Crux Nostratica X: Threnos, Rogoznica (Ad Crucem)
Ad Crucem
Kijk, aan de horizon de dikkop-
jes-dans der spermatozoa niét
jagend in ’t blauw ionosferi-
sche water, of van ’t pijlinktvis-volk
het even-geslachtelijk panie-
kend gevrij niét in het vleeskluwen
dat zijn sidderaal-gif pijlrogstaart-
stroomstoot aan elks schaduwmaat kwijt moet,
als de twaalfmijlsroe plots afknapt, als
krols getorsadeerd telefoonsnoer
zijn springveer ontspant en zich ontrolt
hangt de sneu knooploze navelstreng,
en weg schiet het ruimtestation weg
van de stang, hulpeloos bidsprinkhaan
door myriaden op vlees tukke ter-
mietrovers omsingeld | zo volgt hem
de patrijspoort en gaapt kwalvormig
reuzenrad na reuzenrad na dat
doorzichtig en buigzaam voor de roe-
de, op haast tachtig mijl afstand, voor-
bijvliegt of achter, dat per regel
van drie op anderhalve of één
mijl kan hun doormeter begroot, in
hun vogel-element niet in Flat-
land van ’s mensen vervoer dwarrelen
suizen oogverblindend plots oplich-
tend duizend voor ons, aan geosta-
tische baan gestationeel steeds ge-
zwollener kaasbolvorm geklonken |
Hoe zeer ik je celest eskadron
wou zien verschijnen uit het zeldza-
me groén licht aan de horizon, vre-
dig speels technologisch je triomf
infernaal vagevuur-smaldeel uit
onbekend element meta-me-
taal gemaakt o elementalen!
Vanop deze schedeldakstoel ka-
le (bij dag!) berg, tot er horizon-
taal platboomd door de lucht raast oorver-
dovend de geluidsmuur doorbrekend
als een schicht op de buik achter het
Technion vandaan en te voorschijn
gekropen gebliksemd het geweld
van Tsahal Mogen je tuigvliegen
Heer van de horzels van het Heer van
de joden en jodinnen geduimd
wordt van ’t balkon hun pandemoni-
um pantheon en zegent je vlucht
o één volk en één taal godsdienst en
Nazi één cultuur en één ras o
één godsras het joddelijke ras
door de Groot-Jood door de JodGod jo-
goïm gojoïm molochoïm
gezegende gejoochemd joechei
goochemerd uitverkoren Ras! der
chihuahua’s pekinezen chowchows
sint-bernards- en schaapsvachtherders Deutsch-
lands vooral duidbaar als Dietsland zul-
len wij ’t Britse variant mankepoot-
Rüsseljack de honderd-en-één ge-
vilde Dalmatiërs en wreed van
zijn flapoorpaar ontdaan de Afghaan
keuze te over op de vlooien-
markt ’arD-u daarom joden jodin-
nen wié hebt gij uitverkoren spreek!
uit de wijd vuurspuwend openge-
spalkte berg van het heil sunhedron
sanhedrin jodinnen en joden
komt het zál wel Tsahal zíjn die de
boodschap der vermalen vermalen
vermalen vermalen maledij-
ding brengt Rot óp Filistijnen! Dit
is: je hondestronthol-rimmende
christenhonden rolt jullie matten
Van Karmel uw Thabor af o bar-
revoets heer grint in de kloven en
platypus lederachtig uitge-
zakt neger in de rots twee miljoen
jáár oud in strata onder lava
als zoolafdruk getuige te staan:
van hieruit de havenstad te zien
van Bahâ, ginds de Labânwitte
van Adôni en daar etnisch ge-
schoorsteenveegd Safeds synagoge
Waar Trismegiste! staat Megiddo’s
Beth-El die uit harmonisch gewelf
viel en van ’t zelfmoordterroristi-
sche Matsada unharmlos herme-
tisch tweehonderdkernkoppig de Hy-
dra, geen gel zalft de bekeppelden
in hun Meisterkapel Bustrophe-
don van het als Bustrophedon steeds
