronie als vloer
maken elkander schoon in éénzelf-
de beweging bakkes und Klappe |
maar inmiddels beslecht ik graag de
partij met vlechtwerk van elk der ge-
macraméde complex-karwatshand-
vat-strengen zweepslag na slag op je
van pijngenot nóg staan grijnzen ver-
rafelend met je flut-scoubidou-
-draadjes tot knoop waaraan in het echt
in de echt verbonden ik trek en
trek weet je trek tot het in je soep
kan gegooid – niet goed? voor de honden!”
Je roos in de tuin bloeit midden sep-
tember nog als de sleutel de hor-
deur opent de tweede deur en je
eenzaamheid je geborgen als huis
koestert, die negen uur door de crack
zwierf op zoek naar levenden, makkers
‘Roept me mijn land op, dan zal ik do-
den’, maar vijf jaar later gelukkig
begiet zich je dertien-jarige
zus opnieuw voor je ogen als roos
en ontbrandt en haar doorn slechts haakt naar
en houdt je strelende hand tegen:
Niet onstofzuigbaar weze ooit De-
battatos, rugbybeer, Tony, die
reeds gekweld bent tot held, dat longpom-
penpaar dat ons in je armen sluit
Zo beducht je die Koran-Hafiz
bestaarde (levensvreugd zet immers
de scepticus-vrek voor blok) zo geest-
driftig aan dit verzetje als beul-
-leerjongen deel te nemen, wel daag
ik je uit Het minste is toch voor
elke beginner het tafereel
van de beulszwaard-sikkel waar maansik-
kel-licht zo volmaakt in flonkert bij ’t
halsrechtwerk of het voetrecht- of hand-,
maar ook het geduldig snijden van
rietstengel tot qalam met zo’n hor-
-ribile dictu uit de tuniek
gehaald vasttapijt-opinelmes
waar bij het zien als ik de hadith
mag citeren zelf van de bloedscho-
ne Jozef de dames dol niet hun
sinaasappels maar grijpgrage han-
den mee schilden schenkt moed, student, tot
de daad Zo scherp is het scheermes dat
je bepoederde nek de Jood vast
heeft voelen strijken, die Isaak ver-
ving in de kappersstoel, dat de mi-
ni-Procrustes straks op het kapblok
de knip haast niet voelt, wat zeg ik, haast
niét voelt, waarmee zijn pink, niet de na-
gel, geknipt wordt Pink-kníp pink-kníp en-
zovoort, of ringvingerknip toch en
na zo’n ringvinger knip gebedspau-
ze (Duizend tekenstrip bommen en
granaten! en landmijn clusterbom
huppelde in het hiephiep hoera
luchtruim geknuppelde en gevlo-
gen up cubpup-club er maar afge-
cut uppercut schnitten) Heer, in uw
geest beveel ik mijn handen aldus
zong ooit Mar Jacob in Zarathoes-
tra’s traditie, handig op ring-ver-
wijdering toegesneden geen hond
die het merkt dat doe je in stilte
terwijl hij beknot zesvingerig
bidt tot zijn eerbiedwaardige God
Met het scheermes die inham sneed je
je kroeshaar in o oranje, als
met pompoenvruchtvlees-pleisters, oker-
beknede knaap in de spiegel: geen
bloed liep hoe bot je ook voor je op-
tooi gewapend wiedde en rooide
de ernst van je kunst bezegelt haar
waarde | zolang je staat in de gunst
van de aarde zal kus na kus van
je lippen kleikorst doorbreken, haar
menstruaties geronnen bloedboon,
zijn sperma’s opgedroogd micaspoor |
hun hart als paarsrijpe eikel ont-
fluistert zich als een lippenpaar-paar
Hoe toch terneergeslagen wat ne-
men je ogen waar in de specie
van je verfstof en spuug? ‘De hori-
zon spelt de zaagbladzeis-ruiter: die
met mijn scalp ook de zeven vinger-
top-knoppen wegmaaien zal die ik
geduldig sculpteerde Rood van a-
hornsap reeds is mijn bijenwas-helm
Niets zal mijn hersens voor het ze op-
eisend vuur beschermen der zon en
kinderen rapen in wat ik zie
in mijn speeksel okkernoot-droog uit
mijn schedel gekrompen vlees en ver-
broddelen het al spelend tot gruis
Dacht je, langvingerige Jood dat
ik dát niet in het ootje had Goud
stinkt niet en daarom de totale
ontstopping van je gat voor zijn stront
te lijf weer hardlijvig en gepierced
door een Ring? Geef maar die cutter waar
je piloot na piloot strottenhoofd-
slagaders mee uitkerft en sloopt dat
ik op zoek naar het ding aarskringspier-
uienring na uienring schil tot
de trechter waar elk zich van zijn kwak-
spijs in kwijt ‘Heer die genadig dat
geen rozenkrans-klimplant om mijn vin-
gers zich windt streng met tienvoudig uit
elk fonteintje gepist bloedsap be-
straft voor deze drinkbare roosjes
ben ik dankbaar’ Je schoor vast met een
spaander der barak voor de zijkspie-
gel oksel- na okselhaar daarstraks
maar ik trek graag aan het rag dat je
spint en verbind je tot een pop van
het kind in je De schaamhaarbos dekt
fraai je achtogige proboscis
Verstrik je er maar in Met een mep
gaat de spin in de stoof Kis en ver-
schrompel, dat spaart plaats in de kloof die
hij schept met zijn stompjes voor zichzelf
en erheen strompelt op stompjes en
invalt en dichtstampt en vergeet waar
het graf lag en zich schrapt van de lijst
‘Heer ook de windroos niet aan vinger-
en teentoppen van handen en voe-
ten toon ik gekruisigd noch de po-
ten verast Boete te doen tot gij
een pioenroos in elk bloederig
gat plant van de vier die er spoken.’
O mooiste van allen met het hoofd
van het blond joch in het zwart dan, met
in de oker geverfd één helft je
rechter in mijn tien door elkaar ge-
knielde vingers gezet, levende
edelsteen, hun biddend gevlecht, nu
ik kniel voor je altaar en de naad
waar de kin kaken aaneensluit, het
schaambeen je crawlslagzwemmersdijen
uiteendruk met mijn schonken, je stier
Erebos, hemelgod vergeetmij-
nietblauw in je aanvaardende blik
en je dien waar je speer enkel het
bed zoekt waar zij rolt als je tong op
mijn tong tot je bliksemt en ik zwelg,
en je hoofd wieg als een bal in je
balzak, onaangebroken kokos-
noot wachtend tot de vingerdruk melk
tapt uit je weke fontanel, waar
gemillimeterd dons of gekroesd
mimosablond, blauw van het citi-
neschild vilt vormt voor de toetshamers
van het silent klavier aaiende
vingers voor het afscheid van Dowlands
Loath to depart! Hoe je kristalsche-
del past in ze en, bode, ik woord
pluk van je lippen die de mond vol
niet praten kan Je evenwichts won-
der hing je een geldstuk om, obool
aan de trits snoeren, door zilversmeed-
kunst gebuild tot een schijf Hostia
Cakram die ik leen, van je keel haal
en nu lach je je mond, jongen tot
sleuf open waar achter het bruin van
je buitenste labia, en tus-
sen het snoer voortanden-parelwit
van het hondenkreng-been (zegt de ha-
dith) het onverkrachtbaarste rose
geschrijnd van je tong ligt waar slechts tong
als geschenk past van het muntstuk, o
Charon, o doodsseraf, ajall van
jezelf, dat ik ook leg op je lijk
God en je kijkt me in de ogen
met één dat me gelijk geeft en één
waar traan in de hoek stolt die het o-
ker omraamt: het staken vlechtwerk als
wat je dorpskern omheint, kruisvorm van
Malta op je voorhoofd en één paar
schichten: de degens die ook jij dra
zult kruisen in het worsteltoernooi
Naakt is de andere, de linker
illusieloze helft. Wordt je beurt
die éne, uitzonderlijke maal
dat een held sterft na de hersenschok
op het slagveld van eer? Schoonheid ver-
gaat, maar als vernielde nog méér? Als
was elk nieuw voor elk oud kunstwerk ri-
vaal, kannibalisme de wet, want
geen wereld bewaart wat hem ontkent,
en slechts geld spaart en verduistert het?
als niemand meer luistert? En in hei-
melijk zoet leedvermaak spraakmakend
zich de beeldspraak verspreekt? Dapperheids
vrek die zich verbeeldt op de foto
en het zwaard van het glas klettert straks
sluitersnel door Damocles’ kamer
als ooit droom waarin het kind
werd geroofd rolluik na rolluiklat
neer op het kogelronde hoofd van
de blauwogige knaap die ik ken,
nooit zal herkennen, moriture,
tenzij ik je hierbij vergezel?
Breng me, Gefreiter, de negerin
dat ik jou obesitas afleer |
uit België heeft de beestentrein
niets van je overtollige Sül-
ze, maar hier zijn ervaren vetsmel-
ters. Geen versplinterde kinderblik
zal hun technè vermurwen, ziet die
zijn ouders’ vlees ook verkaden, hoe
de buik als dit beeld je voor kan be-
reiden op het deskundig bereid
everbeer-speenvarken waar we graag
het tableau de chasse mee verfraaien
naar de zede van Abraham zijn
Hebreeuwse ham van de hamel maar
op zijn Diets dan of hang je liever
je Christham op aan het slagersha-
ken-kruis in de gang waar medisch o-
ranje van het scheikundige-Krieg-
werend kostuum je met een obste-
trische tang of clysma-fuik breed de
billen uiteenspalkt en je met stront-
concentraat gespoeld calamar-la
birint Jehuwahu’s brandende
braambos of is het Wodan zijn we-
reld-es of diens as roodgloeiende
rattenkooi als in Bible Belt’s clan
Keltische Ku Klux de in een riet-
biezen reus geroosterde proefrat
Kekrops of Kuklops die zich de bran-
dende vacht in anaërobe
omstandigheid dovend trappend een
weg baant door je kanalenstad tred-
molen ínbrengt en schroeft de dop van
de witheet stralende stereo
microfoon af en licht het klepje
daar rent het vuur door je buik en voor
van als vuur door de buik van vader
en moeder rimpelt getuigen zo-
als op kokende melk het vlies voor
de rijstpap deinst mijn contractor niet
terug: je Cycladisch bolstaande
billen in cellulose-stabiel
suikerpeer-evenwicht als het ei
van Columbus plat op de kakstoel
slaat je de beul en met het karton-
snijdermes onthoofdt hij je dophoofd-
prolapse wier eenoog stulpt door het
kijkgat waar je mulattenbloed vies
verziekt in de seks-incestmixer
nuttig gerecycleerd wordt | wees blij |
pensenvel vult voor je vitami-
nerijk voer | wees blij dat je dat niet
tandvleesbeschadigend in conser-
veblik vlijmscherp voor krijgt geschoteld
want gulzig maalt heen en weer je ge-
bitzaag zich op de kartelrand wond
Maar ik maak dat je gast geklopt heeft,
een echte neger en man voor wiens
alle stammaagden wondrauw vegen-
de vlegel, open je puntzak, zijn
spuug, kwispedoor! en laat maar zijn ra-
gebol hard je schijthol door jagen
of beter: O beest van Afrika!
spreidstand van je bij punthoofd-goril-
la’s af zwellende dijklomp-dijklomp-
spagaat, dat geil door mijn gulp drupt, wil
ik en stoot dan dat wapen diep in
de hete West-Europese ne-
gerin die hier klaarligt, juist in de
snit gebracht voor je kegel op maat
Daal in haar krocht af en macereer
in haar rot je paal tot hij allengs
vergaat ‘O mijn broeder, lig in de
wonde hier, in me aangeboord Niets
blijft voor je buigzame in me, straks
pas verstrakte slang meer verboden
Open, door wreedheid, voor openba-
ring: je eb en vloeds oceani-
sche branding slechts baring wieg ik je,
zwangere, parturiënte soort man!
Naar het kruis der twee scharen schuif ik
de lichte staak van ons beider toe
want hoe is van zowel saghîr als
kabîr me • niet de samenspraak
lief, en je ónverzeerde (het lin-
ker of rechter neusgat voorzichtig
gelijk van een jonge olifant,
grijpt hij de hem gerekte papa-
ya) je aars door het glimmend slakspeek-
sel paars omringd als met parelmoer
ook je lippen, betreedt zacht tikkend
mijn spaak, gesterkt in zijn eer.’ “Ik zal
de benen der scharen sluiten, o
broeder, om ons verzegeld geheim
Duimen en wijsvingers nu de scha-
ren der benen dichtgaan om wijsvin-
gers en duimen van elk de ande-
re hand zacht drukkende ene hand
Als het zegel der blijde boodschap
verzwegen stil en uiteindelijk
gedicht met de groene klei van elks
ballenpaar dat jouw bloedend, mijn schor
stemgeluid bet, en naar je Kauka-
sisch omkrulde blik is het raden.”
‘Ook je omokerde, erin uit-
gespaard zwarte, zorgen-omwalde
blik zie ik niet’ “ ‘Sjiva’s derde, on-
blindsteekbaar, is die over ons waakt” ’
Voeten : de bijl waarop de pijl van
Rostam maar voor het oog dat me mast
aankijkt afwezig onder krullen
van koperdraad of surbahâr-gut
o bînkar met potpots over her-
sens die rauw pluk ik en open gaat
voor het visserke vis of voor de
soep die van de varkenspoot-risten
zal gekookt naar het Yin Yang van de
schedelhelften kleppert om vuist in
de offerblok-doopvontschelp gevang-
en hoezeer Göring ook tijd wint, plu-
tocratische worgengel ik droom
dat de toog vleeshouw gebeeldhouw voor
de extatische gast tonen zal
ooit als Michelangelo’s Nudo
op ons af maar postuum koestert zich
wrok om de door bloed onvergeldba-
re straf in door bloedgeld onbestraf-
bare wraak nu op dat ziekelijk
lieve, o ernstigste gepruil van
je knapenkut, wat wordt het dan zweet
tenenkaas uitzaaisels van eeltschim-
mel, dipsaus voor het brood der raclet-
te, quel qlet! als je haan kip wordt ge-
braden en manchet na manchet al-
Hallâdj zijn ontpeddelde vier vle-
gels voor pret opgezet wordt in de
stroom waar Verbijstering en Schok niet
het fut uit bombarderen zal strooit
as van hem Boudewijns embedded
contractors voor Loemumba gewet
machetes die ongeweten Gla-
dio’s net Nijvels gejat heeft ton-
ton Macout’s door het ooit rein roze-
vingerig geweten van Eoos
het fraaiste portret van de darwîsj
kijkt naar links o affectatie ge-
affecteerd taqviyè-stealth malâ-
mat-e malâmat het geheim van
het geheim zij onthuld hullen ont-
huld in het ontlogen niet liegen
van pose van sidq is wat de leu-
gen erkent | zoethout als stinkstok die
lippenkut ingeprangd, mijn boksbeu-
gel-platgemepte-boksersneus-boy
Nuba, waar verticale groefjes
’t kalisjensap in beitst dat tot kit-
telaar-spitsheid geschulpt werk van je
tong uit hun krankzinnig geprikkel-
de eikels melkt, bellend aan de toom
van hun sleuf. Oud en ervaren de
kus van je jongenslippen man, die
van elk zijn acrobatisch gebuk
gulzig het zelfpijpwerk en gul chu-
pacabra waaier rugcakra stret-
ching overneemt razend abrikoos
na framboos cactusvijg binnenzwel-
gend na vrucht van de roos. Zebra, o
vingerkam, als Afrika’s tijger
dwars je gezicht over, o monster
onschuldig o je zondige prooi
zó ben je kunst, wiens camouflage
zichzelf aan ’t objectief openbaart
maar rechts word je raster en voor vloed
van natuurs strepen bescherm je je
achter muren Âdám modderen
man hoezeer de lei van je klei ook
door het bindmiddel ei beeld werd of
schrift door het gegrif van een kei : uit
de vuurstenen griffel de kriskras-
sende kris schraapt al je sporen uit
als Veronica’s doek zweet van de
lijkwade : de geest, filioque.
