Crux Nostratica VIII: Karmel

Karmel

KARMEL

Koop pompelmoezen aan de voet van
de Karmel, want als voedsel volstaat
fruit voor de pelgrim die de rots wil
beklimmen. In dit heilige land
bij vruchten-verkopers in Ara-
bische shtetls. Lederen schillen die
bij een druk van de duim wijken voor
bitterzoet, als voorverpakt vruchtvlees
en de dorstige mond zet zijn paar
lippen aan een tros van plantaardi-
ge lippen die opwelt uit de bol-
ster. …hoe meer maantjes er opgege-
ten worden, hoe bodemlozer ie-
dere vrucht blijkt en hoe verder van
je de heuveltop ligt, wijkt als een
luchtspiegeling, nooit te bereiken,
hoe begeriger dorst-honger de
maag in je doorboort als bij Dana-
ë, slibbiger vlees wordt en hoe sprok-
ker skelet, bleker het haar van de
blanke, hoe sneller zich nog sneller
dan dát vermenigvuldigend fruit
weggeschrokt, restloos wordt verorberd,
hoe minder deze stilling verlang-
en tenietdoet maar juist lafenis
zélf van de begeerte vernietigt
en afschaft, van leniging der pij-
nen geneest, heelt wat je littekent…

Afdalend, Benjamin, je vijgen
verzwelgen in je Griekenland! Wij
lucht waarin fijngemalen stekels
van cactusvruchten zweven als spray.
De wolkstof in kubusvorm, elk hoek-
punt een leeg slakkehuis, ademen
deze longen tot gruis. Stoot op een
schoongevreten muilezel-achter-
lijf. Waren de leeuwen van Lubnân
je al voor? Komen niet vaker dan
de Tasmanische voor, hier even
zeldzaam als het spoorloze roofbui-
deldier daar. Als een maan, ja, als een
reddeloos tot hemelkei samen-
getrokken gesternte hier terecht
ben je, berg, kaal. Onverbergbare
schedelplek. Buil in het met etter
doorsijpelde ceton van een hoofd.
Goden op zonnestelsel-grootte
hanteerden hier een reuze-tondeu-
ze en schoren je bloot. Nooit heeft het
aan de metaforen ontbroken
om ready-made oorden onderweg
aan hun zin, brokken gefundenes
Fressen te helpen aan hun functie:
hoe meer er van natuurlijk beton
sprake is, pek dat het kerami-
sche magma aan zijn oppervlak stoot,
hoe vaker van knoken die door kle-
ren van vilt heenpuilen, -poken, hoe
onweerstaanbaarder dringt taal tot je
door die daarmee strokende dingen
aantreft, hoe werkelijker dagboek-
beschrijvingen ontstaan uit een soort
heuvel, hoe verder deze heuvel-
top afwijkt van het woord dat je treft
en spiegelt zoals van de Woestij-
ne Zoals bij zich te hebben van
de Woestijne’s zoals bij zich te
hebben in de rugzak zoals van
de woestijn een zoals bij zich te
hebben in de rugzak zoals een
woestijn in de zak te hebben bij
zich hoe meer wijkt deze heuvel voor
de obool van de munt kraakbeen die
prijkt op de verhevenste plek van
het hoofd als een ingeschoven hos-
tie en blijft strak op de discus ge-
richt als de hoofdkruin wordt ontbloot en
het bovenlijf en kijkt met dit oog
dicht en eruitziet uit dit kijken-
de oog alsof er één enkel oog
slechts toe wordt geleken dat dit één
enkel oog toe wordt geloken en
voor geen veelvoud aan blik oogt maar voor
één die het heeft zon-overgoten –
nooit heeft het jou aan metaforen
ontbroken – met geen passender woord
zon-overgoten heeft dan zon-o-
vergoten met geen woord op dit god-
vergetenste oord dan godverge-
ten gehoord nooit meer vergeten en
op dit oord nooit door god méér met een
woord dan godvergeten vergeten—
de woestijn in. Shaytán! Nodig, hier
weergekeerd, de vastende uit op
je feest. Een granaatappel met sier-
lijk gebaar bood hem een havelo-
ze Druzenknaap, schrijlings op een schijf-
cactus. Biedt! Waar op de plotseling
onherbergzame berg wonen zij?