naar de linker- en weer rechterkant
buitelende vers in de strofe
en over naar linkeroevers Rot
gaat de boot Ginds komt met appeltjes
van Yaffa of Yaffo van je ne-
fas of fas stoomt an duæ Ripæ en
de Brabonische hand spuit op de
fruitmarkt wat de maker der Mense-
lijke Hartstochten snel opborg
in Horta’s paviljoen de Buboni-
sche plaag van het bloed waar een haram
zich voor schaamt Over naar linkerkants
waterrot wentelt zich de boodschap
der muskusrat der buidel der rat
Waar is de oever in de delta
der delta’s van Dajleh van Dajjâl
Tigris en Eufraat en van de Bij-
belse Maas en Schelde en Rijn en
de Waal en de Nijl van ’t meer der Vic-
torie naar Alexandriës kust
Amazones Punjâb de Kongo
bij Inga Mundalands levensa-
ders waar loopt, door geen zwarte driehoe-
ken-schaduw angstovervleugeld, de
rivier in hun delta’s linksvertakt
rechtsvertakt de syntactische Takt
slaat en er over moet naar meer Le-
bensraums Drüben Habrahams arba-
’a eufraseologisch Broto
Eufrasi Frase Ambrosia
het Hebreeuwse herbreeuwde reeuwse
erobert Rüber europa! naar
de crepusculaire ripa A-
ruba waar Atlantisch ya‘rûb
‘araba garaba naar magrib
naar Amenti’s Westen de rug van
Zeus op der rüberschwimmt op zijn stie-
renhoorns stauros neemt hij Tyrs dochter
en Bustrophedon de strijd der be-
schavingen met zijn hoeven verkar-
nend zwemt hij zijn strofe rechtsvertakt
linksvertakt als de god van het licht
westwaarts precessie der equino-
xen geschouderd Minos Ariadne
golven met hoefschoepen naar de oe-
vers van afstoot slaat hij tsunami
de wereld rondt ark der arken en
dierenriem in zijn aritmo-re-
me en vindt dat het ras der mensen
alleen verkoren is, uitgestor-
ven fossiel op een rest van Munda
maar troost is treurnis, tris Tristia
op het rechte stuk weg dat Laken
met Boom verbindt per ontstekingsmo-
torkaros, naar Duæ Ripæ, zeven-
tig uurmijl, helft van de rechterhand
vol zestiende-eeuwse spoken op
dool ook in de septentrionaal
stralende spookoeverstad op Mo-
dulor-maat gesneden nomade
Breedam van Breedam de hemisfe-
rische rechter zoemt de koetsier dit
van Breedam-Verdriet der roodhuid-ka-
nunniken voor, wier Ballad van Wound-
ed Knee in Roger De Neef en Con-
stance hun kunstgastvrije kapel
bidt voor de vrede, en het verdriet
van van Breedam Breedam de mens van
Breedam de breedademend ruimzie-
lige man van Breedam gestaag rijdt
de wagen het eindpunt nader de
horizon op het rechte stuk weg
en een stip wordt onmerkbaar één en-
kel voertuig zichtbaarder groeiend voor
zijn te sentimentele linker-
helft snedig handslaande rechter van
Breedam het enige dat zijn tuig
van de oever scheidde zijn koets van
de einder verwijderd doemt voor hem
op en op de scharlaken verhuis-
wagen-deur die hij inhaalt staat van
Breda, Breda leest hij kruist hem waar
van Breda waar het recht stuk weg van
Breda nu eindigt recht vóór het ach
recht voor het ontroerden-voerden het
weggevoerdenkamp Breendonk ontmoet
Breendonk toen wist ik dat ik was aan –
het kamp Breendonk aan was gekomen
de grap van de pisfles ach hoe ge-
lachen is om de grap van de pis-
ach in de nacht reeds toen we maar net
waren aan gekomen in Breendonk
Breendonk opeengepakt in een cel
met ons vijven zessen en ’s nachts ons
de aandrang te machtig drong naar een