Van jou wiens patatneus Afrikaan-
ser nubiels niets op je Nubische
smoel slaat, albino met het rode
van Juda, het kardoenbraam van Seth
ezel maar niets tussen je balken-
de dijbalken van mikado spaan-
plaat meccano ramt zich tegen prik-
keldraad wond schuim uit het bloedgemaal
van dat distelvoer vet Pal in je
opgeblazen luchtschip de fopspeen,
vliegende kikker aan de melkep-
pe-blokfluit aan de bamboefagot
vast als de varkensblaas-lantaren
gevendelzwaaid te heet en ontploft,
van flut die je doorgezakte buik-
navelknop uit wordt getrokken met
een lachwekkende plop Sneu dat je
lel zich nog elastisch verzet en
voor het glibberig paar knijpduim en
wijsvinger verstopt in je zwemband |
geduld doet wel klauwen aan de hand
die het grijpt groeien | geniet aan m’n
harpoen snel m’n weitas in insect,
hoe ontwricht schouderblad-schoepen het
ook tot engelse slag pogen te
brengen van de albatros spanwijd-
te, het dekschildenpaar kleppert pa-
thetisch van de meikever rond aan
mijn snoer tot je vliegensmoe je wijk
zoekt bezwijkt tót in de lucifers-
doos, of je poten kwijt aan elk van
de zes zijden of vier op dat kruis
knap bij elk exoskelet-kniege-
wricht afgeknapt, daar geil ik op, luis!
Eind der tevredenheid in je hoo-
qa-profiel darwîsj of je glimlach
vol wit van gemalen puimsteen of
schelpfossiel overvloedig van vóór
the Great Rift voorzondvloedig wilde
Je reikt owbâsj op de zilverplaat
in een negentig-graden-hoek me
je rechter-linkerwang ook aan voor
een kaakslag of zoen het schaduwheel-
al waar het parallelle bestaat
hemel en hel en voor ieder goed
ieder kwaad | het werkwoord der bijzin
achteropgeplaatst stoer voorop in
de hoofd- het zinstichtend verbum en
op MR-scanners flitst de boodschap
gespiegeld heen telepaat naar te-
lepatenpaar weer bezweer het po-
ëet met je tautologische eed
Lief naar het vlekkenpatroon van jacht-
luipaard keek je knaap of hyena’s
stinkende bloedspatten op geha-
vende vacht of edel de schmink der
esthetischste cheetah dept op je
huid onvermenigvuldigbaar sterft
de schoonheid in élke kater of
teef uit en van ze katje noch welp
stip kandidaat zo ter camoufla-
ge de as weer uit en je huidzwart
aan voor het kutje straks met je lip-
pen doorbladerd Niet zoveel later
onschuldige drukt de ruiter-ji-
hâdi-inquisiteur op zijn kruis-
vaardersschimmel de ‘roken doodt voor
de jaren’-peuk van zijn puikrevo-
lutionaire sigaar garet in
je huid niet eenmaal geen tweemaal uit
maar ontelbare sterren sterven-
de zielen cauteriseer ik in
je voor opmaak bereide borstkraag
o dandy | bloed loopt in straaltjes naar
je wangen die eenzaam hangt aan de
varkenslagers-tarocchokaart-haak
ondersteboven en met je ach-
terste voren klaar voor Fortuna’s
spaak waar je ingewand ik mee bin-
nenste buiten trek, voor me braak | Langs
je glimlach bestorven sijpelen
bloedkanaaltjes als tranen je juk-
been-paar op, elk oog verstikt in de
klonters voor het je wenkbrauw bereikt |
Gotisch zes driehoekjes kathedraal-
portaal : raam om boomstam en één voor
één klimmen tijdquanta naar de wor-
telkruin-hersens kroon sahasrâra
je zeespiegelpeil van koolstof- je
watertafel van zuurstofrijk bloed
je tonsuur tegemoet rond bijen-
was-kroeshaar : troost vóór de lotusflits
de tortuur in je uitknipt | knul | de
ogief der linkerpoort raam om de
luchtwortel-tovenaar met ten he-
mel geheven takkenbos-armen
verbroederde benen slank als je
tenen in aan ze zuigend het mod-
dermeer-slangengeslacht die gul uit
je kruis voorover gegulpt als
na de banjeesprong op en neer ve-
rend dans elastisch tot rust geko-
men strekken, zover de zwellichaam-
wervelzuiltandjes reiken, de nek
uit naar de aardopeningen hals-
reikend, tót hij doorknapt, gebroken
het ‘Fortmachen!’ roep ik Vondel in
Flandern met Verdinaso-accent
liefst na | was soll mir aber dein Kot-
loch das Maul ersetzen maar eerst de
tanden met beitels horizontaal
op je kaak er uitgebikt | hield de
amandeltang resten voorhuid pro-
laptisch nog aan je stang geplakt vast
in zijn greep, dat je aap mijn paal a-
tavistisch beet kannibaal waarmee
je chimpansee sparagmos botviert,
verbaast het? Nee, dan het goud maar, cas-
traat die chassidisch je gregoriaan-
se ‘daar vliegt de blauwvoet’-melismen
omjodelt en vult je zakken met
snoepgoed als je Driekoningen zingt
nooit meer cariës zingen cari-
tas Arisch aria’s Ich aber
van wie ’t bakkes bekend de knuppels
deepthroat van bareback-op-hengstenrug
hun zadelloos kruis tot bloedens toe
rauw rijdend op het lederbekleed
schoenrekker-staaltuig van hun steriel-
makend zadel rijglaarsgeschoeide
Europeeërs van Au en Oï: is
de bek gevuld met wier bierstraalbe-
zopen dweilpiemels Heil! ach Hänsel
und Gretel jij van wie ’t Rimpelstiel-
chen Stiefelchen steifes Steinpilzlein
niets dan met mijn sadistische duim
blauwgedrukt buisjesveld in je Sa-
tansboleethoed hamster je zak vol
eekhoorntjesbroodjes en op je zwam-
men gestapeld rim’ et ça ram’ com’
tartin’ boteram’ wat moet ik met
cèpes die liefst naar tartuffelgoed wroet
Daar dan je tanden in gezet, met
je vederbos-oranje kom hier!
jouw beurt komt later want Ohrmazd laat
je groeten die je Krisjna ontkent
‘O wee dat je, akhi, mijn futuw-
wa als vocht proefde en koesterde
op je tong en mijn tong nu, die ooit
slib-löss door zijn pisspleet tot zich nam
en met drijfzand zijn vas deferens
schoonschuurde, met bot in je mond van
mijn boomstam zult rukken’ | ‘voor moordda-
dig gepijp kniel ik, mijn martelaar,
en hang met mijn oksels op je dij-
benenbrug, zweet op je knieschijven,
offerandebereid schuif ik mijn
handen onder elk van je billen
en masseer je geheim’ | bijt in dat
bloedzuigergezwel dat mijn meester
het liefst wil verscheuren met piranh-
a-gebits haarvatgroot speldenwoud,
hagel meloenknikkers uit vlees van
zijn god rukkend ook doorslikt, en wreek
mij die dat volksvreemde Geziefer,
die goj hier met zijn piemelkut ga-
pend esthetisch bedreigt aanrandt, met
kiezen die hoe botter hoe liever
die homp van hem kauwen, macere-
ren met spuug, flut babbelut van zijn
kut op de tong als karamel la-
ten smelten elke lel van die del
del! en geen smirk meer presidential
je snuit met rood-wit-blauw van je Yan-
kee star spangled banner optimis-
tisch besmuikt! haak in zijn kruisgejank
je doorbeugeld gebits stekende
ankers en het rad-van-het-levens
getijden ik wacht wel op je eb
op de vloed etmaal na etmaal dat
je vermaalt wat zijn Het hiet in de
taal der psychosplijters tot splinters
‘niet geheel kannibaal deels kanni-
baal zijn van je edelste deel o
mijn vrijand’ | ‘ik bloed uit elke po-
rie die öm zuigend gepijp in mijn
eikelspons opent, elke barst die
geknaag in mijn spelonklichaam slaat,
spat met scharlakenrode stippen
geplette-lieveheersbeestjesverf
je gelaat met mijn bloeds sneeuwbui pok-
dalig, met mijn kwispel gedoopt in
dit bad gelukzalig’ breng het Fräu-
lein, de sloor binnen, de meid van de
Kommandantur die op haar knieën
de handen van haar trommel-pupil
pampers tampon en menstruatie-
bloed wondverband wil omdoen dat nooit
de zoon van von Beethoven die twee
hun bederf opruimen moest wegens
unbewusst maar zijzelf dweilt mit den
Flügeln van haar wipneus hun rot op |
kijk hoe hun ringen in hun linker-
oor rinkelen en geen Prince Alberts
sieren met handboeiengekletter
de franje van hun beider karwats
bij ochtend-schermutseling Gespoeld
met wat chloor levert de martelvloer
ons herstelbaar metaal, Tertulli-
ane, voor de uitrusting op der
gladiatoren, des Reichs Kriegsindus-
trie en voor het military petro-
industrial complex van mijn cock-
ring, der ’s Ding toch maar doet standhouden
maar de oplossing moét dringend ge-
vonden en de toonladder op wat
voor u goden slechts spel: roep ons, sub-
liems, dat op qânûn het kwartet de
veertien gezangen van de Heili-
ger Dankgesang Oswiecim het graf
leeg is gevonden en geen as meer
te rapen in de mensenbot-mo-
lens Crucify Bush is niet ma‘jûz
slechts Dajjâl’s drakenbloed: weerwraak op
zijn intentie al-Lâh’s Logos te
doden op het zondige kruis: de
krengen per serie aan de leven-
de krengen weer tot leven gewekt |
‘laat door de doden zich de doden
begraven laten’ sprak het begin,
al Qaul-u des Heren, want wie rijdt
naar het kruis plet tussen harnas en
zijn gedweeëre vlees rijdier ver-
drongen wat als kruis dat op hém rijdt
wordt getorst door zijn rug; gesel, be-
rouw, hem dan der onsublimeerba-
re zonde, het woord der immanen-
tie | de speer prikt of elektrisch op
de stoel het serpentengif van Fos-
foros Gods Sabaoth-aanvoerder |
in de doodstraf gelooft hij die ze
sterft, en met die straf wordt gedood wie
ze gelooft als zij zegt “Ik ben die
sterf en ieder ik aan mijn straf mee
doe sterven” O Tod wo ist Dein Sta-
chel! o Spel, roep incarnaat tot uw
even van alles-om-het-eeuwi-
ge-even; aan uw lach even deel,
goden, te hebben al begrijpen
we zó wat in u droef is en huilt
fluister ik ‘âmiru-‘l-mu‘minîn
in Falluja Kom, die de juffrouw
opzij observeerde naakt in Su-
sanna’s Amerikaanse cloa-
ca, de punthoed gaat af; geslachtsca-
kra’s bloed-oranje besmeurt niet je
sublimaat meer, door God verkoren;
frigide knijpt zij de meeldraden
der bloedwitte lelie uit en aan
krieuwelende appendices stuift
spartelend doodshoofdvlinder- na mot-
membraan op in kinderhand-vingers |
als het lint dat je kloten-paar aan
het kloten-paar van die kloot bond die
in zijn stront zich daar wentelt daar waar
zijn kop in onderste bovenkop
geplant staat als liep de stront uit zijn
neusgaten als gemouthfuckte snot,
braaksel uit mond, als je nou dat doek
naar je toetrok krachtig Arabisch
pront met je ballen aan je bevlag-
gestokt zadel, wie van ons beiden
verkiest dan the Lord en wie aan het
kortste eind van Latino of ’hood
te lang zich heeft af-, de ballen er
aftrekt er wordt getrokken naar af –
‘Lief met naranja der onbedwing-
bare lust het kroeshaar-vol-lintjes,
snok de castratie van het doorbloe-
de kameel- en schimmelfoktuig in
ons samen met laatste, geilste ge-
not’ “en van de doodbloédende kind-
jes de toekomst gewroken, ogen
scharlaken bloedbrilomrand van je
het gecentrifugeerde zaad uit
je mustang-teelstang gebroken, lief,
met geluk van ons samen.” Amen.
Âmîn. Ay-men. “Die met vaarzen-o-
gen me aankijkt, denk niet dat ik door
je blik van wreedheid word afgeschrikt
De olifant doopt zijn slurf in de
aarde, maar met het staal dat hem stroopt
schil ik tot tongen der schorseneer
en in zeven zwevende zuil: zijn
greep uit de hemel Hoe je ook niest
en je neusbrug ophaalt en blusem-
mers snot op het schrikdraad stort dat je
Kingkongding Archaeornis onthaart,”
‘Chirurgisch precies beschaaft me het
lemmer der verticaal en geen lijm
loopt als weleer uit mijn sinusi-
tis-verstopte neus om wat God zijn
vlijm heeft gescheiden weer als clown Joost
zijn radijs en eeuwige grijns te
verbinden. Ik druk de inkt van mijn
varkensschijf op de munt om je nek
en ik ijk je met bloed, o beul van
mijn keuze Schuif die obool nogmaals
tussen neusvlees en wangen Hostie
als zeis Pateen als versterver van
Ieder verlangen die uit het ga-
pende gat van aangezichts kutvlees,
uitbener, het laatste knor dat het
stutte nog hebt gekerfd en gefreesd’
“het gedicht dat ik leerde vriend op
de grote trom te slaan boven me
de met bier van bananen gul o-
vergoten boomstam te dragen als
de olifantsslurf erect van het
uitgespogen verzamelde vers
sperma der manbaren van het dorp
het gedicht, het sperma-ververste
verversende sperma dicht is het
enige nu geen potlood papier
dekt als het ochtendzaad het panda-
nusboom-blad weleer | de savanne
door de Sahara in van de hut
die ons graf werd weg en nomade |
onthoud ik wat jij onthield en ont-
houd je wat ik onthield wier onthou-
ding vergetelheid spelt gezel op
de muur Morgana waar waarschuwing
door ’t Upharsin der ufo-djinns wordt
gewist door zandduivels Fata-tor-
nado | het enige nu geen eik-
kurk de zwerm zabûb meer belet van
de plee zich al vretend toegang te
banen naar elks door bloed haast verstop-
te en wee niet met logo-volle
maar dia-rree lege klapbuikvlies”
‘je verwonderde blik die scheel kijkt
met schotel-ogen naar schotels wordt
gepierced met Saturnus’ schotel die
ik draag onder je neus aan mijn nek;
zit je gebukt met je tot een boks-
vuist gebalde kont op de kakstoel
der latrine wat wil je pront met
je kaken knel in de bril dan dat
guillotine-gewijs de eier-
onthoofder hamschijf na hamschijf van
je onderlijf zaagt het valt in de
cloaca waar geen hond erom vraagt’
[Flits ze verbijstering van ons Sa-
baoth-Heer, raket van ons kruis en
schok in hun jongenskutjes waar Lu-
cifer aan voor uitstrijk na uitstrijk
gestreken het grotje mooi voor je
paal uitlicht, als in Plato’s verhaal]
‘Lik met je vinger in urine
gedoopt de overtollige klei
nat van mijn schedel en het zwartle-
ren kaakbeschermersdeel van de helm,
de bakkebaard-hertshoornvaren tong
van mijn huid batik en spaar als de
onderliggende uit : toon wie ik’
“plant in me de withete veertjes
die de kaketoe spreidt: kam op mijn
schedelnaad als sterren-antenne
en lik van je duim wat was verlo-
ren in was: honing uit weekgekne-
de raten die bessenmoes van hulst
heeft gerood” ‘maat red ons maat van de
tamboerijnslagers red! trommel-ka-
dans red ons der trommelaars, red ons!