Burcht, paradoksale al-borz, waar-
op hun tentenkamp stond. Laat hem voor-
bijgaan, voor toekomstige dorst, de-
ze kelk, deze melkweg op zijn borst-
veld, aan zich. Niet met hem mee zijn ver-
heerlijkt, verdwenen in zijn kruinscha-
duw, vaderlijke ceder, omarmd.
Nacht van de meester die het wezen
verloren legt, het kwijte verlost.
Borg hem als borg op, dat ooit geda-
ne belofte ingelost worde,
onlesbare dorst gelest, onver-
zadigbare begeerte geblust.
De gedaante des heren kies je,
bekoorder, toonde je eigendom-
men, waar arbeid en ijver heersen
zolang. Zo lang! De gedaante van
de boze verkoos je, heer, en de
geest stel je op de proef van de geest.
Dadelijk zul je het paradijs
mee betreden! Tinnen des tempels,
die vergaan zal. Voorbarig heilig:
gevaarlijkst wapen. Geen kans voor: pas
deze vrees is hovaardig. Wees maar
het stof, waartoe je terugkeert; en
keer telkens terug: je bént immers
stof. Behalve je appelgranaat,
argeloos toegestoken, je rech-
ter, je linker, welke te kiezen
kerel, gereikt, en aan juist welke
te delen in bewind, heerschappij!
Toen al zijn boodschapper?, terug-in-
carnerend van de eeuwigheid uit
in tijden dat hij de aarde be-
wandelde of de zee van het zeil
uit dat de Middellandse bevoer,
van het uitkijk-eiland …wenn schon nicht
arm ist an Männern dieses bescheid-
ne, an allernährender Sonne
und schön ja auch da der Genius
reift… Dit is de verzoening met vlees
van je lippen, tot bloedens toe, in
de vrucht verscholen, geboden. Met
je geopende flank vol voedza-
me raten. Handen tekort om zulk
proviand te vergaren. Soepe-
le vingers duiken als luchtwortels
in je ingewand. Zeg het: hij is
verrezen! Lichten er wafels uit,
met broze computer-kaarten er-
varen en met de snaren der harp
vlug, vingervaardig. De hygië-
ne der hand die heelt in de wonde.
Gaas bet de etter af of van dui-
men en pinken tongen de honing;
de roeden de vol-gesnoten con-
domen uit hun concaaf complement.
Hoe verder jij afligt, engel des
kwaads, met je vereenzelvigde god,
des te verbiddelijker je bood-
schap verdwaalden klinkt in de oren.
Werkwoord als schijnen, het onvervoeg-
bare zou zoëven nog, amper
vervoeg je nog lijken, ogen, er-
uitzien van het verblindende stem-
pel en zegel, of blijken blijkt als
het ware. Droom me je dromen voor,
Levantijnse druïde, geest van
de duindoorn, ergens in Elders ver-
blijf je, verstopt in een topolo-
gische lus der waarheid, en kijkt op
dit dwalen toe. Kom je? Nodigt de
werkelijkheid je uit nog eens vlees
te bewonen, al baart een slordig
bevruchte draagster je dood of al
penetreert je begeerte vlees van
mongools vergisten en klonen? Niet-
temin deze kroon van doornen? Ver-
warring in de materie, een stuk
twintigste, eenentwintigste bij-
na, althans voor ons, willekeuri-
ge volgorde. Wereld. Waar je maar
trek in hebt. Jullie heimwee naar ons,
hemelse zonen, kun je niet eeu-
wig verdringen. Aarding naar aarding.