plas die zich in elks blaas had verza-
meld te machtig werd greep geen vijven
of zessen één plots een fles en uit
zich de flesgroene hals op smekken-
de pisbuis vesica piscis der
lens van het pisoog dat in de nacht
als een katoog loenst en zijn dorst lest
ontlast hij zich lost hij pisplas na
pisplasstoot in het mosgroene gras
dat geen stijve om vijf of zes hem
of elk van ons die om beurten zich
aan de grasgroene mond der fles van
zijn dorst verlost zou verrassen en
de fles gaat van mond tot mond in de
rondte zodat elk blaast aan het glas
Breendonk o Breendonk voor de promo-
tie en klas de eerste der lessen
van het leven de doodsles: gas van
de oven suist uit de fles en al
heeft de kamer geen buis of las waar-
uit holo-caustisch het rasgas komt
gesuisd op het groene grasperk, het
rozenloze Rogoznica’s Groß-
Rosen’s in drieënnegentig aan-
gedaan kamp, mijn broer en mijn neef, het
regent, Historikerin im Ru-
hestand, toon wat rest van de oven
die resten van ons die resten en
overbleven en rotten verast
As is waarmee we, en geen Deo-
d’Orant, de niet opwindende stank
pellen, van rottend voor de aarsma-
den opgegeven vlees • uit tand-
kas, schoongeniesd neusgat of strijkt
het servet puik van de rechterhand
of de linker van goed kwaad of Jen-
seits de ambidextera manus
het restantje gevoeg weg dat de
zuignap-diafragma-torsade
der aars na de akkergift niet in-
blikte | flits gaat het wel neoko-
loniaal bij de bidsprinkhaankip Rie-
fenstahl staal Leica | en Laïka
in de baan van haar blik stikt op dat
ogenblik O leid naar het moeder-
schip of vader haar lijk groentjes-flot-
tielje en het settertje ook dat
door nierpijn geplaagd adolescen-
ten-geplaag niet onder schuiloord-buf-
fetkast vandaan kreeg | met elk onder-
deel opgemonterd re-combineert
experiment van je allicht nog
wat fauna voor Harmaggedons na-
dagen Lust nog een keer, goden, in
vlot geïncarneer : wie ontzegt je
de vreugde? | maar wij die in dit vlees
vooralsnog geilheid betrachten, en
straks elkaars staken estafette-
stok strak in beide handen gestrekt
strijken doods as over elks zweetgra-
ge poriën als vloeiende bloem
en niet het door nanotechnolo-
gisch vernuft subatomaire niet
meer traceerbaar vergift gistscheut-mor-
gellons dat het lichaam betovert
tot aardappel-luchtwortels uit vlees-
knol na -knol schieten en mensheid zich
als het duizendpoot-volk fluks op zijn
ledematen-overvloed voortrept
naar zijn eind als patat. Strijk met je
linkerhand je rechter van goed en
van kwaad in mijn liesmuskus je vlieg-
as mijn lief Maak het de schaamluizen
moeilijk die al te graag in ’t veld van
mijn kroeshaargewas huizen, en stroop
jij maar de voorhuid van mijn eikel
die beide vingervaardiger in-
talkt dan ik ben in staat ‘Nooit’ schrijft ge-
schrift van het historische ponti-
ficaat isti‘mâr-shayûniyân
‘hoeft het ras racend racisme be-
hoefte verklaard te of ontleed te
laat staan te worden ach laat het staan
analyseerd te ge- om werkzaam
te zijn ofte bestaan’ want in cir-
kels draaiende taal draait voor de o-
gen haar rad weg van het reuzenrad
onfortuinlijk bestaan | weg draaien
radgedraaide ogen o draai maar
taal ‘le racisme n’a besoin d’êt’
fondé’ weet je ‘pour être’ O Zijn!