haar geheugen terug vindt het ver-
splinterde Egypte in ons die
door trommelvlies doof zijn en verge-
ten; het bier vloeit en de knokkels met
beugels gepantserd voor de dans van
elks hooggewelfde voet met het lint,
jeukt ons begeerte naar de kunst en
trekt voorvocht uit het boordwarm orgaan
in de oven; het web spint zich tot
matrix der vectoren der verzen,
der strofen, der dichters en de vec-
tor van ons, voordragers-volk over-
leverings kunstenaars die niets dan
de kunst te overleven nog draagt’
[Edele kunst der deconstructie
het ietse pietsje ahayues-
ca meng in het vaatwater ontbijt
van de joods haarvaataar harige
die rachitisch Khazaars niét zijn hu-
zarenstuk meer opvoeren zal si-
nusitisch in gulden evenre-
digheid snot-spinsels te weven maar
van de ladder van lijm stort hem zijn
draaierige kop die zijn poten
op de treden verstapt Kraak maar hun
ruggen! acrobatisch soms dacht je
de dierenriem-Pisces achterna
in een lus, flikkers te negenen-
zestigen, dronken van je lekken-
de klieren, nou je lesje geleerd
wacht je nog liederlijkers stinkers
van sjankers dan gejink en gejank:
aan het rad van elkaar klinkt je de
volkslijm van het zeilmakersgaren
de klinknagelschaar in je priva-
tim gebaar; druk die gedegene-
reerde, die negerkop zijn rozi-
ge schandknaap rood verhemelte diep
neer naar zijn buikoksel die gladde
Damascusrozig blote zijn lul
omhoog naar dat pruimenmondjes bak-
huis en rijg elk zijn lawijt van een
monstruosa van twaalf lippen of
meer vermenigvuldigde kutmond
vast aan zijn eigen en de ander
zijn aanfluiting, zijn lodderfluit, vod
elk zijn nog nooit onder de pompzweng-
el afgerukte kleverig pin-
kel ding met je krijgerslaarzen schoen-
makersnaald vast, met die rijgpriem die
de verminkten van Gods oorlog een
kunstlidmaat aan haakt of aan breit of
aan borduurt, aan dat wuft pruilende
negerlippen wulpse gezwel van
een parel-pistache vol verrot-
geurend voer vast, tot wat anders dan
die New Age-symbool-krul vast, tot de
acht van de Narzistische nacht: het
oneindig nooit ophoudende vuur
van wat wíj zéggen dat geldt als hun
hel: daarin wil ik de verbroeder-
de drollen van hun nul aan hun nul
traag zien verdrogen en tot nihil
vervallen in dit holst van ons hol]
[Daarom melancholisch valt het zwart
van de gal dubbel als tranenpaar
uit mijn blik die de klauw krast van de
panter van de nacht in mijn wangen
Niets dan het wachten op de dood die
zal komen als het juichend atoom
vuur van de rode casuaris-
kam dooft en van mijn hoofdtooi-aigret-
te’ “Kijk naar het kraaienpootgeglim-
lach dat zwart olijk als zevenster
in mijn mondhoek geplant vloekt met het
wit der futuristische zebra
Als te vuur en te zwaard kruisridders
Zion van de jodim bevrijd ras-
tafari Rimbaud op zijn eenpo-
tige boot vaart van Harrar naar de
mulenge vol konkelende hor-
ror the Herr horror der vacua
tussen kinderbot raapt samen het
opperhoofd en knutselt zijn dochter
voor de vorm in elkaar, knipt niet de
foto van de lachende sabra
die entomologisch in het al-
bum geprikt prikkeldraad uit waar de
zelfdoder Kaïns generatie
de schuld van geeft en zelf ongedeerd
zondigt en rondspat als de fruitvlieg
der onschuld waar de Kapo naar mept?
Bondage-satijn voor de chocola-
debruin blanke bitte! hoe fresco-
vlak strijkt het verhaal het neuskeutel-
bolrond niet, het Platonisch ballon-
netjesbuikje tot tekst niet uit in
zijn blaasje? Spreek als het negertje
tot zijn blaffende baasje Hausse
der laagste bas-reliëf-baisse geeft
de aller-de-Allah-Hoogste die
kakelt in zijn spektakelstuk bont
Dit zegt de clown onder de gekloon-
de martiri bomberjack-skinhead-
shuhadâ op de markt der rubber-
band-“Burn TV!”-party-barbecues
Maar we zetten de witte negers
het vreemde fruit dat met wasknijpers
Aburbia’s draadloos netwerk ont-
sierde waar ze hun ras mee verried
-raderlijk -rassend mee ons verdriet
aan de wasdraad hingen als priet be-
taald aan de praatpaal en aan de kaak
van de kiek gekielhaald als kemphaan
of kip in hun nakie kaalgeplukt
hielspoor weg en hun varkenskeel dicht
geknepen gekeeld en leeg aan de
vleeshaak loopt hier de mens in zijn pens:
arbeid der mamma’s van in wier ho-
nor we serve hun pappa’s maakt vrij van
vrijdom van dom vrij, en op de ta-
fel van blik op wieltjes door narren
vooruitgeduwd, twee van Baäl za-
bûb zijn insecticide-besten-
dige zwermplaag gedwee ontvleugel-
de darren, rolt in zijn lyrische
Hare Krisjna-oranje Jan, zon-
der vrees, noch vlees, zonder mergel om
het gebeente, slechts merg in bot, en
slechts vel in plunje, slechts geest in zijn
naar de morgue gedaverd kreng, zijn
te eng kadaver, inert in de
etherische fles, hij is er ge-
weest bijna, en god hebbe zijn gas
Grijns maar Picasso want dat geklad
op je smoel, ik leer het mijn kind af.
Enkel het oergevoel laat ik toe
en geen kakstoel-zandbak geprak in
de drollen ‘Gij badt op énen, gij
badt op enen, gij badt op een berg,
alleen’ Geef je voetjes HIER geef je
voetjes hier die al mooi op elkaar
rechter op linker, en met de hand
naar de schouder volg je ‘en ik o
Jesu’ de orde waarin de na-
gel gedreven, had je zo niet he
dat had je zo niet gedacht, dat de
handlangers van de macht met het bij-
belpapier waar je psalm na Psalm op
gedrukt staan vegen hun aars zouden
met de dundruk van soera soera
na soera af zouden vegen en
vegen het dunne dat uit je aars
komt gedrukt wat zeg ik gestraald uit
je geurige Wunde fraai op je
smoelwerk mag het geveegd en geverfd
en geschilderd je freche Fratze
tot kunstwerk trots door het Lager ge-
paradeerd aan het schijtend staarteind
der paarden rond aan de uitlaat van
de humvee gebonden, ren maar die
voetjes af op het slijpende zand
schandknaap zolang ze je kunnen dra-
gen het kruis des Heren alibi
habîbi ‘en ik en vind er o
Jesu’ je Indiaanse gelaat
houd het maar schuin waarin je met vilt-
stift de wrede littekens na die
glasscherf na glasscherf erin gekor-
ven had kerft zo hard tot het kerven
de scherven verslijt je kerft maar en
werpt ze tot op de foelie verkor-
ven van ’t spiegeltje spiegel weg aan
de wand Die zwei! jullie tweeën van
wie de voeten doornageld af op
het Pflaster rauw als je nagels ge-
beten geraspt van waar ze te sier-
lijke enkels zinken of klimmen
zo graag naar je doel gerend, naar de
vrijheid had je maar hier gaat de rat
gaat de muskusrat twee voor elk van
je één de buis in de kachelpijp
van het stoof-labirint cilinder-
buis-netwerk pijpleidings doolhof aan
je navels gezet kanonsmond-ge-
wijs tot door hun conserveblik licht
navel met navel door het metaal
zijn verbonden Wil dan maar Wil dan
zoals ik maar de rat weg, wil maar
het willen zelf van de willer die
met de ragebol fijn die pijp stopt
en kruit en rattenkruid op in het
naar elk van je navels diame-
traal in elkaars verlengde staand stuk
tweeloop zo fraai had je niet je dil-
do-aan-dildo koppel benut als
ik er het muskusrattenpaar-bus-
kruit in stop en steek aan hun stuiten
de lont tot hun vlucht voor VUUR! voor de
wilskracht van de bevelhebber VUUR!
VUUR voor het vuur van zijn soldaten
als ratten in de val voor het VUUR
VUUR van de salvi van de kruisvaar-
ders kruisers in het kruisvuur gevan-
gen kruisverhoor kruisraketten krui-
sig hem VUUR kruisig hem kruisig hem
door je navels heen jaagt nagels der
rattenklauwen loodhagel jaagt door
je als molsvel zo zacht buikvel, het
eindpunt van de fuikwerking, fœti
ontplof voor hun tandjes in je in-
gewand TOV naait aan elkander je
versnipperde darmen hun piran-
ha-gemaal quilts voor de armen; wat
je niet wilt het wordt taal kunst die je
buiksprak als het ware verhaal ‘maar
ik en vind er o jee- (zu- -cht) er
geen’ ‘met de vernietigde pink van
mijn linkerhand schrijf ik op de on-
derste spier links van je borstwasbord
lief’ ‘met de afgerukte duim van
mijn rechterhandstomp teken ik, bruin
lief van me bloedschrift op de onder-
ste spiervlecht van je buikwasbord rechts’
‘op de tweede der vijf spierheuvel-
knopen • van schaamhaar naar tepel-
paar rechts van je schrijf ik met mijn ring-
vinger-schim liefs aan mijn linker’ ‘ik
pis met mijn spookwijsvinger bloed op
de rechtermidden-reep van de plak
melkchocola lief die mijn lust zo
graag kookte tot je smeerpasta spoot’
‘ik doezel met middenvingers niets
op je niets lief van de vierde en
van de vijfde der tien treden der
ladder die mijn ballen beklommen
de boodschap der liefde weg voor vreem-
den voortaan nooit meer te lezen dat
niet de stomp van de pink lief van mijn
rechterhand ik bloed op je linker-
boven borstwasbord spier klad Abys-
matio en klad Abysmati-
o” Zwanger van zwellend in je buik
de augurk-koker verdwaald van het
pad af gehamerd door de inktvis-
krioeling van je draagbaar riool
Fraai die torpedo als het teken
der wilskracht in je hara sola-
ris de weg wijst naar borst borst van de
zwarte met Kretenzische rechthoek
gekrijt om de mond en naar de zwar-
te zijn borst borst wie de jachtluipaard-
-voelhorens opsprieten aan weerszij
der bovenlip ‘(Is) Voor mij soms bedoeld,
zoogbroer, de bloeddoorlopen blik die
je werpt en is voor mij soms de blik
bedoeld die je bloeddoorlopen, twee-
lingbroer, werpt? mij die als handlanger
word van Âb-u Ghuraybs Henker ver-
trouwd omdat ik blank ben en sterkst ge-
spierd der Ignubili, rosharig
Jehuda die zijn broeders verraadt?
Help ze dat vel van ze, zo üppig
met stansvormpjes gebrandmerkt tot as
der sterren, zo leesbaar voor de leek
die ik ben tolzegel-rechthoekjes
op gestempeld van inkt, keurig te
pellen van hun spieren die donker-
violet zijn gekookt, lakschil die
loslaat van de mango der ene
borst, mango der andere borst, man-
go der borst mango der borsttepels
als gestempelde kus, ingebrand
slavenmerk en broedervlek broeder-
vlek broedervlek broedervlek bewa-
kers van ’t paar harten gespaard in de
kassen, hij helpt jullie de nagels
te strekken met chirurgisch lancet
uitgerust elk als met de klauw van
de manenleeuw, Tenochtitlans vuur-
steen. Sla op syncopen van de mo-
torcade-mars swingende jazz jullie
zo van liefde vervuld borstenpaar
open waar je gulste zijn hartstocht
(open-gebroken met je slagtand-
bot-bouten dat geraamte!, vooruit!
niets in de weg meer voor de greep naar
de schat in je baleinskelet-schrijn!)
assemblage pocht suizend in je kos-
mische ei uitkotst de aura, de
holografische mist uitgulpt ge-
laden met elektromagneti-
sche begeerte nu één borstwang de
lust van je stiletto mocht klieven
de tweede uit liefde naar je wa-
pen gekeerd derde en vierde als
de boezems der zwanen op de spie-
gels van ijs Help ze Huzarenkop
naar elkaar toe gegroeid één Sia-
mezenpaars verstrengelde wortels
uit hun hartboezem-klop | hartkamer-
hamer naar elkaar uit te slaan en
de vierkante inktmond van de lynx-
jongen geils sissend te klinken op
donkerblauw eikelvlees der dubbe-
le klaverbladvorm-lippen dat geils
blaast van de drager der mangoestsnor
Doormarmer hun paar dooiers, rood spoor
‘Karn er de slachtroom uit, uit de ein-
delijk niet meer vruchtbare borsten |
zo stoer je de pantsers droeg op je
platgedrukte, met Alzheimers ei-
witplaat-exoskelet beslagen,
in Gotts gevangenis-management
de beslagen cipier der mixers
ontschroef(t) chirurgisch precies van de
proboscis der teek de draairichting
kiezend | heeft zij naar rechts zich of is
linksaf haar schroefdraad in jullie sap-
pige vlees geboord is de vraag | maar
vingervaardig ontschroeft de mixer-
-cipier uit elk van je borstenpaar
de potsierlijke tepel, spon op
de bron, ja drinkt van elkaar dan in
je yoga de bloedwei slurpende
borstmondingen als oogholten dood’
roep ik en ‘Grijp maar het karozu-
tha belijdend eerste het beste
christenjong volgeling van Hassan
en Hoessein en spijker de vier op
hun kruisteken tukke kinderlijk
molenwiekende armen en be-
nen vast als een vlinder | ach nog veel
hachelijker dan vliegende hond
vangen met dorsvlegels is de chris-
tenhond christian bat met de baseball
bat aan het kruis te slaan dat je niet
meer beweegt, verstilde natuur, waar
geen clusterbom-sjirk meer springt uit je
handen maar je de vleermuizen-zwerm,
vogelschrik met gepiep verdrijft en
verdroogt het nachtelijk spoken en
‘ankabût Sebastiaan de stofzui-
ger-zak in suist van de schikgodin
‘ach ik heb voor je bil geen as meer,
maar smeer er drek uit mijn aars op, voor
je gespaard in de pot’ “ik zalf je
met bitter zaad uit mijn etteren-
de piel want de room is op” ‘in de
kelk die aan me voorbijga o God
giet ik mijn ziel die ik in je han-
den beveel, mijn lief, drink hem op, niet
veel, drink hem leeg drink er mijn uri-
nes verschaalde geel uit, de pis die
nog is’ “ach ik heb geen glas meer maar
rochel op je mijn longterings spu-
tum-glans op je kanis kaal, van je
weggeschrompelde penis de glans
rood ik met lippenstift van mijn bloed-
keutel-klei” ‘en wei die ik tap maakt
kartelrand roestrood van een conser-
veblik-laatmes vlak op de ader’
“je gif, je ondrinkbaar sperma gan-
greengrijs de door geen smetvrees meer scho-
ne granaatscherf” ‘mijn lijf wordt inkt, dat
ik sterf én schrijf’ “met de verf die ik
aan mijn wervende wijven-pink heb
bederf en stink ik en blijf” hoe voor-
zichtig je vrouwelijkheid als aard-
appelzak gestouwd hebt je beurs met
twee knollen, coquette punk op de
tandartsstoel waar de rijglaarzen dreu-
nen, je tronie vermooit je romp die
als drol gekwakt op het voetstuk troont |
nu een neger nog, stoer en aan je
gewaagd, een Didymus-flurk uit een
tweedooierig ei, hoe neig het ef-
fect als zijn animistische steng
bonst op je klokjurk je gedrapeer-
de calzone-flappen van koemaag
we spelen het spel vandaag van de
wieg en wat ik met vingers en touw
wereldwijd netwerk zoal arach-
ne-o-ïdisch weef voor figuur; hoe
heuglijk van kinderjaren gere-
incarneerd in kunst als het opper-
spel | druk met je knieën Jakob zijn
kwalleballende labia o-
pen en nader zijn kut, je slaghoed
verwijderd Aaa! is het woord met van
bij hun schoenmakers-leest braaf blijven-
de schoeiers listig geschooide ge-
bedelde els zullen we je tong
niet (wat dacht je) opwaarts gekruld met
de spits die ik afbijt (waterli-
beljuffervleugels trillend zo snel
over plasgat en toom) vergeet het,
voorbij! verhemelte opnaaien
de amrita-fontein tot afstop-
pend spon, en ook niet je lip senti-
menteel aan de tweede lip als ge-
tuigenis, dat je mening niet vrij
‘vrij!’ och geuit kan worden ochar-
me je scherpe Satansserpenten-
tong • niet, zeg dat liever, uit mag
gestoken, uít zal gestóken, naar
de marbâ‘-ot-taqlîd! we rennen
de trap van Qoms minaret der ka-
thedraalmoskee op mu‘addhin! mo-
‘ezzin! en het ajourmarmer hop!