Daar, op het bergpad, in een bazalt-
schilfer-wolk verschijnen, of daar in
de zwerver zijn handpalm steken als
stekel of in de zwerver zijn han-
den en voeten als wond verschijnen,
als ruime sleuf in zijn zijde, die
hij met aloë-edik dichten
moet. Rand hem aan, Elohim, met de
dolk der ontgoocheling. Deze spie-
gel kan nooit je liefde weerkaatsen.
Bewaarheid jezelf als pijn in een
lichaam, dat enkel pijn-aan-het-li-
chaam van jullie belichaamt. Wraak op
dit lichaam, lust aan dit lichaam en
een vertederd verplegen kust op
dit lichaam vers hematoom na he-
matoom dat het aanbracht. Levend te
branden in hun atomen. In hem!
Thermodynamica van het jui-
chend omzwermde lichaam dat doorsmelt
en in geisers van sperma opgaat,
spontane gulpen van zaad die de
centrifuge des geestes perst uit
de stof als bloed uit de spieren, en
in dromen van vrij bewustzijn dat
zich is, en overál. Van. Bewust.

Wijn uit het kentervat. Door het eelt
van je blote zolen gekneed, voor
hitte der keien waar je op stap-
te immuun geworden. Te worden.
Bewandeld als water. Platboomde
schuit op me. Van je platvoet de zool.
Hiel van je welvende, atleti-
sche voet en van je kajak de kiel.
Los! Je Kinnéret is dichtbij. Van
de top af is het zichtbaar. Waarom
berijd je het zaagblad der agaaf?
In de schaar zittend van open-ge-
sperde nijlkrokodil-kaken, die
Salomon bezorgde – ‘Men hakke
het in tweeën’ – verwek— – keel van de
reuze-hagedis die je vrucht draagt,
restant van je eerdere probeer-
sels – verwek broed dat bij honderden
ontstaat in het oeverzand, en één
enkel ei brengt het uiteindelijk
tot iets menselijks… Slaat dán je ver-
langen niet in wanhoop om? Munt uit
dit verzengd worden ik: uit in het
uitspansel gewichtloze vleugels
maar jij in je lichamen te plet-
ter, want neer. Komt er ooit meerwaarde
voort uit die ruilhandel, die niet meer
belegd wordt, maar als winst-dividend
uitgekeerd één wordt met de vennoot?
Een waarde die ontsnapt aan de eeu-
wige geldkringloop, taal uit geldig-
heid optillende taal en uit tol
die voor taal is betaald. Voor de ge-
vederde slang al te brutaal, de
pterodactyle met de kop als
een dorsvlegel in tweeën geknakt,
al te misprijzend voor de Quetzal-
coatlus met de wimpers van boom-
wol. Zijig als voelhorens van nacht-
vlinders sla jij ze naar mij op en
even zedig weer neer. Zei je niet:
zalig de onvruchtbaren, zalig
de lijven die niet hebben gebaard,
of je zei: zalig de borsten die
niet gezoogd hebben? Steeds schreef er je
flora topologische rijkdom
van de plant op het lijf. Schrijverken,
phasma! Dat haar wiskunde nú als
een tweede natuur in je terug-
keert en peurt merg uit de bladnerf die
blijft na het sterven van het bladmerg.
Volkomen rizomatische mens,
bed waar een heksenkring uit opschoot
van christelijke mythen. Gegrin-
nikt wordt later, maar ooit leefde de
weggewuifde vogel-verschrikker,
verhakkeld verhangen in het prik-
keldraad. Nooit maakt iets nog goed… Een ver-
toning van negenoog-furunkels,
een dagpauwoge-ogen-behang
vult deze holte met zijn floers; een
juweel dat is bezet met een tros
karbonkels, een sterrenhoop bij klaar-
lichte dag. Zalig de roeden die
niet verwekt hebben. Schrijf uitspraken
neer in dit ontvankelijk logboek:
zalig de zoglozen, de lippen
die niet hebben gezogen. Het vers
spreek tot de berg die niet beklommen
is: val! en tot de heuvel: bedek
ons! Tweeërlei melos de formu-
les. De burg Karmel!, de pekelzee.