‘compréhensible par tout le mon-
de, sans êt’ admis par tous: un axio-
me’ Juist, duid het niét! Op het failliet
van de taal wacht wat geschiedt niet om
te geschieden Ik ruik graag aan mijn
ballen maar De pik van die ande-
re vent stinkt… Als die tong walgt, als die
lippen zich voor ’t welkom-gesabbel
aan ’t vleeslapje schamen is er spra-
ke van ras Bijt in zijn kloten, denkt
elke pitbull en rijt lijfgeur aan
flarden, maar het hondenras zelf ruikt
zich kwispelend vrolijk aan hun sub-
liminaal aars-open taalgebruik
Snel trok de sabra van de pitta-
tent ’t luik dicht maar de ovenknecht zag
honger in hem die bij de Poort zijn
nog hiv-immune bloedtap versja-
chert ‘Kom met me mee want die dit bakt
is mijn oom’ Brood kleeft als koeienvla
tegen tumulus-hol kleigewrocht
zwaartekracht trotserend | de neef pelt
gaars van de ovenwand en deelt het
en eet dit is mijn lichaam | nog stroomt
vogellijm-manna niet of wijn uit
de tapkraan maar de wissel voltrekt
zich man in het mannenhuis te zijn;
geen El Al-vliegtuig vertrekt morgen
naar Halab maar vannacht zingt het ge-
sprek reeds van Habîb-î mijn lief op
de qânûn bij de thee, broers, in de
keten van Al Quds door ’t Gewapend
Betonnen Gordijn thans onherken-
baar gekloofd Ooit in de onderbuik
van An Duæ Ripæ heeft hun zoon
me zijn borst blootgelegd buik waarvan
bij de navel de huid trilt als een
trommelvlies en zoete amandel
onder lichtbruine pel lokt elke
vinger naar de schaduw ‘just be here
and wait for my mood’ is wat hij zingt
en zijn hart bloedt ‘Palestina!’ li
hâl-î en drinkt dit is mijn bloed en
Zalig de zachtmoedigen ’t Rijk
Gods zal hun toebehoren ’t Rijk van
de Mammon rukt de hand van elk stuk
pik dat stond aangerukt en met ed-
ging denial koppelt en kwelt het
terugslag van toom en haan aan zijn
zelfopwinding terug O de moed-
wil de Tantra der linker rechtshan-
dig om te slaan is geweld wie dit
niet begrijpt wie dit niét begrijpt dit
wil niét begrijpen en slavenjon-
gens bloedgeld voor klim der nep-Kunda-
lini wordt ieders linkerhand-duim
omgedraaid aangenaaid op de plaats
van de pink en dwarse rekruten
bij het polsgewricht Brabo na aan
de stomp een rechter weer aangezet
dat het richt dat het mikt en trekt het
geweer geschut mitrailleur en op
de kruisraket rijdt de ruiter on-
vruchtbaar als op zijn ijzeren ros
fietsfreem de vleesstaaf | die van kastan-
je-prostaat naar rijp aguacate-
smegma leidt zalf op de avoca-
donoot eikel | fietsfreem de vleesstaaf
vervangt in zijn • geslachtswortel
cyborg reeds androïede | leg aan
en schouder! zo wordt hij opgeleid
afgericht en zo richt hij zich op
kindertijds tekenles tot graffi-
to ontaard van gaapkut of billen
kippebouillon niet meer; orthodox
moet de hand gestroomlijnd en schrijft op
de rijpe granaat de boodschap van
liefde van de Khazarenstuk-staat
hoe vol haat niet met zoetwaar mager
gemest het rijkeluis snotjong van
Levantijnse komaf het mailtje
unzipt en plotsklaps ontploft als de
querulant-kamikaze vliegen-
de-bombrief straks die op maagden van
het beloofde hiernamaals azen
blijft | ach hoe komisch psychotisch dit
Shahîd-fetisjisme ónze juist
aarde hallucineert ons eretz
ardhu beloofde en als de las-
tige klant ons land niet aanvaardt ver-
brand ik wat híj claimt en tot de laat-
ste olijfboom-gaardolijf ónver-
gaard breek ik hem zuur op ’t uiersap
bijenrot in ’t oniemkbare slaat!
alleen hun IQ al! mammelmelks
Gaat en vermenigvuldigt u propt
schandelijk mededingend met on-
ze fabriek dat kutmechanisme
seks-onverzadigbaar met de pap-
lepel Ha! de papslepel da’s pas
een Witz maar met mes en vork heeft de
ingeburgerde Sud leren e-
ten en prik zegt de vork in bil en
het mes snijdt pens van de varkensbuik
dat het puik van de mens gevoed wordt
en wepel zoog ongedierte zorg-
vuldig veredeld apebroodboom-
fruit niet uit de ukkenmond plukt en
gebruikt voor hun hete bonobo-
fokfeest waar van de kut naar de stuit
ieder hol met stuks fruit gevuld wordt |
een tuiltje rukken of rampetam-
pen | die ruil is een taal! betaald wordt
er niet! die nuk moet er uitgestampt
dat onkruid gewied; de rampen E-
gyptes die ons de Here gebiedt
Vuur! O Walkurenrit van de drie-
hoek-vampiers met Tarnhelm op, gypsies!