borstwering over in deze mil-
dere droom, maar ik ben anâ ul-
Haqq zijn ahaddiya solipsis-
tisch solistisch dit is de dagmer-
rie werkelijk! Hoeven pijnen ver-
doofd als door oorverdovende pijn
oren (voor hemelse muziek zo
gevoelig als van Beethoven Bach)
amper verdoofd de atonale-
re kreten van het onvolkse soort
niet hoeven te horen doordat kwel-
ling de bron zelf van de kwelling met
vingervaardige snit naad en bor-
duurwerk uit je gapende strotte-
hoofden wegneemt: de stem? kus met je
wondranden maar zwarte, die wulpse,
de even ontuchtige prolap-
sen van ’t blank wondweefsel-stembanden
ontbinden wij bindend van hun vle-
zige stam, pulken hun slakkenpees
van hun kraakbenen huis haast weten-
schappelijk precies want chirurgisch
en de andere twee hier! pâsdâ-
rân der neoconservatieve
omwenteling! breng naar jezuï-
tisch model ’t zwarte kabotseken
krink’lende wink’lende o singen-
des klingendes yallâh lieber Bär
waterding esm-e man âchond-e
Sturm-Schänze met het zwarte kabot-
seken aan naar ’t schavot hamdjensbâz-
hâ en in het prikkeldraad homos
geroosterd | maar edeler, als straf
voor de spraak: eeuwig genot van de
stilte waar zwijgen als de kern der
poëtische ervaring de norm
uitmaakt, de regel van de vorm in
dit klooster je verzegeling! worm
aan worm van je basgeluid tot ij-
le discant snaartje aan snaartje van
jullie bariton alt contrate-
nor en tot je jongenssopraan toe
falsetto o doedoekzang voor eeu-
wig Fauré râga tasnîf en niet,
of althans just not yet kipkap der
zwaarden blotevoeten-rekruten
van de infanterie-ineffi-
ciënten, en de schedels gespleten
in zwarte en blanke geogra-
fische Nord Süd onderscheiden par-
tijen als kreeftenschalen opge-
dist prakbaar voor de pakgrage vork
wacht maar, die keel daar die je blootlegt
met opgezwollen goître en aan-
biedt als hamel voor ’t mes, belhamel
vers uit het Revier nummer zes, o
dat koppie zo üppig en adrett
en geneigd alles te nemen van
hem die je neemt, maar met je moeilijk
tot opstand te bewegen een el
armlange bengelende slangen-
mens schlong niet, want die is van geen tel:
je open gelegde: waar de ve-
zels als hooi welig uit opschieten
als het pezengelil grijpt naar het
pezengekrioel op je zaagvlak
paardenpoot paardenpoot van ’t slachthuis
daar oefent wie voor hoefsmid leert tink
tink van de hamerslag op ’t ijzer
op nagel in de nagel en band
aan band smeed ik bloedend filigraan
van je taal slachtoffers, levend ex-
periment, tot kwartet Luthers vier-
stemmig van de târ de tombak, de
kamantsje de setâr rood als het
tapas-vuur topazo koraal op
het diepRode-Zeeland zabardjad
Zebarget eiland smaragdion
met wie open en dicht bloedt voor de
tracheotomie onder ede
en heden met mij in ’t paradijs
in de kist partie carrée met de
kelen gebusseld als vier kuise
Suzanna’s met hun lelieboeket,
lach maar poëtisch met de dichter,
blanketsel van de clown • of grof
met houtskool of uitgespaard wat toch
al zwart grijnst Untermensch-kaken want
met makaken gekruist, ernstig zo-
niet met Buonarotti’s tracé als
Atlas je last torsend, de blik op
oneindig | voor nog vier energie
heeft hier de vierschaar van Zurvâns ge-
neraalinquisiteuren te o-
ver Kronos zijn ballen met de hoogst-
eigen zeis snijdt niet tot ringen die
voor zijn zoon doorgaat Zeus Zelf met de
sikkels van de maan tot één cirkel
gesmeed vliegend trepaan zie je de
schaar van de Yin-Yang-komma-vlammen
gesmeerd op je voorhoofden je geest
wordt bevrijd doelwit voor boogschutters
gevangen Khazaren wordt je paar
van je paar niet, maar dat andere
van de schraajnwaarkeraaj even ge-
leend instrumentarium puntdui-
men om ’t gat in je vier koppige
schedelbot bewustzijnsverruimend
te boren is nuttig dat op de-
ze manier flink bij elkaar in het
open gespalkte (en dat is pas
het mooie) jullie vlak in het oog
kijken kunt eeuwig in het derde
van Sjîva elkaar aanstaart. De scha–!
Crux Nostratica VIII: Karmel
Karmel
KARMEL
Koop pompelmoezen aan de voet van
de Karmel, want als voedsel volstaat
fruit voor de pelgrim die de rots wil
beklimmen. In dit heilige land
bij vruchten-verkopers in Ara-
bische shtetls. Lederen schillen die
bij een druk van de duim wijken voor
bitterzoet, als voorverpakt vruchtvlees
en de dorstige mond zet zijn paar
lippen aan een tros van plantaardi-
ge lippen die opwelt uit de bol-
ster. …hoe meer maantjes er opgege-
ten worden, hoe bodemlozer ie-
dere vrucht blijkt en hoe verder van
je de heuveltop ligt, wijkt als een
luchtspiegeling, nooit te bereiken,
hoe begeriger dorst-honger de
maag in je doorboort als bij Dana-
ë, slibbiger vlees wordt en hoe sprok-
ker skelet, bleker het haar van de
blanke, hoe sneller zich nog sneller
dan dát vermenigvuldigend fruit
weggeschrokt, restloos wordt verorberd,
hoe minder deze stilling verlang-
en tenietdoet maar juist lafenis
zélf van de begeerte vernietigt
en afschaft, van leniging der pij-
nen geneest, heelt wat je littekent…
Afdalend, Benjamin, je vijgen
verzwelgen in je Griekenland! Wij
lucht waarin fijngemalen stekels
van cactusvruchten zweven als spray.
De wolkstof in kubusvorm, elk hoek-
punt een leeg slakkehuis, ademen
deze longen tot gruis. Stoot op een
schoongevreten muilezel-achter-
lijf. Waren de leeuwen van Lubnân
je al voor? Komen niet vaker dan
de Tasmanische voor, hier even
zeldzaam als het spoorloze roofbui-
deldier daar. Als een maan, ja, als een
reddeloos tot hemelkei samen-
getrokken gesternte hier terecht
ben je, berg, kaal. Onverbergbare
schedelplek. Buil in het met etter
doorsijpelde ceton van een hoofd.
Goden op zonnestelsel-grootte
hanteerden hier een reuze-tondeu-
ze en schoren je bloot. Nooit heeft het
aan de metaforen ontbroken
om ready-made oorden onderweg
aan hun zin, brokken gefundenes
Fressen te helpen aan hun functie:
hoe meer er van natuurlijk beton
sprake is, pek dat het kerami-
sche magma aan zijn oppervlak stoot,
hoe vaker van knoken die door kle-
ren van vilt heenpuilen, -poken, hoe
onweerstaanbaarder dringt taal tot je
door die daarmee strokende dingen
aantreft, hoe werkelijker dagboek-
beschrijvingen ontstaan uit een soort
heuvel, hoe verder deze heuvel-
top afwijkt van het woord dat je treft
en spiegelt zoals van de Woestij-
ne Zoals bij zich te hebben van
de Woestijne’s zoals bij zich te
hebben in de rugzak zoals van
de woestijn een zoals bij zich te
hebben in de rugzak zoals een
woestijn in de zak te hebben bij
zich hoe meer wijkt deze heuvel voor
de obool van de munt kraakbeen die
prijkt op de verhevenste plek van
het hoofd als een ingeschoven hos-
tie en blijft strak op de discus ge-
richt als de hoofdkruin wordt ontbloot en
het bovenlijf en kijkt met dit oog
dicht en eruitziet uit dit kijken-
de oog alsof er één enkel oog
slechts toe wordt geleken dat dit één
enkel oog toe wordt geloken en
voor geen veelvoud aan blik oogt maar voor
één die het heeft zon-overgoten –
nooit heeft het jou aan metaforen
ontbroken – met geen passender woord
zon-overgoten heeft dan zon-o-
vergoten met geen woord op dit god-
vergetenste oord dan godverge-
ten gehoord nooit meer vergeten en
op dit oord nooit door god méér met een
woord dan godvergeten vergeten—
de woestijn in. Shaytán! Nodig, hier
weergekeerd, de vastende uit op
je feest. Een granaatappel met sier-
lijk gebaar bood hem een havelo-
ze Druzenknaap, schrijlings op een schijf-
cactus. Biedt! Waar op de plotseling
onherbergzame berg wonen zij?
Burcht, paradoksale al-borz, waar-
op hun tentenkamp stond. Laat hem voor-
bijgaan, voor toekomstige dorst, de-
ze kelk, deze melkweg op zijn borst-
veld, aan zich. Niet met hem mee zijn ver-
heerlijkt, verdwenen in zijn kruinscha-
duw, vaderlijke ceder, omarmd.
Nacht van de meester die het wezen
verloren legt, het kwijte verlost.
Borg hem als borg op, dat ooit geda-
ne belofte ingelost worde,
onlesbare dorst gelest, onver-
zadigbare begeerte geblust.
De gedaante des heren kies je,
bekoorder, toonde je eigendom-
men, waar arbeid en ijver heersen
zolang. Zo lang! De gedaante van
de boze verkoos je, heer, en de
geest stel je op de proef van de geest.
Dadelijk zul je het paradijs
mee betreden! Tinnen des tempels,
die vergaan zal. Voorbarig heilig:
gevaarlijkst wapen. Geen kans voor: pas
deze vrees is hovaardig. Wees maar
het stof, waartoe je terugkeert; en
keer telkens terug: je bént immers
stof. Behalve je appelgranaat,
argeloos toegestoken, je rech-
ter, je linker, welke te kiezen
kerel, gereikt, en aan juist welke
te delen in bewind, heerschappij!
Toen al zijn boodschapper?, terug-in-
carnerend van de eeuwigheid uit
in tijden dat hij de aarde be-
wandelde of de zee van het zeil
uit dat de Middellandse bevoer,
van het uitkijk-eiland …wenn schon nicht
arm ist an Männern dieses bescheid-
ne, an allernährender Sonne
und schön ja auch da der Genius
reift… Dit is de verzoening met vlees
van je lippen, tot bloedens toe, in
de vrucht verscholen, geboden. Met
je geopende flank vol voedza-
me raten. Handen tekort om zulk
proviand te vergaren. Soepe-
le vingers duiken als luchtwortels
in je ingewand. Zeg het: hij is
verrezen! Lichten er wafels uit,
met broze computer-kaarten er-
varen en met de snaren der harp
vlug, vingervaardig. De hygië-
ne der hand die heelt in de wonde.
Gaas bet de etter af of van dui-
men en pinken tongen de honing;
de roeden de vol-gesnoten con-
domen uit hun concaaf complement.
Hoe verder jij afligt, engel des
kwaads, met je vereenzelvigde god,
des te verbiddelijker je bood-
schap verdwaalden klinkt in de oren.
Werkwoord als schijnen, het onvervoeg-
bare zou zoëven nog, amper
vervoeg je nog lijken, ogen, er-
uitzien van het verblindende stem-
pel en zegel, of blijken blijkt als
het ware. Droom me je dromen voor,
Levantijnse druïde, geest van
de duindoorn, ergens in Elders ver-
blijf je, verstopt in een topolo-
gische lus der waarheid, en kijkt op
dit dwalen toe. Kom je? Nodigt de
werkelijkheid je uit nog eens vlees
te bewonen, al baart een slordig
bevruchte draagster je dood of al
penetreert je begeerte vlees van
mongools vergisten en klonen? Niet-
temin deze kroon van doornen? Ver-
warring in de materie, een stuk
twintigste, eenentwintigste bij-
na, althans voor ons, willekeuri-
ge volgorde. Wereld. Waar je maar
trek in hebt. Jullie heimwee naar ons,
hemelse zonen, kun je niet eeu-
wig verdringen. Aarding naar aarding.
Daar, op het bergpad, in een bazalt-
schilfer-wolk verschijnen, of daar in
de zwerver zijn handpalm steken als
stekel of in de zwerver zijn han-
den en voeten als wond verschijnen,
als ruime sleuf in zijn zijde, die
hij met aloë-edik dichten
moet. Rand hem aan, Elohim, met de
dolk der ontgoocheling. Deze spie-
gel kan nooit je liefde weerkaatsen.
Bewaarheid jezelf als pijn in een
lichaam, dat enkel pijn-aan-het-li-
chaam van jullie belichaamt. Wraak op
dit lichaam, lust aan dit lichaam en
een vertederd verplegen kust op
dit lichaam vers hematoom na he-
matoom dat het aanbracht. Levend te
branden in hun atomen. In hem!
Thermodynamica van het jui-
chend omzwermde lichaam dat doorsmelt
en in geisers van sperma opgaat,
spontane gulpen van zaad die de
centrifuge des geestes perst uit
de stof als bloed uit de spieren, en
in dromen van vrij bewustzijn dat
zich is, en overál. Van. Bewust.
Wijn uit het kentervat. Door het eelt
van je blote zolen gekneed, voor
hitte der keien waar je op stap-
te immuun geworden. Te worden.
Bewandeld als water. Platboomde
schuit op me. Van je platvoet de zool.
Hiel van je welvende, atleti-
sche voet en van je kajak de kiel.
Los! Je Kinnéret is dichtbij. Van
de top af is het zichtbaar. Waarom
berijd je het zaagblad der agaaf?
In de schaar zittend van open-ge-
sperde nijlkrokodil-kaken, die
Salomon bezorgde – ‘Men hakke
het in tweeën’ – verwek— – keel van de
reuze-hagedis die je vrucht draagt,
restant van je eerdere probeer-
sels – verwek broed dat bij honderden
ontstaat in het oeverzand, en één
enkel ei brengt het uiteindelijk
tot iets menselijks… Slaat dán je ver-
langen niet in wanhoop om? Munt uit
dit verzengd worden ik: uit in het
uitspansel gewichtloze vleugels
maar jij in je lichamen te plet-
ter, want neer. Komt er ooit meerwaarde
voort uit die ruilhandel, die niet meer
belegd wordt, maar als winst-dividend
uitgekeerd één wordt met de vennoot?
Een waarde die ontsnapt aan de eeu-
wige geldkringloop, taal uit geldig-
heid optillende taal en uit tol
die voor taal is betaald. Voor de ge-
vederde slang al te brutaal, de
pterodactyle met de kop als
een dorsvlegel in tweeën geknakt,
al te misprijzend voor de Quetzal-
coatlus met de wimpers van boom-
wol. Zijig als voelhorens van nacht-
vlinders sla jij ze naar mij op en
even zedig weer neer. Zei je niet:
zalig de onvruchtbaren, zalig
de lijven die niet hebben gebaard,
of je zei: zalig de borsten die
niet gezoogd hebben? Steeds schreef er je
flora topologische rijkdom
van de plant op het lijf. Schrijverken,
phasma! Dat haar wiskunde nú als
een tweede natuur in je terug-
keert en peurt merg uit de bladnerf die
blijft na het sterven van het bladmerg.
Volkomen rizomatische mens,
bed waar een heksenkring uit opschoot
van christelijke mythen. Gegrin-
nikt wordt later, maar ooit leefde de
weggewuifde vogel-verschrikker,
verhakkeld verhangen in het prik-
keldraad. Nooit maakt iets nog goed… Een ver-
toning van negenoog-furunkels,
een dagpauwoge-ogen-behang
vult deze holte met zijn floers; een
juweel dat is bezet met een tros
karbonkels, een sterrenhoop bij klaar-
lichte dag. Zalig de roeden die
niet verwekt hebben. Schrijf uitspraken
neer in dit ontvankelijk logboek:
zalig de zoglozen, de lippen
die niet hebben gezogen. Het vers
spreek tot de berg die niet beklommen
is: val! en tot de heuvel: bedek
ons! Tweeërlei melos de formu-
les. De burg Karmel!, de pekelzee.
Daarom Druzenknaap, kom, bliksem te
voorschijn uit je cactus, en slinger
je granaat naar ons blank niets dat toe-
ristisch het Semitische taalge-
bied aandeed. Ontplof met ons! Ik ben
die ik ben. Brandende braamstruik waar-
uit zijn stem komt. De taal luttele
voornaamwoorden, spraakklank na spraakklank.