Daarom Druzenknaap, kom, bliksem te
voorschijn uit je cactus, en slinger
je granaat naar ons blank niets dat toe-
ristisch het Semitische taalge-
bied aandeed. Ontplof met ons! Ik ben
die ik ben. Brandende braamstruik waar-
uit zijn stem komt. De taal luttele
voornaamwoorden, spraakklank na spraakklank.
Omschouder me. Welke filoso-
fische club stuurt je, bevrijder? Geen
vader, verwijder deze kelk op
de lippen die nooit dronken. Zo snel
ga je in hitte op, meteen met
de oorsprong der sekonde vertrouwd
als geen, dat ontelbaren de tun-
nel van tijd uit willen, drummen om
in het heetst van de strijd kiemcel te
worden in de proefbuis. Doorseks dit
oord met je offer. Het gesterf van
je zaadloze, besneden geslacht
nodigt ze uit in elke kuch der
bevruchtbare eunuchen. Ik ruik,
Fenicië, braadjus, waar de pen
in gedoopt hartig mee schrijven kan.
Die niet weet wat hij schrijft. Vader, ver-
geef me die niet weet wat ik doe. Wat
niet bewust is, het woord onderbe-
wuste, onvergeeflijk. Maar wél door
het boven-bewuste, dat wij der-
ven. Door jou, super-geleidende
biljarter met deeltjes naar de zwaar-
tekracht-bron. Mateloos dichter bij
het begin van het woord. Leer me dat.
Mee, kamikazé, met het falen-
de, vergeeflijke ik. Niets wat aan-
wijsbaar is of aanwijst draagt schuld. Maar
wel vrucht als de appel in het kui-
se prieel. Roedeloos, redeloos;
schedeloos, schuldeloos. Vandaag nog,
vandaag nog tatoeëerde de pijl
inslaand en zinkend in de tepel-
en druppelvormen, heer, van je vlees,
leesbaar voor tongen op het grofkor-
relig laken. Zul je met mij zijn,
vandaag nog, vandaag nog? Duistere
lokking der vegetale begeer-
te, als slang in de boom der kennis
te huizen. Pijlen ontspruiten je
op de borst, Sebastiaan, als aardap-
pel-scheuten. Peilende speer die uit
je schede een stroom van plasma put.
Zegen de fotograaf, de soldaat,
quasar! Het prikkeldraad dat deskun-
dige kwellers stekel na stekel
in het gapende aarsgat voeren,
hun zaagblad vet van je pezerik.
Om de worm die de appel uitvreet,
de klokhuis-delvende appelboor.
Vergeef het ze vader. Angstzweet in
ondergoed spoort tot grotere vlijt,
plenging van bloedwei hun exege-
tische neuzen aan tot nog weerga-
lozer prestaties. Een imita-
tio, heer, Shaytán, om het even
dewelke, maar iets nabootsbaars dat
meesleept. Als je de schepper bent, sla
de beker vergift dan af, waarom
spuug je deze ondrinkbare dronk
edik niet uit, en wanneer sommeer
je een heerschaar luchtlandingstroepen?
Heden met mij in het paradijs.
Gij zult God zijn. Moebius-ethos
dat meesleept van goed naar kwaad en te-
rug. Enkel de antropische troost
blijft ons over: wiskundig even-
wicht treft het afdoend verklaarbare.
Op het nippertje, net! Er was eer-
der niéts. Om dit, om dit naadloze,
dit uit één stuk geweven over-
kleed. Zelfs de zoom van het zweetdoek niet
dat je lichaam bedekt heeft, waag ik
te kussen. Zalf ons! In olie van
olijven gedrenkt satijn is je
huid; is het op de schoonheid dat ík
slaafs moet de schaaf zetten en er vlies-
je na vliesje afvillen, slaafs de
rasp op de japen in je gemar-
telde vlees, en slaafs met een vijl je
geschonken, bewerkte lichaam ver-
effenen? Die niet weet wat ik doe.