O uitvaagsel, schuldig acht je de
Rechter aan de complottheorie
laffelijk ’t Rijksbelang te bescha-
digen, span- en handlangersdienst ter
vijandbegunstiging te verrich-
ten en botweg loopjongensklussen
te klaren door wat heet Wederstand
schietgeweren en schroot te bezor-
gen, weerspannig het hang- en sluitwerk
van ach des Opperbevelhebbers
cybernetische brein te lichten
en zo zich toegang tot hogere
lagen nog boven het aller-Op-
perste Staats Geheim te verschaffen
zo hoog zo subliem vervluchtigd e-
therisch dat het ontsnapt aan des Op-
perbevelhebbers brein, zijn Hoogste
Idee van Opperbevelhebber-
schap ontgaat, die zijn eigen schepping
vergeet, raket aan de dampkring, en
daar kreet gij sujet dit poly-Chi-
nese dit Pulcinella-secreet
bruusk van de daken terwijl het nie-
mand warempel eigenlijk nóg in-
teresseert o de Voorhang scheurt in
de tempel ik scheur mijn priesterskleed
en veroordeel tot ’s Rijks verdedi-
gings werkkamp jullie die ’t stichte als
tot stichtend exempel Jongens, de
gasten die ’s nachts de beestentrein reed
Moorwaarts naar Esterwegen waar turf-
steek hen wachtte Waar staat te lezen
ondanks de huiduitslag die zijn lijf
overdekte put hij zich uit in
het kamplazaret met ziekenbe-
zoek aan die niet genezen. Een boek.
Uitvaagsel-huiduitslag als krijtkorst
na -korst van psoriasis door geen
zee te genezen door geen Dode
geen Dode door geen Dode geen Do-
de Doder en Doder want op wa-
ter belust dronken van water | waar
ze in drijfzand der Hel drijf ze ver-
welkom met je armen van modder
aan hun enkels en kuit ballen en
fluit een elektronische voetboei
geklonken demonen van gewa-
pend beton slurpt niet verzadigba-
re lust aan de watertafel drukt
ze omlaag Onvloeibaar dikker maakt
het verzadigend zout pekel; het
bladerdeeg der naakten verkorst er
met haar schaal, in geen Aïn Guedi door
opgedroogde bonestaak douches
weer streelbaar te weken Als het dor-
stende ree hunker ik heer naar uw
bron maar van heinde in Onvruchtbaar-
heids Zee te zien gezaaid en van ver
exoskeletten van verdwaalde
garnalen elke hinde en bok
Daarom kalk ik het beeld wit wat ik
schiep, ik overpleister en -gips al
je lepra op ’t identifica-
tie stuk kont lepel ik stroop uit voor
stoma, de pink aan het truweel van
de meester sluit de lip waar je aars
dringend door buiksprak Perkamenthuid
is schoongeschraapt ontlikdoornd herlooid
herbruikbaar besta je weer gewis-
te Mijn pen schrijft je geschiedenis
palimpseste, alsof niemand jouw
versie die je stamelde miste
met ‘Kijk! een konijntje’ komt de ram-
melaarklauw viltomfloerst hameren
aan de poort van ’t paleis, droomt je de
lust voor die zijn myxomatose
nog niet afschrikt, maar plots kreukelt je
strompelvoet kadavers van hazen
en daar in de V-oksel geprangd
van een wilg slaapt als je Todesver-
kündung een lappenpop: de raaf; ach
je navel die je bloot houdt, bewoont
retrocaecaal je blindedarmworm;
aroma van souksouk en youyou-
ende vrouwen doorspookt web waar je
Enkidu verwacht maar de pook in
de hand de eenogige die stier
is en mens slacht bij de exit, haar
acht als je wapen tegen honderd
van hem die bij de koe ligt op wacht |
laag hangt de zoldering der ufo-
hal tropisch in Sargassozee-licht |
de schikgodin metselt met haar taar-
teschep-schaar drop op de kartellip
van je doopvontschelpmond | open je
buik voor het onstelpbare kind, dat
keizerlijk losgeknipt zijn navel-
streng-kronkels uit het stopcontact rukt,
draadloos voortaan en als de zes en
een half weldra tot vijf zijn gedrukt
ontdaan van geen waterkop of dik-
zucht der romp: één been of armstomp, heb
je de keuze, zal ’t zwaard slaan van de
rechter op het Hemelse plein •
en per één twee drie tien honderd ver-
snijdt de zich uitzonderlijk wanen-
de heerser zijn onderdaan; en hij