Omschouder me. Welke filoso-
fische club stuurt je, bevrijder? Geen
vader, verwijder deze kelk op
de lippen die nooit dronken. Zo snel
ga je in hitte op, meteen met
de oorsprong der sekonde vertrouwd
als geen, dat ontelbaren de tun-
nel van tijd uit willen, drummen om
in het heetst van de strijd kiemcel te
worden in de proefbuis. Doorseks dit
oord met je offer. Het gesterf van
je zaadloze, besneden geslacht
nodigt ze uit in elke kuch der
bevruchtbare eunuchen. Ik ruik,
Fenicië, braadjus, waar de pen
in gedoopt hartig mee schrijven kan.
Die niet weet wat hij schrijft. Vader, ver-
geef me die niet weet wat ik doe. Wat
niet bewust is, het woord onderbe-
wuste, onvergeeflijk. Maar wél door
het boven-bewuste, dat wij der-
ven. Door jou, super-geleidende
biljarter met deeltjes naar de zwaar-
tekracht-bron. Mateloos dichter bij
het begin van het woord. Leer me dat.
Mee, kamikazé, met het falen-
de, vergeeflijke ik. Niets wat aan-
wijsbaar is of aanwijst draagt schuld. Maar
wel vrucht als de appel in het kui-
se prieel. Roedeloos, redeloos;
schedeloos, schuldeloos. Vandaag nog,
vandaag nog tatoeëerde de pijl
inslaand en zinkend in de tepel-
en druppelvormen, heer, van je vlees,
leesbaar voor tongen op het grofkor-
relig laken. Zul je met mij zijn,
vandaag nog, vandaag nog? Duistere
lokking der vegetale begeer-
te, als slang in de boom der kennis
te huizen. Pijlen ontspruiten je
op de borst, Sebastiaan, als aardap-
pel-scheuten. Peilende speer die uit
je schede een stroom van plasma put.
Zegen de fotograaf, de soldaat,
quasar! Het prikkeldraad dat deskun-
dige kwellers stekel na stekel
in het gapende aarsgat voeren,
hun zaagblad vet van je pezerik.
Om de worm die de appel uitvreet,
de klokhuis-delvende appelboor.
Vergeef het ze vader. Angstzweet in
ondergoed spoort tot grotere vlijt,
plenging van bloedwei hun exege-
tische neuzen aan tot nog weerga-
lozer prestaties. Een imita-
tio, heer, Shaytán, om het even
dewelke, maar iets nabootsbaars dat
meesleept. Als je de schepper bent, sla
de beker vergift dan af, waarom
spuug je deze ondrinkbare dronk
edik niet uit, en wanneer sommeer
je een heerschaar luchtlandingstroepen?
Heden met mij in het paradijs.
Gij zult God zijn. Moebius-ethos
dat meesleept van goed naar kwaad en te-
rug. Enkel de antropische troost
blijft ons over: wiskundig even-
wicht treft het afdoend verklaarbare.
Op het nippertje, net! Er was eer-
der niéts. Om dit, om dit naadloze,
dit uit één stuk geweven over-
kleed. Zelfs de zoom van het zweetdoek niet
dat je lichaam bedekt heeft, waag ik
te kussen. Zalf ons! In olie van
olijven gedrenkt satijn is je
huid; is het op de schoonheid dat ík
slaafs moet de schaaf zetten en er vlies-
je na vliesje afvillen, slaafs de
rasp op de japen in je gemar-
telde vlees, en slaafs met een vijl je
geschonken, bewerkte lichaam ver-
effenen? Die niet weet wat ik doe.
De gijzelaars-kelder-wanden waar
schaduwen het verhaal der tortuur
duister op konddoen, die de geluk-
kigen buiten even vernemen.
Verder dan schimmenspel moet je kij-
ken: een vindbaar voorwerp van kijken
bevindt zich daar: iets dat pijn heeft, be-
gint te fluoresceren van pijn!
Op de beeldplaat, aantrefbaar. Richt er
een fijne optische vezel voor
endoscopisch gebruik naar, tast in-
frarood-gevoelig naar leven en
schiet! Door de opengeslagen kel-
derval stroomt de aflossing. Öm is
het, Ö is het. Nu of nooit, van de
werkelijkheid vervreemde fanto-
men, betast, en wordt tastbaar! Klok van
bamboe dat groeit door het stervende:
de organische tijd, die niét in
discrete stukjes uiteenvalt. Als
de spanning der huid plots wijkt aan de
oppervlakte voor druk van de steel
boort iets plantaardigs zich in de maag
of het hart. Zoom in op het einde.
Een gouden serpent verschijnt in de
vouwen van je djellába en deelt
appels van goud uit aan het publiek.
Hesperide, af van je hieuw de
spa van de engel de demiurg
ten gerieve aanstoot: je tongspleet,
je taal. In het zweet des aanschijns te
zwoegen had helemaal niet gehoefd
dus. Een druk op de knop, een klop op
de nagel. Scheurende voorhang van
het te heilige. Zwaard der wrake.
De voorhuid valt op de tempelvloer.
Niemand verdraagt niet dat wordt verlost
wat bestond, bestond… Het verlangen
volstaat om terug te keren, maar
niemand om het te smoren. Bevrijdt
juist het gnostisch dilemma lijdend
te leven, lijdend te sterven van
dit dilemma, of knecht het? Maagden
of moeders meldt het programma om
je kop te verpletten. Elektri-
seermachines bedienen de ma’s,
pa’s de ommoffelde goedendags.
Ieder uur vertrekt er een bombus.
Stap je in of verzuim je…? Allen
–gods gekken– rekken de overgang.
Je verwikkeling neigt tot duur. De
bedoeling lijkt het wel werkelijk-
heid gaande te houden, tred met de
opzettende dementie een uur
troost in de wetenschap, in haar ap-
proximatie. Kaf te vergaren,
stof uit het kleed en als bewijskrach-
tig symptoom verblinding door splinters
of balken veeleer, in netvlies dat
zag hoe je je ontlastte en zeek.
Vlijtig naar vochtsporen gezocht is
er, bloed dat je verscheiden, verkorst
zaad dat genot dat je beleefd hebt
bewijzen kon. Per lopende me-
ter, worp van een dobbelsteen, bij op-
bod, voor grof geld bij de uitdragers
in de weezoete sjoeks, veil als ti-
lism in relikwie-shops, verkocht! Wat
je gesproken hebt: ‘ism: shot van de
ene hypodermische boodschap,
textuur in de schriften die verschij-
nen. Het boek. Vertewee-graffiti:
het letterwoord ichthus, een gepijp-
te priaap. Mehdi, verbeiden je
in het springtuig die tijd wentelbaar
weten om de as van het heden:
de gezellen, –het wit gat van de
offeroven sluisden ze uit en
vuurzee na vuurzee de ecclesi-
a binnen–, hun vermetelste plan,
vrijende, zegen met beschermheer-
schap, vijand, deze deeltjesversnel-
ler die stukjes atoom sneller dan
ooit in de historie der deeltjes-
versnellers versnellen zal met mij-
len magneet, mijlen magnetische
velden die dolgedraaide deeltjes
beklemmen in hun vijs, een miljoen
tekens krankzinnig in hun dwangbuis
versnellen naar het punt waar hoe méér
versnelling zij krijgen een elek-
trozwak veld scheidbare samenvoegt
met onscheidbare —rust, geest, in je
cederwoud, je park na de kaalslag
der axia— elektrocute-
rende kracht, schielijke leptons door
het verzenuwde stuk kikkerbil
jagend plots met iels dat de schildklier
overkomt als elk vrij ion wordt
afgebroken één blijkt, hoe eerder
het super-symmetrische in zicht
komt, hoe meer kennis omtrent de na-
tuur van de zwaarte er vergaard wordt,
die iéts is en niet niets in het licht
waar is het evenwicht verbroken.
waarom hield het ooit op te verschij-
nen, en werd het —geslacht vlees van de
engel in de rozenstruik, spreek ons
nog toe, faisandeer nog in de zon,
“als een vuist hand wordt” in raadsels “een
vingerkoot nagelstaal” “een darm” in
gelijkenissen “worm” en voorwaar,
zoon van me— Grenzeloos en groen is
zijn kleed want uit ontelbare ro-
ze-twijgen gevlochten. Zijn te zeld-
zame lid bloost als een rozeknop.
Komt het bloot in dit brons, Griekser dan
bottelthee of jam van de blaadjes
schenkbaar is niets. Daarom bedenkt hij
er ons mee, die steeds zochten naar hem.
stof, waarom kitte het tezamen.
wat had het hier verloren. wat is
het hier. wat het elders dat de licht-
kegel schuwt. wáár zijn zij állen die
de aanwezigen hier immers zelfs
zélf zijn, en niet slechts de afwezi-
gen. citaat van lyriek zoekt je ge-
tergde intellect in articu-
lo mortis als twijfels het bekrui-
pen want niets bijbels’— Toereikendheid
van de taal naar je god staat niet meer
vast voor je. De streng van het woord is
aan géne kant doorgeknipt. De steun
aan de zin éénzijdig opgezegd.
Ginds vindt het opzet het verbond te
verraden zijn beginsel. hoe meer
deeltjes de woordwortels verlaten,
ontleed tot op het bot van de term—
de flessehals zuigt aan de van zorg
niet meer blauw stralende, steekt in hem
als hij duikt in het kit— brengt je a-
siel onder de domper ellende,
eeuwige ballingschap te worden
gesnoten in de kegel van blik—
lieveren wieken van me weg en
verkorenen te zijn aan je borst.
ik mis ze. verslikking door een keel
in het zijn: niets, sabakthani!, dan
luciferisch’!, tenzij —zwaartekracht
eerste van de etter-gels— stremming
der rivier die uit geest schept, te ver-
zanden komt in quark-löss van drift –in
het spinrag der laserpriemen– zon
op de rots, hoofden die openknal-
len, ei waaruit hersens in een stol-
lende brij wegvloeien, engelen
die hun balkje getoast brood in de
schedelschollen dopen —ach jachtlui-
paard! hier inheems, hier thuis, hùn daar, die
spelen met ideeën van dieren
als wij hier met opgezette par-
dels van pels, –even een windkat der
katten beproef ik in de wereld,
ik nood tot het bestaan een volmaakt
kleinood, dat doodt als overmand door
de regel die daar heerst– net als ons,
gen-technisch goochelend met hun erf-
stam, verschrikking moede de kop naast
de nét halsgebroken prooi in het
stof te leggen ontgaat ons en brood-
roof door aaseters. stiekem sleurt iets
het op kadaver het duister in,
als je werk is volbracht. de hij. want
geen hij dan hij is er. niemand dan…
geen hu illa hu, dan ö niet een
ö. zul je ons de naam van je god
eindelijk zeggen? dat hij geen naam
heeft, geen naamwoord zegt wat hij inhoudt
en een voornaamwoord amper. (wijs naar
het zenit.) smeden vereist zijn om
de reisvaardige rots een hoef aan
te meten. resten drievuldigheid
tot paren verdichten. alles wat
ooit is geopenbaard keert terug.
tweeling, van oudsher op de verbin-
tenis doelend, scheidt. het vaarwel, de
blindvliegers toegesproken. het spoor
van gedropte menhirs. de doornen
der sporen. de rafel lijnwaad, de
draad van Arimathea’s textiel
zijn kering en inslag. heen van, of
toe vliegen naar het simpele kleed
nachtvlinder-wimpers die je monteert
op de kikvors-vingers der blinden.
zulke verkering mag van je wor-
den verwacht, zulk hof, dat het orgel
der voetvingers maakt nu talloze
slurfjes als bij de keel van de zee-
anemoon aan je pols ontspruiten
en knopen teder de gulp open
van de mens. naar het anker, wolk, te
nieuwsgierig. zoek er niet lang naar, maar
als een hondesnuit vind het sluitstuk,
dat steeds beloofd was aan engelen.
hier tepletterslaand droomt de jongen
van vrede door van de ooftpluk, en
zijn schimmel, zijn ezel door van de
kribbe als hij de schokgolf in schuim
smoort van zijn donswolk aan gods onthul-
de agenda, heilsboodschap-steno,
jobstijding nederlands, dit barbaars
en onijdel voertuig nog even,
en valt dan ook zelf uit – dichter de
oorsprong van het getijd wordt bena-
derd, koning der schepping! blij heeft de
spraakkunst van dit stuk speelgoed gemaakt
val van de bijzin en geen balans-
bouw of mak verbuigt zich het metrum
jij die dit werktuig daarmee hebt uit-
gerust, draai de knop om die inleidt
tot stilte, de stilte inluidt. hoe
dichter bij het ontstaan van de tijd
wordt gekomen, hoe dichter, prins van
de tijd, de oorsprong der hadrons die
ons verbijsterde oog bewerkstel-
ligt beide: oord en verlangen te-
zamen te kennen, geen platitu-
de der drastisch opgaande golffunc-
tie daar, in de kern gebeurt het, wat
nimmermeer grensverleggend gekend
wordt wiskundigste taal vertroost zich
met waan nog even muziek te zijn
de gebeurtenis-einder vouwt er
als vilten vliegende-honde-vlerk
om dicht en het werkwoord worden ver-
liezen we uit de spraak als de drup
kwijl uit de mondhoek die met een zak-
doekje schoon gebet wordt van worden
verlosser gebed van woorden ver-
lost en van hun gewichtig geword:
diepte, bezwaring in ze, niet min-
der het werkwoord hangen verzucht door
horden gehangenen ontolo-
gisch bewijs dat sprake van hen was
en zij bij haar gratie —Zon, Perce-
val!— zolang er gedorst wordt door jou
en de krabnevel-spons wordt aange-
reikt, wordt je worden nog steeds en wordt
er geworden dat licht er zij en
je licht je licht aan jezelf liet ge-
worden het zij zo hetzij tot gra-
viton Sidney, wrik deze nagel
weer los uit mijn pols door zwaartekrachts
ruk naar het overlevende vlees
er is dorst die geen ‘zalig zalig’
zal laven, goddelijk hart! dat ook
aan de linkerkant hing, verschuift naar
het midden, neemt van de zonnevlecht
de plaats in, geslacht herovert zijn
evenwicht des te schorder de huig-
g wordt der zwijgenden en te lang-
zamer tijd, te krachtiger zwaarte
en het occipitale oog als
een dooier rolt van de schedelhel-
ling af geef ons de vrede geef ons
de vrede zalig de mondfriste
gemist sinds Het eiland! Knaap— tege-
moet kom je me, je kortere arm,
waar is de arm waarvoor ik gewaar-
schuwd was? Even lang. Gelukzalig.
Naamgenoot. Oom van me. Hoe de kleur
van je kleed te noemen. Een woord dat
ik zoeken moet wil je. Vind je je-
zelf niet, dat je je naam wilt van mij?
Crux Nostratica VI: Mare Mediterraneum
MARE MEDITERRANEUM
Op het schip aan de mast geklonken
sirenes hebben ze aangelokt
zoals brandweersirenes blussers
de dood in jagen en panische
trompetgillen roffels oproepen,
schreeuwen tegen het tragische koor
orgel-registers en evenzeer
het genade-tutti bezweren,
bannen, begeren als op het schip
aan de mast geklonken sirenes.
‘Zulk aangelegd schip waarop jullie
voeren heeft ons veel grotere vaar-
tuig aangehaald. Innig vlijt het zijn
steven aan het staketsel-skelet;
pieren als tepels der te vaak zo-
gende sproeien branding zijn hete
boeg langs, tentakelen om wat beur-
telings op- en af wordt getakeld,
getuigd, en met nappen plukken ze
eendemossels vandaan van zijn flank.
Als het jong van de walvis zijn jul-
lie dartel, stranden hartstochtelijk
op ons lichaam van wiegend hardsteen:
de weg terug naar de nergens aan
grenzende binnenwand van de schoot
waar je spreken eindeloos echoot
gevonden, en niets meer hoort van het
overslaande, de reutel die stoort.
Ook dit eiland verlangt voor anker
te liggen, speurt naar het schiereiland,
het omvattende zeemeer nipt aan
de langszij liggende. Weet, die ons
betreden, dat al het tegenge-
stelde hier wordt verzoend en verzoond,
hier arriverenden van riva-
len vertoevers worden op eende-
re oevers en nooit en nooit op zijn
nevenboeler de boeler jaloers.
Nooit op zijn mededinger de ding-
er: het ding dat beiden verlangen
is juist het dingen in ze; om niets
wordt zozeer gedongen of iede-
re dinger verving voor iedere
mededinger allang het verlang-
de; zichzelf nog veel liever geven
als prijs die hoogste bedongen. Want
in de kring is geen ding aan zich, en
naar zich te dingen vervangt het niet.