De gijzelaars-kelder-wanden waar
schaduwen het verhaal der tortuur
duister op konddoen, die de geluk-
kigen buiten even vernemen.
Verder dan schimmenspel moet je kij-
ken: een vindbaar voorwerp van kijken
bevindt zich daar: iets dat pijn heeft, be-
gint te fluoresceren van pijn!
Op de beeldplaat, aantrefbaar. Richt er
een fijne optische vezel voor
endoscopisch gebruik naar, tast in-
frarood-gevoelig naar leven en
schiet! Door de opengeslagen kel-
derval stroomt de aflossing. Öm is
het, Ö is het. Nu of nooit, van de
werkelijkheid vervreemde fanto-
men, betast, en wordt tastbaar! Klok van
bamboe dat groeit door het stervende:
de organische tijd, die niét in
discrete stukjes uiteenvalt. Als
de spanning der huid plots wijkt aan de
oppervlakte voor druk van de steel
boort iets plantaardigs zich in de maag
of het hart. Zoom in op het einde.
Een gouden serpent verschijnt in de
vouwen van je djellába en deelt
appels van goud uit aan het publiek.
Hesperide, af van je hieuw de
spa van de engel de demiurg
ten gerieve aanstoot: je tongspleet,
je taal. In het zweet des aanschijns te
zwoegen had helemaal niet gehoefd
dus. Een druk op de knop, een klop op
de nagel. Scheurende voorhang van
het te heilige. Zwaard der wrake.
De voorhuid valt op de tempelvloer.
Niemand verdraagt niet dat wordt verlost
wat bestond, bestond… Het verlangen
volstaat om terug te keren, maar
niemand om het te smoren. Bevrijdt
juist het gnostisch dilemma lijdend
te leven, lijdend te sterven van
dit dilemma, of knecht het? Maagden
of moeders meldt het programma om
je kop te verpletten. Elektri-
seermachines bedienen de ma’s,
pa’s de ommoffelde goedendags.
Ieder uur vertrekt er een bombus.
Stap je in of verzuim je…? Allen
–gods gekken– rekken de overgang.
Je verwikkeling neigt tot duur. De
bedoeling lijkt het wel werkelijk-
heid gaande te houden, tred met de
opzettende dementie een uur
troost in de wetenschap, in haar ap-
proximatie. Kaf te vergaren,
stof uit het kleed en als bewijskrach-
tig symptoom verblinding door splinters
of balken veeleer, in netvlies dat
zag hoe je je ontlastte en zeek.
Vlijtig naar vochtsporen gezocht is
er, bloed dat je verscheiden, verkorst
zaad dat genot dat je beleefd hebt
bewijzen kon. Per lopende me-
ter, worp van een dobbelsteen, bij op-
bod, voor grof geld bij de uitdragers
in de weezoete sjoeks, veil als ti-
lism in relikwie-shops, verkocht! Wat
je gesproken hebt: ‘ism: shot van de
ene hypodermische boodschap,
textuur in de schriften die verschij-
nen. Het boek. Vertewee-graffiti:
het letterwoord ichthus, een gepijp-
te priaap. Mehdi, verbeiden je
in het springtuig die tijd wentelbaar
weten om de as van het heden:
de gezellen, –het wit gat van de
offeroven sluisden ze uit en
vuurzee na vuurzee de ecclesi-
a binnen–, hun vermetelste plan,
vrijende, zegen met beschermheer-
schap, vijand, deze deeltjesversnel-
ler die stukjes atoom sneller dan
ooit in de historie der deeltjes-
versnellers versnellen zal met mij-
len magneet, mijlen magnetische
velden die dolgedraaide deeltjes
beklemmen in hun vijs, een miljoen
tekens krankzinnig in hun dwangbuis
versnellen naar het punt waar hoe méér
versnelling zij krijgen een elek-
trozwak veld scheidbare samenvoegt
met onscheidbare —rust, geest, in je
cederwoud, je park na de kaalslag
der axia— elektrocute-
rende kracht, schielijke leptons door
het verzenuwde stuk kikkerbil
jagend plots met iels dat de schildklier
overkomt als elk vrij ion wordt
afgebroken één blijkt, hoe eerder
het super-symmetrische in zicht
komt, hoe meer kennis omtrent de na-
tuur van de zwaarte er vergaard wordt,
die iéts is en niet niets in het licht
waar is het evenwicht verbroken.
