Crux Nostratica VI: Mare Mediterraneum

MARE MEDITERRANEUM

Op het schip aan de mast geklonken
sirenes hebben ze aangelokt
zoals brandweersirenes blussers
de dood in jagen en panische
trompetgillen roffels oproepen,
schreeuwen tegen het tragische koor
orgel-registers en evenzeer
het genade-tutti bezweren,
bannen, begeren als op het schip
aan de mast geklonken sirenes.

‘Zulk aangelegd schip waarop jullie
voeren heeft ons veel grotere vaar-
tuig aangehaald. Innig vlijt het zijn
steven aan het staketsel-skelet;
pieren als tepels der te vaak zo-
gende sproeien branding zijn hete
boeg langs, tentakelen om wat beur-
telings op- en af wordt getakeld,
getuigd, en met nappen plukken ze
eendemossels vandaan van zijn flank.
Als het jong van de walvis zijn jul-
lie dartel, stranden hartstochtelijk
op ons lichaam van wiegend hardsteen:
de weg terug naar de nergens aan
grenzende binnenwand van de schoot
waar je spreken eindeloos echoot
gevonden, en niets meer hoort van het
overslaande, de reutel die stoort.
Ook dit eiland verlangt voor anker
te liggen, speurt naar het schiereiland,
het omvattende zeemeer nipt aan
de langszij liggende. Weet, die ons
betreden, dat al het tegenge-
stelde hier wordt verzoend en verzoond,
hier arriverenden van riva-
len vertoevers worden op eende-
re oevers en nooit en nooit op zijn
nevenboeler de boeler jaloers.
Nooit op zijn mededinger de ding-
er: het ding dat beiden verlangen
is juist het dingen in ze; om niets
wordt zozeer gedongen of iede-
re dinger verving voor iedere
mededinger allang het verlang-
de; zichzelf nog veel liever geven
als prijs die hoogste bedongen. Want
in de kring is geen ding aan zich, en
naar zich te dingen vervangt het niet.
Wees op het eiland der gelukza-
ligen welkom; rust er, en maak je
gereed te gelijker tijd, want de
toebereidselen hebben hun aan-
vang genomen.’

“Geen blad beweegt: bij
volkomen windstilte ritselt een
eucalyptus. Bemerk iets blauws op
een tak: getril van een vogelkeel,
een vink, die niet klinkt. Gekriep van de
kurkeiken die verschorsen: betrap
ze op bast die nooit gaver aansloot.
Weer dichte oogleden toveren
je een bergstroom voor: nevel, spatten;
geruisloos. Keerzij, vertolkt door de
onverstoorbaar kastanjes vreten-
de evers. Praat, val niet stil; eigen-
gereid als het woord is, wordt het niet
ingefluisterd door hen die voor ons
schaduw en schim zijn van onze scha-
duw en schim? Misschien inspireert het
hén, en nog raadselachtiger lip-
pen dan wij verroeren verroeren.
Wij zien in de dorpen grijsaards en
kinderen wier geprevel zowel
sprakeloos beeld is als geluid zon-
der oorsprong. Op een straathoek, een plein
zitten ze, gastheren en gidsen.”
Ontdek er geen bericht in als dit,
dat luid in je oplicht: het verschil-
de, het niet samen voorstelbare
van gezicht en muziek brengt het ge-
vaarte in beweging, als bliezen
het velijn van een broos wespennest
briezen op en balgen in ovens
het rijzende bladerdeeg. Een tong
legt discreet lippen ter zijde en
bevochtigt het leertje. Steek in zee
als die toon hersenvlies losweekt van
zijn beschermende been: boot, die de
rede hier verlaat der afwezig-
heid van rede, de ka afstoot der
kadeloze plek, onderneem de-
ze reis dan met medeneming bei-
der, die zelf niets bent dan rede en
ka! De tot afscheid in de haven
verzamelde verwanten wier hoop
lichaampjes wimpelt met een zakdoek
zijn opvarenden, cruisend gezel-
schap, bemanning aan boord: –vector, ver-
sleep steeds je vertrekpunt naarmate
je vordert, en wijs erop als doel–
:uit Tyrreens water terug naar hun
etymon varen de Etrusken;
Atlantisch in het Oosten bestaat
toekomst als herkomst, en het lot van
de schipper, dat zijn aankomst gepland
en uit is gestippeld op de zee-
kaart, maar nooit eerder ervaarbaar dan
als de wereld genoeg tijd heeft ge-
wonnen om te laten gebeuren
wat wordt, is plots opgeheven. “Blik
uit ooit hoog zwevende gondels die
het tapijt van de tijd uitrolt, en
vogel-perspectief waar sextanten
hun gegok tegenaan kaatsen, bil-
jarten— Oronaeus-projecties
hanteren we argeloos; Antarc-
tica— kwam Arctica ooit als ons
reisdoel in aanmerking, wij rondden
de kapen: wat we droomden, is waar:
Alles was omgekeerd. Ik weet het
nu. Liefelijke knik in de kust
van ‘Brazilië’: links, westelijk
lag hij van het oerwoud; en beide
tweeëiige eilanden die hier
voor de kust liggen te wachten op
aanmeer- of laadvergunning: weste-
lijk taxiede het lichte ‘Nihon’,
‘Albion’’s groen kwam na het ijs der
Noordoostelijke Route in zicht;
de ‘stille’, die links van ‘die van Atl’
lag, of rechts—, alles verruilde met
de magnetische pool ligging en
richting, en voor huidige vormen
rare, verdrongene. Geschapen
te worden is te worden geschept,
dringt tot ons door, zodat opeens aan
de oppervlakte komende, plots
verzinkende volkeren geschie-
den; cement, zavel en water wordt
met de troffel verroerd, spaden en
schoffels permuteren de akkers
en de Indische karnt schildpadge-
paddel, tot zijn schiereiland klit aan
de tonwand. Een bladzijde wordt om-
gedraaid. Freud zegt ons dat droomarbeid
onbekenbaar geheim toegeeft, ver-
vormd tot onherkenbaar eruitflapt
wat wake heeft weggemoffeld; Dunne
dat hij ooit komende, tegen zijn
wijzerzin naderende feiten
verhult in een verhaal: is de droom
beide? Eenvoudiger dan dit is
de waarheid niet, die éénmaal gevouwd
haar tegendeel insluit en ontvangt:
door haar drie zones geleidt ons het
katastrofische pad: ruime om-
zeiling van de lip van het tijdstip
houdt het holistisch, maar niet lang: on-
afwendbaar is de wende, en af
wendt ze ons schip van zijn natuurlij-
ke koers, en in een storm waar de gol-
ven zó sterk terugkrullen dat bran-
ding de flank zee waar ze op steunt on-
der zich oplost, vergaan allen, dat
is: de ammonietspiraal in van
het verleden gaan schip, zeelieden,
reders, passagiers; door dit ene,
dat schrift bij de rechterkantlijn aan-
vangt, naar links vordert, althans daarte-
gen aanleunt, linksaf slaat en verra-
felt op links. Overzicht redt ons, dat
de cursief weer centreert: openge-
vouwen portulanen beslaan pa-
radigmatisch dit druk afgereisd
oord, dit palimpsest van vergriffel-
de routes, dit logboek. De gezant