Wees op het eiland der gelukza-
ligen welkom; rust er, en maak je
gereed te gelijker tijd, want de
toebereidselen hebben hun aan-
vang genomen.’
“Geen blad beweegt: bij
volkomen windstilte ritselt een
eucalyptus. Bemerk iets blauws op
een tak: getril van een vogelkeel,
een vink, die niet klinkt. Gekriep van de
kurkeiken die verschorsen: betrap
ze op bast die nooit gaver aansloot.
Weer dichte oogleden toveren
je een bergstroom voor: nevel, spatten;
geruisloos. Keerzij, vertolkt door de
onverstoorbaar kastanjes vreten-
de evers. Praat, val niet stil; eigen-
gereid als het woord is, wordt het niet
ingefluisterd door hen die voor ons
schaduw en schim zijn van onze scha-
duw en schim? Misschien inspireert het
hén, en nog raadselachtiger lip-
pen dan wij verroeren verroeren.
Wij zien in de dorpen grijsaards en
kinderen wier geprevel zowel
sprakeloos beeld is als geluid zon-
der oorsprong. Op een straathoek, een plein
zitten ze, gastheren en gidsen.”
Ontdek er geen bericht in als dit,
dat luid in je oplicht: het verschil-
de, het niet samen voorstelbare
van gezicht en muziek brengt het ge-
vaarte in beweging, als bliezen
het velijn van een broos wespennest
briezen op en balgen in ovens
het rijzende bladerdeeg. Een tong
legt discreet lippen ter zijde en
bevochtigt het leertje. Steek in zee
als die toon hersenvlies losweekt van
zijn beschermende been: boot, die de
rede hier verlaat der afwezig-
heid van rede, de ka afstoot der
kadeloze plek, onderneem de-
ze reis dan met medeneming bei-
der, die zelf niets bent dan rede en
ka! De tot afscheid in de haven
verzamelde verwanten wier hoop
lichaampjes wimpelt met een zakdoek
zijn opvarenden, cruisend gezel-
schap, bemanning aan boord: –vector, ver-
sleep steeds je vertrekpunt naarmate
je vordert, en wijs erop als doel–
:uit Tyrreens water terug naar hun
etymon varen de Etrusken;
Atlantisch in het Oosten bestaat
toekomst als herkomst, en het lot van
de schipper, dat zijn aankomst gepland
en uit is gestippeld op de zee-
kaart, maar nooit eerder ervaarbaar dan
als de wereld genoeg tijd heeft ge-
wonnen om te laten gebeuren
wat wordt, is plots opgeheven. “Blik
uit ooit hoog zwevende gondels die
het tapijt van de tijd uitrolt, en
vogel-perspectief waar sextanten
hun gegok tegenaan kaatsen, bil-
jarten— Oronaeus-projecties
hanteren we argeloos; Antarc-
tica— kwam Arctica ooit als ons
reisdoel in aanmerking, wij rondden
de kapen: wat we droomden, is waar:
Alles was omgekeerd. Ik weet het
nu. Liefelijke knik in de kust
van ‘Brazilië’: links, westelijk
lag hij van het oerwoud; en beide
tweeëiige eilanden die hier
voor de kust liggen te wachten op
aanmeer- of laadvergunning: weste-
lijk taxiede het lichte ‘Nihon’,
‘Albion’’s groen kwam na het ijs der
Noordoostelijke Route in zicht;
de ‘stille’, die links van ‘die van Atl’
lag, of rechts—, alles verruilde met
de magnetische pool ligging en
richting, en voor huidige vormen
rare, verdrongene. Geschapen
te worden is te worden geschept,
dringt tot ons door, zodat opeens aan
de oppervlakte komende, plots
verzinkende volkeren geschie-
den; cement, zavel en water wordt
met de troffel verroerd, spaden en
schoffels permuteren de akkers
en de Indische karnt schildpadge-
paddel, tot zijn schiereiland klit aan
de tonwand. Een bladzijde wordt om-
gedraaid. Freud zegt ons dat droomarbeid
onbekenbaar geheim toegeeft, ver-
vormd tot onherkenbaar eruitflapt
wat wake heeft weggemoffeld; Dunne
dat hij ooit komende, tegen zijn
wijzerzin naderende feiten
verhult in een verhaal: is de droom
beide? Eenvoudiger dan dit is
de waarheid niet, die éénmaal gevouwd
haar tegendeel insluit en ontvangt:
door haar drie zones geleidt ons het
katastrofische pad: ruime om-
zeiling van de lip van het tijdstip
houdt het holistisch, maar niet lang: on-
afwendbaar is de wende, en af
wendt ze ons schip van zijn natuurlij-
ke koers, en in een storm waar de gol-
ven zó sterk terugkrullen dat bran-
ding de flank zee waar ze op steunt on-
der zich oplost, vergaan allen, dat
is: de ammonietspiraal in van
het verleden gaan schip, zeelieden,
reders, passagiers; door dit ene,
dat schrift bij de rechterkantlijn aan-
vangt, naar links vordert, althans daarte-
gen aanleunt, linksaf slaat en verra-
felt op links. Overzicht redt ons, dat
de cursief weer centreert: openge-
vouwen portulanen beslaan pa-
radigmatisch dit druk afgereisd
oord, dit palimpsest van vergriffel-
de routes, dit logboek. De gezant
naarstig bijeengespiekte plannen
van wad, dat het verstervende lijf
plomp door het zand slepende clerus
in kaart bracht: onbetrouwbaar, vergeefs!”
Lenig van boord springen de matro-
zen, en schragen traagheid der scheepsmas-
sa fluks op hun schouders, zetten zich
schrap op hun hominide restant
die zijn vrijstaande duimteen boort in
het drijfzand, spannen hun lichaam als
een triremische spaan en laten
de boot te water, die havenwee
op stapel hield. (Later maken wan-
hopigen de kapseizende sloep
zwaarder waarin ze zich met een sprong
willen redden: bijkomend ballast
van de molensteen keldert sneller
wat toch zinkt.) Thans gaat de reis nog ho-
rizontaal naar haar doel: zodra hij
genoeg beweging gekregen heeft
beginnen de zeelui plots aan hun
aanloop, en hun gevleugelde voet
snelwandelt wonderlijk op het wa-
ter en neemt de horde der reling.
“Immers naar Oostland willen wij va-
ren! Naar Hellas, Pont, gelukzalig
Ionië! Boeien, lichtschepen,
archipels doen wij aan, die omring-
end land op ons afzendt; noordelijk
brokkelen per gigantische spalk
gletsjers hun ijs naar het concurre-
rende vlot en kelen het; hier ont-
moeten we afgezanten, en kaat-
sen met hoofse knik de gepraaiden
vaarwel, als met keus biljartballen
weg over het gerimpelde la-
ken der Middenzee. Pokloos, afge-
puimd schaven kielen als onderbui-
ken van ijzer de druk bevreeë-
ne öm en strijken zijn plooien glad.”
Een met holtes verluchte spons voor
wie bijziend loepen heeft bijgezet
en tot meerschuim gestolde branding,
een bril kunstmatige lenzen bo-
ven vlezen verkozen, netvliespro-
these het ingewikkelder web
lussen heeft voorgelegd als welk weef-
sel de zee verschenen is, blijkt een
anamorfose en topolo-
gisch vernuft onthult zich als spiegel:
zelfs zij die het meest blasé zijn, er-
varenst op het zeewaardigste schip
hun bezigheid waakzaam einders te
peilen naar wie vermetel naar hén
koerszet vergeten ze, en hun hoofd
overboord, hun kin op hun borstbeen
buigen ze schuchter en onderzoe-
ken het vlak. Een zwemmende zodi-
ak zien ze als schouwspel: uitspansel-
sterren die een vertrouwd firmament
meteorisch verlaten, komen
op reis de plots verzelfstandigde
metaforen der dieren tegen,
op één niveau, als het ware als
buren. Niet zelden is zulk omha-
loënd beest ook écht even gulzig
als toen het denkbeeldig teken was,
schuift het voor een nomadische ster
zijn balein-orgel open, zuigt ze
naar binnen. Dán zullen mijmeren-
de matrozen zich rollen dor per-
kament herinneren: rondreizen-
de windrozen weven samen het
touwtjesspel der projectie, waar groot
zeezoogdier-wild zich tussen vermeit,
of verstrikt een enkele Nereus.
Hun veiligheidsgordels aangesnoerd
stijgen in montgolfières van rots
laatste Guanches naar hun herin-
nerde thuisland; moa’s, hun oogwit
schoon, door hun Paaseilanders bere-
den, vertrekken nauwelijks later;
de bloesem-guirlande-tooi der ver-
zamelde Insulindes beweg-
wijzert luchtwegen; alle nade-
ren Nazca; zwevende ruimteve-
ren slaan gade hoe land en zee zo-
ömorf gevat zijn in netten, op
knooppunten liggen van orthote-
nische lijnen ‘ubi dragones’,
en gaan hun contouren na, wispel-
turig en van hun baan af als sui-
ker bespeurende bijen… Kaarten
waar twee dimensies zoëven nog
de prijsgunstigste route zichtbaar
en meetbaar maakten, ontvouwen op-
eens mét reliëf-perceptie be-
giftigde kapiteins tot een sfeer,
zetten historie der aardrijkskun-
dige oorden uit op de z-as,
verticaal op hun vlak, en trekken
krachtdadig wereld- na wereldlijn.
Hen verrukt het gracieuze balspel
der partjes aarde, die sluitend op
elkaar passen, snel van stelling ver-
wisselen in hun jacht op elkaar,
nét nog niet samenvallen want nét
niet ineen-, vervallen tot één, maar
blijven verschillen van het verschil
dat van schil tot schil astrolabi-
a maken in deeltjes aarde, a-
jourwerk-lagen in kogels ivoor.
Wimpels der vrolijke flottielje
als vliegerstrikjes houden elk schip
drijvende, recht en gyroscopisch
stabiel, die elke scheepsjongen han-
dig zet naar de wind en semafo-
ren op zin instelt en wuift naar zijn
kameraad en dolfijn: “Kom, onver-
getelijke bruinvis, en ruil je
element toch met mij! Telkens je
glimmend uit de golfkoppen schieten-
de voorhoofd bemerken naast de stam-
pende boeg (beeld van dat taaie on-
deraan, dat onbijtbare in mij),
het maakt geil. Dank zij voorzienigheid
die het smerende zilt giet om de
zuiger in het huis als ik warmloop
en weldra van de druk over— Be-
sta het op een scheepsdek te staan als
een man, sla de buitelingen ga-
de die ik sla in je plaats en ver-
ga in de ruisende extase
van pekel die je zegels verbreekt!”
Rijpe amforen slaat ze open
op oliën, op garum, op wijn,
in hun gas het genot voorwerpen
los waarvan de Brownse beweging
het ruim van de wereld tot het uit-
zet verhit: “thermodynamische
werkingen maken dat de zeeke-
tel overziedt, en Thira, en grijs
Kriti, en vaarland als het onze
wordt achteloos getild naar beloofd
Eretz, door de ondergaande zon
vermiljoen aangekleurd; naderen
weliswaar, maar niet zien: drempel van
aarde waar we hals over kop o-
ver heen komen tuimelen; geberg-
te, woestijn werpen zich op tegen
onze ramkoers, ons vlot schiet door de
bressen naar de hete depressie
aan het eind der Jordaan: bromtol die
even op zijn spil als het ware
tot stilstand komt, ware pirami-
de die ijl, topzwaar van steunpunt naar
steunpunt komt steltlopen, te struike-
len, valt over door gemzen kriskras
afgespurt kwarts en in de zoutzee
vooroverploft: het spon in het tap-
gat, dat alles verzoent. Zwijgzaam als
plasma der vereende materie
en mooi als een zeepbellenspel bel-
len van glas plooiend, steeds minder e-
lastisch als alles dat verhardt en
terugkeert in zijn vroegere staat:
rots, die de eros der erosie
poreus maakt voor de talkroos. Die bloeit.
Exotische zouten slaan hier neer
in de reet, billen in spreidzit op
een sporadische baar likken ze
schoon en de linguïstische rasp der
Van-kat bevrijdt het te besnijde-
ne; eindelijk berust in zijn rust
geest van de zwerfsteen; om dit ketel-
dal rijzen horizonten van gleis-
werk op, en de dichtgeknepen oog-
leden zien hemelsblauw breken tot
een kristal, craquelé uitwegen
banen in de badkamer-tegels
der natuur, en een zwart zonlicht de
ingekeerde iris bevloeien
met stroompjes essentie van de kleur.
Dode Zee, zijn wij, geworden.” •
Crux Nostratica V: Amor Mimeticus III
…Wordt
het hun beider– der beurt na beurt pe-
rihelisch zwenkende hemelli-
chamen, twee die elkaar begrijpen,
met laaiend uitslaande plasma-ar-
men grijpen bij lenden, schouders? Geen
nevenzonnen voor ons, die hen zien:
dubbelster-stelsel dat om zich heen
snelt dit stel gestaag door elkaar ver-
traagden, versnelden –wordt het hun deel?
Nu ze naast elkaar zitten, drank is
besteld en de hoek wordt stomper, steeds
meer in elkaars verlengde hun dij-
en liggen, als schonk, als spalkte een
hunkerende de eigen uiteen,
rechter- aan linkerknie en elks schijf
op elks schijf, verluidt het: hoevéél ver-
zet biedt zijn lichaam me, hoeveel weer-
stand zijn ziel, hoe hard is die geest van
hem afgeveerd– land ik, tonisch, ver-
kwikkelijk, in zijn net, op zijn mat?
Dat beantwoordt gedempte jubel
met ja, schakeert het gebarend als
van de schilder wiens verfvondst nieuwe
proporties brengt in het kosmische
spectrum de dalende parachu-
te der hand die landt op het blad en
de balk met zijn plectrum aanslaat in
waakzame, helderhorende doof-
heid en voegt een akkoord, een enkel
akkoord, de sferen een enkele
harmonie toe en álles zingt; al-
les zingt. Zo spreken zij. Vlees is het
door geesten geschapen fluister me
liplees me en gedachte- –me, brei
breingolf mijn wederbrein dan door ons
voor het eerst wij komen tot inkeer
–zo luidt het– wij keren weer in el-
kaar want uit het omkeerbare woord
grepen naar letters over je lip-
pen gerold als duindoornbes, lijster-
plukken de mijne, ons erode-
ren hun rinse beken de rugge-
merg-klippen en breken door in de
lymfen die op een elleboog af-
stand op reik-afstand rakens-klaar maar
op afstand– Lichteeuw-omspannende
bilocatie, waar taal naast tegen-
stof stof, en stof zet naast tegentaal
taal in het doorgelichte gewicht
van een hand die rust, van een schouder
waarop–. Dit bevreemdt noch pakt vanzelf-
sprekenden, als herkenden erken-
den; als krommers; gekromden. Nuchter-
naïef aanvaarden geschapen te
zijn wie scheppen dan ook routine
is. Cel na cel in de tijdknel die
ineenklapt tot stip, de plekkeloos
zware, treedt aan het licht als heelal.
Stip van het ogenblik, van het oog,
van de tijd– dat tijd wordt ontwikkeld
uit de kijk; dat elks ander, blikkend
geboren, hoort bij een heden dat
alle -heden bewoont, nu tijd dat
zijn lichaam waar is genomen in
een straal om hem heen geschikt staat. De
oog-iris, aan haar welving ontwend,
veert in de vlakstand van zijn gespie-
gelde beeld; dit legt de verbeelde
tijd uit en strijkt hem tot hij omkeer-
baar is glad; gelijkelijk stort het
zich, blind, in de koker, áchter de
spiegelfoelie, vervaagt er maar keert
weer, als Narcissus van Narcissus,
en drukt zich, als herboren, en gaaf,
uit in een ruim als wat hij zelf ook
beslaat, waarin hij voorkomt, bestaat!
Het open- en dichtschuiven van wim-
pers je klop, hart, je kadans in mijn
graviteren de klok. Ach uit de
mal van je beschouwing te vallen
als een wereld uit Gods hand! Je te
slaken: het viervleugelig slaan van
de vlinder uit saamgevouwen ving-
ers! Gebed, engel, geslachtsgenoot!