waarom hield het ooit op te verschij-
nen, en werd het —geslacht vlees van de
engel in de rozenstruik, spreek ons
nog toe, faisandeer nog in de zon,
“als een vuist hand wordt” in raadsels “een
vingerkoot nagelstaal” “een darm” in
gelijkenissen “worm” en voorwaar,
zoon van me— Grenzeloos en groen is
zijn kleed want uit ontelbare ro-
ze-twijgen gevlochten. Zijn te zeld-
zame lid bloost als een rozeknop.
Komt het bloot in dit brons, Griekser dan
bottelthee of jam van de blaadjes
schenkbaar is niets. Daarom bedenkt hij
er ons mee, die steeds zochten naar hem.
stof, waarom kitte het tezamen.
wat had het hier verloren. wat is
het hier. wat het elders dat de licht-
kegel schuwt. wáár zijn zij állen die
de aanwezigen hier immers zelfs
zélf zijn, en niet slechts de afwezi-
gen. citaat van lyriek zoekt je ge-
tergde intellect in articu-
lo mortis als twijfels het bekrui-
pen want niets bijbels’— Toereikendheid
van de taal naar je god staat niet meer
vast voor je. De streng van het woord is
aan géne kant doorgeknipt. De steun
aan de zin éénzijdig opgezegd.
Ginds vindt het opzet het verbond te
verraden zijn beginsel. hoe meer
deeltjes de woordwortels verlaten,
ontleed tot op het bot van de term—
de flessehals zuigt aan de van zorg
niet meer blauw stralende, steekt in hem
als hij duikt in het kit— brengt je a-
siel onder de domper ellende,
eeuwige ballingschap te worden
gesnoten in de kegel van blik—
lieveren wieken van me weg en
verkorenen te zijn aan je borst.
ik mis ze. verslikking door een keel
in het zijn: niets, sabakthani!, dan
luciferisch’!, tenzij —zwaartekracht
eerste van de etter-gels— stremming
der rivier die uit geest schept, te ver-
zanden komt in quark-löss van drift –in
het spinrag der laserpriemen– zon
op de rots, hoofden die openknal-
len, ei waaruit hersens in een stol-
lende brij wegvloeien, engelen
die hun balkje getoast brood in de
schedelschollen dopen —ach jachtlui-
paard! hier inheems, hier thuis, hùn daar, die
spelen met ideeën van dieren
als wij hier met opgezette par-
dels van pels, –even een windkat der
katten beproef ik in de wereld,
ik nood tot het bestaan een volmaakt
kleinood, dat doodt als overmand door
de regel die daar heerst– net als ons,
gen-technisch goochelend met hun erf-
stam, verschrikking moede de kop naast
de nét halsgebroken prooi in het
stof te leggen ontgaat ons en brood-
roof door aaseters. stiekem sleurt iets
het op kadaver het duister in,
als je werk is volbracht. de hij. want
geen hij dan hij is er. niemand dan…
geen hu illa hu, dan ö niet een
ö. zul je ons de naam van je god
eindelijk zeggen? dat hij geen naam
heeft, geen naamwoord zegt wat hij inhoudt
en een voornaamwoord amper. (wijs naar
het zenit.) smeden vereist zijn om
de reisvaardige rots een hoef aan
te meten. resten drievuldigheid
tot paren verdichten. alles wat
ooit is geopenbaard keert terug.