die het vreet óók wordt de hondensoep
Als de ogen de lucht in en ten
Hemel en het wit van de oogbol
wij zien het niet meer dat de pupil
achterna draait naar de duizend en
acht van het blauw dat is gebroken
in schildpadschubben goud door de zon
zien hoe de lotus in de dasjt van
het zout waar ooit Farhâd en Sjirîn
Leylâ en Madjnûn over tot schol-
len gekraakt oppervlak draafden op
hun gepaarde gespan schimmels, tot
bloei komt in de korst-polyhedra
zand waar de zefierbries zijn strepen-
web kabbelt, variegata het kleed
zebra- of luipaardvel en open
de hoed breekt van boleet, amaniet
dan weten we niets meer van de roep
van het steeds steedser vermorzelde
aan de oever waar lauw Sjiva’s ab-
lutie in de vloeistof verrichten
wij en modder die diep dekschildblauw
glanst op de betegelde beekvloer
naar balzak en borstenvlak, en oor-
politoer scheppen o sadhu in
de ochtend o heilige oryân
die zo graag zwierf tussen graven en
met je hand het zo fraai blootgelegd
vleesfruit dat hij aanbood taxeerde
op zijn rijpheid en woog hoelang het
strelen met je zooleelt je eigen
vermetele degen het bekwis-
pelen dan, knaap, met twee polsen en
lippen en muisbal en tien kneden-
de vingers het zorgvuldig gehaakt
baardwerk de lipkussens de tongslag
het tandeloze bed van de kaak
speleologica van de keel-
holte smaken ooglid en oorflap
om pit en om steen, om vruchtvlees om
zeemvel van de praikokkos birkûk
fructus persicus sluiten nectar
amrita fructus Ambrosiæ
en het kwijl van de soefi sijpelt
zijn baard in, bergriviers honinggeil
uit Ararats ark geruist uit de
flanken van Demavend en Elbroes
stroomt langs zijn benen, als onophoud-
bare straal urine, ter aarde
op de glasplaat uit achttiennegen-
tig vlijtig vastgelegd opgespaard
door een baner van spoor in Oud Te-
heran ik kreeg je getuigenis
van die het bewaarde doorgaf aan
mij die er dit gebruik hier van maak
Heeft deze blik die je roekelo-
zer dan ver de hemel in wierp dat
niemand zijn boemerang uit de droom-
tijd terug zag toén al de lichtflits
verglaasd van het ma‘asjallâh Mo-
lybdenum laboratorium? fel
verlicht ook de tien miljoen door de
kerstboom zodat elks radiografie
netjes het krattenvlijm aan het licht
brengt met Pritt-papierlijm geplakt in
elk zijn verraderlijke pochet,
assasinisch gapende aarsgat
de as van het boze scherp steeds om
toe te slaan in de rug van de vrij-
dom en nooit zijn de zwarte dozen
gevonden. Zal soms hun zangeri-
ge, die Frankensteins tongval afblaft,
de beul in liefde beschaven? •
maar de konten der vrouwen open
te breken, billen cycladische
kalebassenpaar-risten, knopen
gevlochten knoflook waartussen zich
de hand voor het fisten doorworstelt
peddelvin de bezwemvliesde want
wijzend naar dubbele overkra-
gingen baardfluim-zwart om de oester:
daar ligt de parel in en op straf-
fe van bankroet roof ik het maagdschap
gestort in de groef | de liefdesbrief
thuisgebracht naar de moeder der stie-
ren hoorns door de waaghals, octopus-
armenkrans als zijn hoofdtooi, omdanst
post uit Atlantis, Mesopota-
mië, Westen waar ik, het Noorden
kwijt, even buitenzwerf als maar O-
riënts licht naar Canopus’ Zuiden
het Kruis tegemoet de bron van n-
tú en langs het Hamitische n-
t-n-tí en naar clicks der buite-
laars boude tuimelaars tegenpool-
antipodische neusgat spuiten
der kaap | daar ringen door heen te slaan
oren doorborend met het goedko-
pere koper beter voor doop dan
hun heidens ivoor en mocht toch dat
gluipende niet hun frats uit te slaan
zijn, dan hakt de voorbeeldig botte
machete lidmaat of lid af, waar
maar de zonde het ergst in huishoudt:
nog niét gepleegd is de diefstal maar
zij zal of ontsnapt de slaaf en hij
lapt het al en al loopt van hun volks
ontucht ’t gerucht niet eens rond, wij rui-
ken hun lucht. Ze stinken als dieren.