Ontboezemings springtij en ontvang-
enis’ eb smeden hun leden aan
hun angelische paar tijdig her-
innerden-geanticipeerden,
die zich voornemen schoon vlees als van
dezen te betrekken; bij zich. Die
aanvankelijk vijvers voor ze wa-
ren waar schier niets dan een palm in ge-
doopt, dan rivieren waarin pootje-
gebaad werd, dan gezwommen: een meer—
zwanen is, reigers het verhitten-
de tongenwonder, rose flamin-
go’s geschonken het vuur-uur– Op het
ogenblik dat jij die verliefd bent
je hoofd aan de schouder drukt van jou
die op jou even verliefd bent als
jij bent op jou –met het geweld van
het robbejong, zijn snuit naar het spier-
uitsteeksel werpend van de neus, van
de tepel van de teef in de mens,
de bloedrode roede van de reu
in de mens: smak op diens kraakbeen van
zijn verhardend skelet ruis voor de
orde van de schijn, voor de fobi-
sche tik van de lepel die zijn mor-
se gezoet oproert tot slaapdranken
entropie. Voor het gif tégengif:
kickte het de oververzadig-
den toch af tot ze zien– borstvlakken
panisch op hun beider weerkaatsen-
de spiegelpaneel als door een dub-
bele slurf opgehoosd toesuizen,
diep in de vluchtpunten der zachtbruin
gerimpelde pupillen der borst
wegzinken, middenriffen, zweven-
de ribben als klavieren en vin-
ger-decades zich twáálf-vingerig,
-hándig, elkaar dodecafonisch
bespelen, herscheppen en berus-
ten in één lichaam, een plaatsvindend,
-ruimend, verzoend, naar zijn beginsel
teruggekeerd-gevorderd, en één
geest, die het hogere chaoti-
sche vestigt op het puin van de dunk.
Zulks slaat de omstandigen terneer,
die beschaamd pasmunt te grabbel gooi-
en uit nageaapt twaalf buidels ge-
stroopte hagedis; want zij vallen
weg, de tevelen en tekorten
per saldo, die in nijd en in haat,
ongelijktijdigen, beminnen-
den neer pogen te staren, als zij
te worden geboren uit de naad
van de tijd. Ongunst der talrijken
voor het paar niettemin samen-ge-
vallenen dat vredig en gaarne
naar de soortnaam verlangt menselijk
knipoogt en met oorlellen flapt, maar
zulks doet ter beaming van het dwing-
end bescheid: weest de herhalers van
het verschil, dat de soort node er-
kent in de eer zeldzaam gewaanden:
hun aller aantrefbaarheid ontgaat
wie ontwaard beeldgruis krijgt voorgestraald,
flikkert die nòg zo fascinerend
de schermen langs; zijn ogen verbindt
tijd niet want nooit wordt er ontmoet in
dit moetende. Het palindroma-
tisch ogenblik naakt, het onverstaan-
bare Zich: jullie verschillen het
en verschil na verschil valt van het
punt der congruentie dat nadert,
aankomt, geschied is of nog zàl: on-
beslisbaar, daarom stellig: onaf,
wankel, noch prikbaar noch getimed. Nu
de tijdruimte in taal virtueel
verdicht wordt tot tegenplek, uit te-
gentaal fris opduikt en strandt in het
Elyseïsche dal, gaart de be-
vrijdende de fauna en flora
van de oorden waar ooit stof van je
stof toe wou behoren. De helix
der glorie omwentelt ze. De re-
genboog klampt rots aan zijn bruggehoofd;
omhoogtilt zijn anker het door ster-
ren geclaimd eiland, Atlantis. Je
onderhuids, ondermaans water vloeit
opwaarts door de haren der enge-
len. Zovelen! Te veel schampen er
hiér af op elkaar als een lemmet
op been. Is miljardenmaal de mens-
heid nog één? Zelfs door een waterstof-
zon van ons afgevilde huid, of
een decalcomanie, of geluid
nemen ze op van ons, geduldig.
Ons overige draalt nog, maar dra
lost het zijn zwaarte op in hun e-
ther en dient zich homeopathisch
verdund aan ze toe. De kwaal die hun
ijlheid is, wordt gelenigd door erts. —
Als de frisdrankfles langzaam volloopt
met fris die vloeit door het strootje uit
jullie soepele slokdarm, staan jul-
lie op, bestellen een frisdrank in
ivriet, ‘arabiyya, lopen be-
hoedzaam als in een western een paar
bankrovers achterwaarts naar de gla-
zen als lift-, de glazen als badhuis-
deur en smakken met vier geribbel-
de zolen rond op de vloeren, met
je als hersens gerilde mantels
van slakken. Handen verdwalend op
de kam van een heup en schouders die
schouders waar ze op steunen als scherts
stoten van schouders: in elkaars li-
chaam gespiegeld wordt er gedoucht, het
hangt aan de ketting die onophou-
dende stromen tropische stortbui
ontsluit, op ze neerlaat; duikt het niet
onder in de verchloorde, de nep-
zee, heftige klappen vlinderslag
gevend aan het kunstmatige tij?
Niemand, geen badmeester van het scheids-
gerecht ziet ons diepzeese stoeien:
vluchtige narwals met de verstands-
kies der eenhoorns jachten de bodem
af: waar is de toevoer-opening,
waar is het riolerende net-
werk dat aansluit op zee? We maken
de zwemslips zoek, en bespeuren het:
is die vlotter, dat sas, die luchtbel
al Kriti, Suez, Kinnéret, of–?
Crux Nostratica IV: Corsica II
Corsica II
Bij ’t ondergaan graait zijn lichthand de
havenstad aan de baai door het haar:
dromend verlegt ze het, waarin e-
lektrostatisch neon verpulvert.
Boven bespelen ze met hun pal-
men de tenen tentstok, en spannen
het zeil.
Op een afstand kondigen
schijnwerpers van vehikels op zoek
naar een ligplaats het zoeklicht aan van
politie-auto’s naar zwetenden
in hun liefdesnacht, gods gedachte
aan alles plotseling wetenden.
Dáárom bekommeren ze zich niet;
ook geen verder voorteken zien ze:
de zaklamp die redt en wekt uit hun
slaap niet, tussen de myrte:
‘Sta op,
de verrader, de gek doolt rond, en
ontbloten kust hij ten dode met
zijn vergiftige tong. Verberg je,
te gast in veilige stallingen
beademd door vee. Kom mee!’
Geen ver-
heerlijking dan als lucifers, nat,
traag in hun ingewanden ontbran-
dende: ritsen sluiten de tent, het
beiderzijds aan elkaar gekartel-
de paar watteerspreien dicht om hun
trinitaire monade; sebum
en smegma welt uit de huiden en
vermengt zich, veelkleurig blacklight vormt
pauweogen als soepogen; drie
drinken die, oliën zich met e-
ten en drinken in, en er spreken
twee:
“in de begum, in de omvat-
tende nacht vergeten we bijna
ons beider gekruiste degens; zij
neuriet, en wij verzinken zo zacht.”
‘Hij die me uitzendt als het woord waar-
aan vlees komt als het wordt uit het woord
heeft het bevolen: aan verwantschap
ontkome niet wie ooit zijn gezin
verlaat voor de mensenzoon; de hoe-
de der vrouw vouwt om hem dicht, zoals
haar bevroedt, van haar houdt hij, die te-
voren aan zijn boezem zich vlijde.
Wees niet hokvast, ik licht stof uit het
stof, de zich verslapenden wek ik:
het vlees dat verschilt wil ik volle-
dig verschild; beelden ontgin ik in
zijn wervelbed, bid tot op het bot
het als af prijkende weefselschoon,
herboetseer het met nieuw vlees dat het
druifbeginsel aanmaakte; eet het.’
“Uit het gare der duif halen we
hagel als granaatappelpitten;
want hij die als duivel is geschand-
vlekt verschiet hiérdoor doeltreffend; het
offer zijn bloedrose veredelt
zijn vlerkschaduw; de pijl die de één
vleugellam velt, verleent de kreupe-
le wiekslag naar de hitte die op-
stijgt. We drinken het bloed op door de
haarfijne kanalen der kiezen
waar nét die hoeveelheden verte-
rend vergift zacht als door stiften door-
heen zijn gespoten. We vermengen
de lymfen, en besmet met elkaars
zielen ontwerpen we een Tritoon,
een mannelijke nimf. In een poel
waar schapekaas rust, in zijn savooi-
koolblad koel, geven we vorm aan de
DNA-kolk, de kloon, noemen hem
‘zoon van ons’, en noemen ook haar— ”
Is
dit schip wel een schip? Of ondergaan
we in één overvaart tijdperken
van tektonische drift? Rots die van
stapel loopt, zijn schiereiland afscheurt
van het plat, en de schok kalft het ge-
strande trans-atlantische stoomboot-
hotel van de rede: Ocea-
nië drijft centripetaal van de
horizon-ka weg, en vormt Mu. De
hereniging, de ondergang: daal,
kiel, naar waar water is als inkt: coe-
lacant-bevolkte canyons he-
ten je welkom: word hard. Zandsmaak of
zandkorrel te zijn in de kokkel
die zinkt in de kokhalzende, raspt
langs de tand! India nadert, de
Pamir verfrommelt tot gebergte,
alvorens Madagascar’s op één
legger gestelte catamaran
de Kaap rondt, bij hem binnenvaart. Ja-
bal Tariq versmelten zal met At-
las, en meer wordt deze binnenzee
en weer bad op dit dek. Luchtkokers
aërofagie en de winden
latende schoorstenen propulsie:
vulkanisch onbewuste bewerkt
stuwing naar Corsica, dat eensklaps
als oorlogsbodem, zeebodem op-
rijst; beider collisiekoers bespoe-
digt dat tijd ophoudt, en ruimte, waar
hij zich ophoudt, ons dit toeschijnt, dit
land (waarvan afwezig we kiezels
op de brandingkam af stuiteren:
pogen te. Het lukt niet. “Doe jij het”,
“opnieuw”: wie het opgeeft, strekt zich uit
op het grint. Rastert zijn schouderhuid):
tussen maalstroom en klip door, tussen
Scylla en Charybdis gevaren
gaan groepen nieuwgierigen aan land,
en waar vloed uitgeput strand-sedi-
menten niet langer voor zich uitduwt
en stranding niet meer uitstelt, waar eb
schepen niet afremt met elasti-
sche wieren om de schroef, daar verschijnt
het eiland als zeespiegeling: Al-
pen die hol uit zijn gegraven in
de verdwijnende korst drukken als
ijsbergtop omhoog wat ze bergen.”
Licht deze kruistekens uit Golgo-
tha’s ring, want hoe symmetrisch er ook
rechtstaan aan weerszijden van hem die
de ruimte sublimeren wou, zul-
ke cirkel doorsnijdt zijn symmetrie-
as, die twee moordenaars onderbrengt
of bij goed, of bij kwaad. Woord dat hen
toewijst aan het eerste of laatste
is voorlopig, tot gij slierten van
onten en van onen als vingers
beweegt door dit lagere, en drie
als een rest ruimt uit dit wereldrond,
als stukken die enkel hun vermo-
gen tot spel ruimtelijk uitdrukken
in hun vorm op het bord, slaat en ver-
wijdert van hun vierkante hori-
zon; niets onvoltrokkens de omschrij-
vende baan breekt. De herstelde ver-
wantschap omwikkelt hen als wade
van liefde, en de zoon van het kruis
af neemt ze, neemt het van hem af die
in ons is en de moeder in ons
schenkt ze wat afgenomen is, schenkt
aan de zoon de moeder in hém, aan
de moeder de zoon in háár met het
‘Moeder, ziedaar uw zoon’, het ‘Ziedaar
zoon, uw moeder’, met ‘Zoon, ik schenk je
een zoon’ de zoon in hem schenkend en
met ‘Ik schenk je een moeder, moeder’
de nooit-vermoede, de moeder in
haar schenkend aan haar. De vader be-
veelt dat ik in uw handen mijn geest,
vader, beveel dan ook in de han-
den de geest; het beeld van de hand die
zich beveelt en het af- en aanbeeld
der hand die heelt wat verveeld is; uit
het verhemelte beelden halen-
de hand, zijn hendel die beeldt aan het
verhemelte over halende
hand: in de verticaal van hun druk
hangen de kinderen. Katato-
nische klem der vingers ontspannen
beiden voorzichtig door nu een pink,
dan een duim te lichten, per kootje,
per lid, van de vuist; hun voelhorens
steken de tot een vlinder vergroei-
den uit, de kokon ontpopt zich, het
omhulsel wordt onthuld en de vorm
valt van de vorm af; dat in abstrac-
tie verkitte geest der syntaxis
super-geleidend want onderkoeld
weer vervloeit met zegbaars, is logos:
‘Geboorte verblijdt de levenden
mateloos van het derde geslacht,
dat hier thuis is. Bewoon dit steen, de-
ze steen, wat opgerispt, neergesmakt
is beloofd als je oord. Bevolk, en
wees ménig-vuldig, verspreid je hier,
marsupialia, in de ni-
ches die zoogwild achteloos leeg liet,
gedij als zovele tepels of
dreumesjes in de buidel der luw-
zij, de buidel der grot, de buidel
vacante aarde, en nijver daar.’
Er versperren geen Friese ruiters
de weg, de bergweg die leidt naar het
plateau der gewijde paarden; geen
draaideuren reguleren, geen paar
Josephson-schakelingen bepa-
len de zin, geen wet van het uitge-
sloten derde verdeelt dit eiland
in Turks of Grieks, geen guerilla van
hyperbool of litotes wijzigt
terloops getrokken bestandslijnen
der logica. Meerschuim!, stof, gelijk-
moedig en evenredig; een schot
haalt uit de werkelijkheid teveel
weg, een gasbel lucht alles op; geen
golfslag herkennen de jan-van-gents,
geen verval van magma wie kijkt van-
op Mars. Corsicaans bevlagd, deze
vliegescheet op de blauwe planeet,
en sprekend wat niemand snapt van wie
bandbreedtes onderzoekt op een sein!
Niets dan wat eigen is en het zijn
welgevallig; niets van wat is be-
let het te doemen en het gela-
tene aan te slaan als zijn eigen-
dom; dát tot zich toe, het eigen do-
mein voor dit overmoedige o-
pen te laten als valstrik kán het
niet laten; modems der moedertaal,
waaraan niemand ontsnapt, die laat het
hun Babels bolwerk ontwarren. •
Crux Nostratica III: Amor Mimeticus II
Amor Mimeticus II
Dapper doorloopt wie in een moeder
verwekt is, de historie der soort –
weten wij! Amper levenskrachtiger
eerst dan het ooit stuitbare virus,
later amfibisch op het droge,
dra aap/mens en gekerstend. Zei
tot de kerksen hun god: weet dat
je ziel als in een grot zit, je lichaam
is haar kerker. Doch reeds viel ik niet
meer over mijn lichaam als was het
een broekspijp – bedacht ik – maar ervoer
in het vlees zelf het geestdriftige
ontwaken van stof tot zijn verlangen:
voltrok fylogenese na
van het ethos dat geest blos is – kreeg
kleur, toen ik je zag. Door de mens was
het veroverd. In èlk lid van je
vochten onafscheidelijk beide,
als broers, om een tijdelijke overhand.
Krijg oefenden spier en
idee er, gestelden in de waagschaal. Geen
naald sloeg in een blijvende stand
door. De atleet in je zou rede en
roede nu ontsteken, dan doven,
bij wijze van proef – nooit om zijn
schroom in het verkeer te verliezen
als zij die slechts beeld zijn – van een beeld –
van zichzelf – prent uit een porno – Ach
sla me met stomheid, die je gadesloeg:
vuur! Wat door mijn ectoplastiek
delta’t als rookflard om het graf, waar
de vonk ooit in gevat zat, ontvlamt
noch as van me. Liever was ik koopwaar.
Geen trots. Liever bezwoer ik je:
ruim de sintels op. Paar beide
gescheidenen. Verlos me. Vervang me.
Nog liever verspilde ik als beeld
van mijn beeld aura en had ik mijn
overtollige geest, elektro-
statische congestie gelaten
aan een ander zijn rap klaargewet
laatmes, reflecteerde nog liever
op leerbink, geen brildrager, op
sentimenteel, baart in de keel, op
gebaart in de reet! Die, te gedwee, haast
genoot van hun vertwijfeling: dood –
mij, die de hersenslakken naakt zag,
vol overgave buikzool aan buikzool
geworpen. Gebruik, bid ik je,
klokhuis-schroef of appelboor, tref met
dit roestige oestermes, je kiest maar.