tweeling, van oudsher op de verbin-
tenis doelend, scheidt. het vaarwel, de
blindvliegers toegesproken. het spoor
van gedropte menhirs. de doornen
der sporen. de rafel lijnwaad, de
draad van Arimathea’s textiel
zijn kering en inslag. heen van, of
toe vliegen naar het simpele kleed
nachtvlinder-wimpers die je monteert
op de kikvors-vingers der blinden.
zulke verkering mag van je wor-
den verwacht, zulk hof, dat het orgel
der voetvingers maakt nu talloze
slurfjes als bij de keel van de zee-
anemoon aan je pols ontspruiten
en knopen teder de gulp open
van de mens. naar het anker, wolk, te
nieuwsgierig. zoek er niet lang naar, maar
als een hondesnuit vind het sluitstuk,
dat steeds beloofd was aan engelen.
hier tepletterslaand droomt de jongen
van vrede door van de ooftpluk, en
zijn schimmel, zijn ezel door van de
kribbe als hij de schokgolf in schuim
smoort van zijn donswolk aan gods onthul-
de agenda, heilsboodschap-steno,
jobstijding nederlands, dit barbaars
en onijdel voertuig nog even,
en valt dan ook zelf uit – dichter de
oorsprong van het getijd wordt bena-
derd, koning der schepping! blij heeft de
spraakkunst van dit stuk speelgoed gemaakt
val van de bijzin en geen balans-
bouw of mak verbuigt zich het metrum
jij die dit werktuig daarmee hebt uit-
gerust, draai de knop om die inleidt
tot stilte, de stilte inluidt. hoe
dichter bij het ontstaan van de tijd
wordt gekomen, hoe dichter, prins van
de tijd, de oorsprong der hadrons die
ons verbijsterde oog bewerkstel-
ligt beide: oord en verlangen te-
zamen te kennen, geen platitu-
de der drastisch opgaande golffunc-
tie daar, in de kern gebeurt het, wat
nimmermeer grensverleggend gekend
wordt wiskundigste taal vertroost zich
met waan nog even muziek te zijn
de gebeurtenis-einder vouwt er
als vilten vliegende-honde-vlerk
om dicht en het werkwoord worden ver-
liezen we uit de spraak als de drup
kwijl uit de mondhoek die met een zak-
doekje schoon gebet wordt van worden
verlosser gebed van woorden ver-
lost en van hun gewichtig geword:
diepte, bezwaring in ze, niet min-
der het werkwoord hangen verzucht door
horden gehangenen ontolo-
gisch bewijs dat sprake van hen was
en zij bij haar gratie —Zon, Perce-
val!— zolang er gedorst wordt door jou
en de krabnevel-spons wordt aange-
reikt, wordt je worden nog steeds en wordt
er geworden dat licht er zij en
je licht je licht aan jezelf liet ge-
worden het zij zo hetzij tot gra-
viton Sidney, wrik deze nagel
weer los uit mijn pols door zwaartekrachts
ruk naar het overlevende vlees
er is dorst die geen ‘zalig zalig’
zal laven, goddelijk hart! dat ook
aan de linkerkant hing, verschuift naar
het midden, neemt van de zonnevlecht
de plaats in, geslacht herovert zijn
evenwicht des te schorder de huig-
g wordt der zwijgenden en te lang-
zamer tijd, te krachtiger zwaarte
en het occipitale oog als
een dooier rolt van de schedelhel-
ling af geef ons de vrede geef ons
de vrede zalig de mondfriste
gemist sinds Het eiland! Knaap— tege-
moet kom je me, je kortere arm,
waar is de arm waarvoor ik gewaar-
schuwd was? Even lang. Gelukzalig.
Naamgenoot. Oom van me. Hoe de kleur
van je kleed te noemen. Een woord dat
ik zoeken moet wil je. Vind je je-
zelf niet, dat je je naam wilt van mij?

Geef een reactie

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log Out / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log Out / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log Out / Bijwerken )

Verbinden met %s

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.