naarstig bijeengespiekte plannen
van wad, dat het verstervende lijf
plomp door het zand slepende clerus
in kaart bracht: onbetrouwbaar, vergeefs!”

Lenig van boord springen de matro-
zen, en schragen traagheid der scheepsmas-
sa fluks op hun schouders, zetten zich
schrap op hun hominide restant
die zijn vrijstaande duimteen boort in
het drijfzand, spannen hun lichaam als
een triremische spaan en laten
de boot te water, die havenwee
op stapel hield. (Later maken wan-
hopigen de kapseizende sloep
zwaarder waarin ze zich met een sprong
willen redden: bijkomend ballast
van de molensteen keldert sneller
wat toch zinkt.) Thans gaat de reis nog ho-
rizontaal naar haar doel: zodra hij
genoeg beweging gekregen heeft
beginnen de zeelui plots aan hun
aanloop, en hun gevleugelde voet
snelwandelt wonderlijk op het wa-
ter en neemt de horde der reling.
“Immers naar Oostland willen wij va-
ren! Naar Hellas, Pont, gelukzalig
Ionië! Boeien, lichtschepen,
archipels doen wij aan, die omring-
end land op ons afzendt; noordelijk
brokkelen per gigantische spalk
gletsjers hun ijs naar het concurre-
rende vlot en kelen het; hier ont-
moeten we afgezanten, en kaat-
sen met hoofse knik de gepraaiden
vaarwel, als met keus biljartballen
weg over het gerimpelde la-
ken der Middenzee. Pokloos, afge-
puimd schaven kielen als onderbui-
ken van ijzer de druk bevreeë-
ne öm en strijken zijn plooien glad.”