Betast rustig het scherp van het
Turkse, Japanse, of dat strandhout
met uitstekende puntduim. — Perfect
maken slechts gelden en ze waard zijn
de waardigheid, de waarheid, het gelden
helder. Vertelbaarder dan telbaars
is niets. Niets zo voorbeeldig als
wat staat afgebeeld. Niets, beeldenaar,
munt er op de munt uit dan jij, want
taal is betaalbaarheid van alles. Geen
wonder dat het wonder zich wreekt.
Zinhebbend vlees voelt zich verraden;
geen dageraad des geestes doorzont het.
Even maar stelt die het zich aanschaft
zich bloot, leren de cijfers; tot
op het peil van de waar, weerloos
geringere, verzakt wat zich aftrekt
en dat ruilt voor een stuk vlees, en is
kwetsbaar: op dat ogenblik wachtte
het stuk, en zijn zin wordt in vernietigde
zin zin, die het lichaamloze,
gebukte vernuft heeft in
harmonischer gewaande gestalte.
Het vloert dit lichamelijke niets
met een zwaar, fitgetrimd lichaam, en
smoort het verlangen onder beide.
Geen engel meer die fair met de mens
worstelt. Hybrideren, van schaduw
en staal, dan hun stabiele legering,
nemen hun plaats in. — …De verlangde
daarbij, gratie is argeloos,
die haar zwaartepunt zoekt, vindt bij je
sekse. Je lieftallige glimlach
prijs ik, met reden, omdat zin slechts
met zintuigen bereikt kan. Aan jou
stellen de werktuigen een eis: zonder
schaamte in hun midden te leven.
Dáárom beschouw je ook gezicht
als gebod zinvol te blijken: het
is een toestel dat vorm aanmaakt, een
spiegel die geslaagd of opnieuw zegt.
Zulke wedijver gunt lichaam een
leemte in de ruimte; net zóveel
volume als nodig voor je oog
om zijn blik vrij om zich heen te slaan.
Besta! Het vernietigt me niet. Waarlijk
bestaan reikt naar een uitgestoken
houvast om gedeeld evenwicht,
smeedwerk van om macht niet meer dingende,
maar vrij in elkaar rustende
lichamen te scheppen. Het licht van
het goede bemerk ik, dat je geurige
huid uitzweet als fluor.
Vertrouw op de ene die je blozen
ziet: blos uit zijn geweten is lof… —
Acht hem lichtvaardig, lichtgelovige.
Tering van het vlees is geen film.
Ketens ontbreken ons, waarin andermans
schalm ons zinsverbond voortzet.
Je achterhoofd-oog ontwaart geen
gelijkgestemde wiens blik als een haardvuur
je schouders verwarmt, mijn rug vindt geen
borst die draagt als een doopvontschelp.
Plaatsvervangende beelden soppen door
hompen cruor om zeldzame
verstikkende vlinders, tekens van
leven getatoeëerd naar de huid
zendend, of scharen zich bij het zielige
pak dat vaal van zijn brandstapels
verhongerde resten opwolkt, ze
troostend uitregent. Overal
om ons heen overstemmen spoken
het restje geest van hun moordenaars:
het moest in hun milt verdrongen en
heetgestookt tot de biecht van hun schuld;
overal peuzelen die gewetensvol
pezen los van hun eigen
Hansje en Grietje: een elastiekje,
een leren bies om hun mannen-
kepies! Bij zulk groot verslinden, zulk
woordgevecht totterdood houdt de liefde-
schommel niet stand, de wieg waar we,
kinderen nog, in sliepen, en plots,
zwaluwstaart-mannetjes uit hun zwaluwstaart-
vrouwtjes los, in ontbinden,
eertijds eeneiigen in tweeëiigen
thans. De schoot, die wij beiden
elkaar telkens boden, scheidt van zijn
uitstootsel, dat wij beiden elkaar
telkens maakten; ons beider worpen
verworden, worden verworpen, als
aan de ene ten prooi, ten offer,
de ander: weerwelp en weerwolf, die
niet meer troost als hetwelk tweevuldigheid,
stuk en zoek, is herboren: met
het naar binnen gekeerde kwaad vallen
angst en spijt erom samen. — Want
een gymzaal met half-doorlaatbare
foelies, die halogeenspots gericht
afstellen, zondert ons in een straalkapel
af, een passende raat, en
hij die van beiden contemplatief is
gestemd neemt plaats aan de donkere
zijde; de niét tot scheppen
geneigde staat aan de heldere kant;
het zijdepapier ontvangt ieders
neerslag, de te gevoelige plaat
scheurt voor het zaad in, dat met handmatige
hartstocht af is getapt. Van
brekende vaat een kaleidoscopische
scherf geruisloos zien vallen,
de scheidende wand verdeeld als
facettenoog, in de duizel, de walg
het verkokerd coupé tot schelpzand
gestampt, van mica panoptica om
de wasmummies vol of leeggepompt
dicht of open gevoúwen de
blaas-, de harmonicabalgen blootstaan
en prompt de schakelaars aangeknipt/
uitgeknipt. Jij en ik, onverzadigbaar
maar betrapt op het zondige
plan onverzaakbaar vlees te
verzoeken, scheren ons weg uit het
mausoleum. Verschoning vinden
we weer in vooronder, ruim, waar een
obool in een sleuf aseptische
douchecellen ontsluit. Hun comfort
sust onze smetvrees, want wij zijn bang.
Ons verderf vergaat in hun sterfput.
Crux Nostratica II: Corsica I
Corsica I
Middenzee, waterstof. Toen voeren
ze uit, wil het verhaal, dat zijn net
uitwerpt. Het heimwee van het zoogdier
betrapt de portulaan, het verle-
den weeft hij om boegsprieten en kie-
len. Hun voet perste niet zelden on-
der de zwellende golf zilt uit. ‘Ze
varen’ maakt de kaart tot: ze voeren
-hoeveel knopen, geknoopt net?- naar een
zeeslag met triremen. (Het spelen
van zeeslag, van havening van prau-
wen met teen vast aan het badpak van
de drenkeling. Eindelijk.) Zij ste-
ken in zee. Staken. Een lichaam, waar-
van ze liever een ziel maken: om
beurten en om strijd met het scheepszeil
staat het krom, staat het recht. Naai hen. Hun
draderige noodlot gekruist met
het potlood. Het tekent hen, rechtop
of gekromd dansend op vloeibare
manen, een uitnodigend schootruim
in ondergaand of steil tegen hoorns,
hectische degenkruisers, opko-
mend af als silhouetten bij nacht.
Ze zijn dood. Ze zijn al kind, en nog
altijd overleden. Verlede-
nen, komt ons toch toe! Die op u wach-
ten waar land drijft, een ovaal in een
grenzeloos vlak. Dat wij uw vlees o-
verleven, uw rechtmatige lucht
drinken, vergeldt uw als ons geeste-
lijk nageslacht verschijnen, daarginds
reeds etend van zuurstof die ons toe-
kwam, die zon brengen zou. Isola
Dulcamara! Verschijn. Zoet Dode-
Zeewater; rivierwater-bitter.
Verbeelde die afdaalt uit de Al-
pen, voyeur, driftig verstrengelden
in hun tent uit het hoofd dromend. Zijn
parthenogenetische bore-
lingen wachten hem op. Zijn ze niet
beeldig, die slechts bergbeken laven
en kleden, half binnen hen en half
om hen heen? Beelden, en zieners, als
hij; want niet minder uit de maagd van
de geest is hij geschapen dan zij.
Derde personen die zich krachtens
de adem uit elkaar als uit lams-
vlies ontvouwen, en toch blijken ze
eender, naargelang van de huigstand.
Daarom staan er achter hen: twee ou-
ders met zoon, vader en tweeling, twee
zoons met hun moeder… Een complot, een
Familiengeschichte, een plot…
Driftig verbeeldt hij zich hun spel: hoe
de rust erna verraadt hoe hun bei-
der blikken volstonden om herkend
te zijn. “Eén been van je bleef wel on-
der de tafel, maar één wees in mijn
richting, en je ogen verlieten
dikwijls je koffie om de mijne
te vinden. Waarom kijk je me aan?
Zoek je de bodem der herkenning,
het laatste, dat niet weet dat wij we-
ten? Alles is weten: dat voor zui-
verheid niets doorgaat dan wetenschap.
Wees dan puur, die mij volgt, weg uit het
smoezelige eethuis de rede
langs. Ik ken je besef voor te gaan
zelfs als je me volgt, naar het veer toe,
en ‘volg’ je aan boord, waar we –het duurt
niet meer lang– kunnen, waar HEREN staat.”
Daarom zeef, industrie, levens ont-
beerlijke bestanddelen weg uit
haar. Serum in zeeboezems voltooit
het. Vergas, chaos, waar modder en
as mee verzoenen! Drijven gronden
op waters, op de aarde de zee?
Vaartuigen, vis, en als een dobber
het lichaam dat abluties verricht,
kristal op zijn voorhuidloze an-
ker— met hen dele het vasteland
het geluk van de drift. Pekel haar,
pekelharing! Kijk, ze ontrolt ri-
vieren en bergstromen als lopers
van suikerwater over de rots—
Tijd voor de vlottende gevaarten
der eilanden, en tijd dat er ie-
der schip overvaringsgevaar dreigt
van een klip, archipels slaags raken
en ik Corsica zie cruisen te
midden der Cycladen… Verborgen
is hij thuis waar zulks kan, wacht op de
andere die zou zijn verrezen,
of zei dat er niemand was dan hij:
‘Er is geen iemand dan ik. Ik ben
alleen. Er is niemand. Het pati-
bulum; ik. Niemand bedient het. Als
er een pijl is, hij wijst weg van me,
komt bij me terecht. Voor de spiegel
ga ik staan en ik zeg: “Dit is mijn
voorschijn” en mijn beeld gaat er achter
staan: “Dit is mijn afschijn”. Als ik vraag
wie dat is, niemand, verwacht ik van
niemand een antwoord; als ik antwoord
dat ik het ben, vertroost me dat niet.’
(‘Spreken doet niemand dan ikzelf. Zo-
als ik spreekt trouwens niemand dan ik.’)
Vel, met een waardevrij, wetenschap-
pelijk woord bedek ik je naaktheid;
geloof dat er godheid praat door je
openingen ontveins ik; ik koes-
ter geen hoop na wat lijden dood in
een doek te liggen, nog minder te—
maar je stoppels en pukkels lezen
als braille vaardig ontraadselen-
de vingers en zweet dat uitbreekt in
okselholte en handpalm versnijdt
rauwe urine en exege-
tische nagels boodschappend bloed van
je: het bloedspoor der nagels juist op
de plek waar enkels en polsen uit
je omwikkelde bleken, beken
van wei en stolsel apart voor het
scheikundige lakmoes, kiemen ver-
gaarbaar uit waar de pij is geplooid.
Pluis uit de Oudheid in de verkors-
te bescheiden, houtgruis waar brosse
punten op afknappen, en op vorm-
schone huid het merk van een wrat pos-
tuleer ik, en weef betoog om zijn
oogpunten, een ellips om haar spil-
len. “Heten wij daardoor, kruiser, mam-
malia, dat zij knechts van u hui
aanreikt uit on-bezoedelde schoot?
Als uw slaapjes smeken we: vorm haar
buigzame bekkenbeenderen om
tot een huif van troost om ons spel. Met
elastische stelten slaan we een
tent op in deze rotsen, we wer-
pen de tentankers uit als hengels
in zee: een nest voor ons ‘Kruisig me!’,
dat gefluisterd genot verschaft aan
ons driewerf wervende ogenpaar.”
Holografische obi’s spar, eu-
calyptus, kurkeik, kastanje, die
het mystieke gesteente wikkel
na wikkel aflegt. Injectienaal-
den, hulstige klauwen, egelvel-
schaamlapjes met lancetten rondom
haalt het uit lijven die zich in moe-
derlijk steen te argeloos drukten,
Pompeii’s puimholten achterna.
En zichzelf en hen ook ontkledend
ontstijgt het de boomgrens. Hoort de met
zilverlinten zoetwater doorre-
gen venen • teder dreunen, waar
ochtendschimmels hun lokroep doorheen
hinniken. Zonnedauw die met hand-
jes van vilt naar tepel en lid grijpt,
staat er in grassen die het voorlo-
pige spoor van badstof in vlees met
hun groen overdrukken. Nevels ver-
heffen zich van de slapende rom-
pen. Het vuur van het lichtschip aarde
ontwarend stevenen schippers naar
hun bolvormige haven. Op naar
het blauwe doelwit dat drijft in het
oogwit! Met stofwisselende, reeuw-
se papillen vlak langs de iris,
of rakelings af op glottis en
huig schampend met besliste pupil.
‘Wij zijn één in dit eiland, vreemde,
bezoeker. Leg je hier aan met je
buitenboordboot of zeilplank? Zet een
ontblote voet op de zemelen,
het zeem hier: ons lichaam. Eiland als
wij word je: de gezant die geknield
aanmeerders welkom heet, en een twee-
de sandaalriem losknoopt ten teken.
Het ei, in zijn schaal geklutst. Om het
holbewonende holle graniet
borrelt het: voedsel voor het vernuf-
tige kuiken, gaaf in zijn web. De
gletsjers vergeten onder de zoom
Levantijnse doorns der oase.
Ook god die een ui gewiekst uit zijn
oksel schudt, als een gaarkok uit schep-
pend concaafs van zijn lichaam daimoons,
en kijkt hoe halfgoden plenzen in
de hen fruitende olie. Zet op
hun groene lijf een Medusische
haardos. Hun opengespalkte o-
gen verschalken vis. Er breekt boven
ze licht als een ruit in kwartsklontjes
rietsuiker, en zij graaien naar huid,
achter vloeibare raat-patronen
gevangen. On-onderscheidbaarhe-
den van aarde en water brengen
hun milde buiken sympathisch aan
het trillen. Waar palmloof schaduwt, her-
inneren ze zich rots: gepolijst
zwemt die, en stroomlijnt zich in het zog
van het nijlpaard. Ijswater wijkt plots
voor een warmere kolk; de sluitspier
ontspant zich; billen gaan open als
zich verplaatsende kokkels: schiet hen
te binnen, lid van het zinsverband!
“Naast eierschaal-kruimels ook nog wat
zout leg je op je koffie. ‘Verzacht’,
zeg je ‘het bittere’. Konden wij
maar ons vlees met dooier bestrijken,
kwistig met eierschaal als vertwij-
felde kuikens liefst celadon zijn,
of badend in zee het leed van ons
aflouteren en -spoelen met zout!”
Naked Kombat
Naked Kombat
“maar voor ons in het Westen blijven
het”
(zegt aangrijpend het nieuwsanker)
“toch hal-
lu-
ci-
nante
beelden”
als,
aangeslagen, miljoenen Jong-il
dragen
– niet wij zijn immers als
zij,
niet zo buiten
westen geslagen
als per vier telkens één napalm-ver-
suikerde verwant in MacArthur’s
War
zo ten grave
‘…om geen kamer-
breed kernbommentapijt, dat van Chi-
na’s moeder-beschaving ons zou schei-
den, te
Nooit!
hoeven verdragen’
In
zijn locker-room-kastje: laatste be-
schikkingen van de ex-aspirant-
brokkenpiloot voor hij met Concor-
de en al ontplofte in Locker-
bie:
‘Alleen door de blote handen
van broeders
wil
– maar niet mijn wil maar
Uw wil geschiede! –
– niet door blote
van rokken –
ik mijn lijkvlees gewas-
sen
plat in het graf
(na im Lokal,
in ’t maqhâ vlug nog van Hamburg een
koffeïnevrij vers HAG-bakje
mokka)
in de richting van Mekka.
M’hammed Attâ.’
Om zich voor de bloed-
rode loper bernbommen tijdig
te beschermen volstaat het hallu-
cinaties, plastisch tot land art in-
stallaties verbeeld, op manshoogte
op te werpen in Taraboulous.
Dat wíst hij, die schreef:
‘Ik wil gekleed
als ik stierf, zonder gewassen te
zijn, in Sirte vergrond.
Hadden we,
Vrijen van de wereld!, het erf ver-
patst –
het stond vast dat ik nog leef,
maar
niet zó
– als ik zo sterf als ik schreef.’