Een met holtes verluchte spons voor
wie bijziend loepen heeft bijgezet
en tot meerschuim gestolde branding,
een bril kunstmatige lenzen bo-
ven vlezen verkozen, netvliespro-
these het ingewikkelder web
lussen heeft voorgelegd als welk weef-
sel de zee verschenen is, blijkt een
anamorfose en topolo-
gisch vernuft onthult zich als spiegel:
zelfs zij die het meest blasé zijn, er-
varenst op het zeewaardigste schip
hun bezigheid waakzaam einders te
peilen naar wie vermetel naar hén
koerszet vergeten ze, en hun hoofd
overboord, hun kin op hun borstbeen
buigen ze schuchter en onderzoe-
ken het vlak. Een zwemmende zodi-
ak zien ze als schouwspel: uitspansel-
sterren die een vertrouwd firmament
meteorisch verlaten, komen
op reis de plots verzelfstandigde
metaforen der dieren tegen,
op één niveau, als het ware als
buren. Niet zelden is zulk omha-
loënd beest ook écht even gulzig
als toen het denkbeeldig teken was,
schuift het voor een nomadische ster
zijn balein-orgel open, zuigt ze
naar binnen. Dán zullen mijmeren-
de matrozen zich rollen dor per-
kament herinneren: rondreizen-
de windrozen weven samen het
touwtjesspel der projectie, waar groot
zeezoogdier-wild zich tussen vermeit,
of verstrikt een enkele Nereus.
Hun veiligheidsgordels aangesnoerd
stijgen in montgolfières van rots
laatste Guanches naar hun herin-
nerde thuisland; moa’s, hun oogwit
schoon, door hun Paaseilanders bere-
den, vertrekken nauwelijks later;
de bloesem-guirlande-tooi der ver-
zamelde Insulindes beweg-
wijzert luchtwegen; alle nade-
ren Nazca; zwevende ruimteve-
ren slaan gade hoe land en zee zo-
ömorf gevat zijn in netten, op
knooppunten liggen van orthote-
nische lijnen ‘ubi dragones’,
en gaan hun contouren na, wispel-
turig en van hun baan af als sui-
ker bespeurende bijen… Kaarten
waar twee dimensies zoëven nog
de prijsgunstigste route zichtbaar
en meetbaar maakten, ontvouwen op-
eens mét reliëf-perceptie be-
giftigde kapiteins tot een sfeer,
zetten historie der aardrijkskun-
dige oorden uit op de z-as,
verticaal op hun vlak, en trekken
krachtdadig wereld- na wereldlijn.
Hen verrukt het gracieuze balspel
der partjes aarde, die sluitend op
elkaar passen, snel van stelling ver-
wisselen in hun jacht op elkaar,
nét nog niet samenvallen want nét
niet ineen-, vervallen tot één, maar
blijven verschillen van het verschil
dat van schil tot schil astrolabi-
a maken in deeltjes aarde, a-
jourwerk-lagen in kogels ivoor.
Wimpels der vrolijke flottielje
als vliegerstrikjes houden elk schip
drijvende, recht en gyroscopisch
stabiel, die elke scheepsjongen han-
dig zet naar de wind en semafo-
ren op zin instelt en wuift naar zijn
kameraad en dolfijn: “Kom, onver-
getelijke bruinvis, en ruil je
element toch met mij! Telkens je
glimmend uit de golfkoppen schieten-
de voorhoofd bemerken naast de stam-
pende boeg (beeld van dat taaie on-
deraan, dat onbijtbare in mij),
het maakt geil. Dank zij voorzienigheid
die het smerende zilt giet om de
zuiger in het huis als ik warmloop
en weldra van de druk over— Be-
sta het op een scheepsdek te staan als
een man, sla de buitelingen ga-
de die ik sla in je plaats en ver-
ga in de ruisende extase
van pekel die je zegels verbreekt!”

Rijpe amforen slaat ze open
op oliën, op garum, op wijn,
in hun gas het genot voorwerpen
los waarvan de Brownse beweging
het ruim van de wereld tot het uit-
zet verhit: “thermodynamische
werkingen maken dat de zeeke-
tel overziedt, en Thira, en grijs
Kriti, en vaarland als het onze
wordt achteloos getild naar beloofd
Eretz, door de ondergaande zon
vermiljoen aangekleurd; naderen
weliswaar, maar niet zien: drempel van
aarde waar we hals over kop o-
ver heen komen tuimelen; geberg-
te, woestijn werpen zich op tegen
onze ramkoers, ons vlot schiet door de
bressen naar de hete depressie
aan het eind der Jordaan: bromtol die
even op zijn spil als het ware
tot stilstand komt, ware pirami-
de die ijl, topzwaar van steunpunt naar
steunpunt komt steltlopen, te struike-
len, valt over door gemzen kriskras
afgespurt kwarts en in de zoutzee
vooroverploft: het spon in het tap-
gat, dat alles verzoent. Zwijgzaam als
plasma der vereende materie
en mooi als een zeepbellenspel bel-
len van glas plooiend, steeds minder e-
lastisch als alles dat verhardt en
terugkeert in zijn vroegere staat:
rots, die de eros der erosie
poreus maakt voor de talkroos. Die bloeit.
Exotische zouten slaan hier neer
in de reet, billen in spreidzit op
een sporadische baar likken ze
schoon en de linguïstische rasp der
Van-kat bevrijdt het te besnijde-
ne; eindelijk berust in zijn rust
geest van de zwerfsteen; om dit ketel-
dal rijzen horizonten van gleis-
werk op, en de dichtgeknepen oog-
leden zien hemelsblauw breken tot
een kristal, craquelé uitwegen
banen in de badkamer-tegels
der natuur, en een zwart zonlicht de
ingekeerde iris bevloeien
met stroompjes essentie van de kleur.
Dode Zee, zijn wij, geworden.” •

Geef een reactie

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log Out / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log Out / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log Out / Bijwerken )

Verbinden met %s

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.