Wie rubbermelk gaart, in emmertjes
levert, die wordt het leven gespaard;
opgespaard, duizendmaal aan de paal
van zijn drijver overgeleverd
– rubbermelk gaart die in de te paard
staande slurf, niet moe fijngevoelig
de drie prehensiele lipjes met
strovuur de impregnatiestaaf op
te doen rollen, hun vleeshuls vliesdun
gehouden tegen de vlam en het
als mahoniehout levend donker-
bruin onyx wemelt van zwartblauw ko-
balt maraschinorode guirlan-
des uit Hubble’s melkweg-explosie
en doorgelicht rolt zijn voorhuid zijn
fokhout langs tot hij spuit in haar preut;
wie de kinderoogst gaart, gebukt aan
haar lippen, spaart op zijn bankreke-
ning wel menige bruid en Leo-
poldiste, biddend om uitzet tot
haar God en haar guit, het Manneken
Pissebed, naar toeristisch verluidt
Stuksgetal emmers waarin hun bloed
met het rubber wedijvert, wordt door
het gepaardgaande geld betaald van
het giftig godsgeschenk, dagelijks
’t vegetArische ras Tartaarser
gehakt te voeren, dat spreidt het so-
cialisme. De bond van ’t vak doopt prin-
sesselijk het fregat wier harpoen
Afrika’s zweefvliegboten geluk-
zoekers entert Paar o duet li-
belblauwe glazenmakers en stuur
tegendraads je krekelzwerm legers
naar ’t opwarmend Noorden Rijk staan de
tafelen en met kruimels gedekt
Brahms als de Oïstrakhjood, de Svjato-
slav-Duitser opus zes maal achttien
spelen, de Sovjet componist Sjos-
takowitsj zijn ultieme Sona-
te spaart ons ’t gepingel en geve-
del dat kunst kundig als smoes gebruikt
van de Star Wars-prinses: Heydrich als
schaamlap voor Maleisische Unter-
mensch-eunuchen wie ’t bloed bruin gonor-
reïsch door de luierseks dhatu’s
gesijpeld komt Sla het martella-
to als lied Zing het cantabile
als snaarpees-ontwortelende cem-
balon-staaf Zeem niet de bloedspatten
van je slachtoffer uit: flitsloos ver-
eeuwigt het mijn steeds digitale-
re portrettendoos Bloed schiet als de
kikkerdril-fontein uit mijn opgestut-
te kut, mijn haast afgerukte lust-
stuk Hoe mooi klinkt hier de muzak-mu-
ziek van de doedelzak klassiek voor
het poedelnaakt publiek voor de kiek-
kakelde koekeloere kukel-
de Klux kikeri clicks corico-
-qui-cocu guck ook ik uk coq au
keuken kokkerol derdebolder-
de riepesol drolkak Het verhe-
ven gemak tongklikt en handklapt en
zweepklakt en liefst collaboreert; het
betoelagende tongbeslag valt
dik op de zangerige tong van
wie toegeblaft al spoedig ook blaft
de monddood gemuilkorfde springt hit-
sig het spits vlees uit de voorhuid als
men hem plots uit de bek ’t bit slaat, en
’t kwijl, dat naar bloed dórst als hij toespringt
Waf waf geef een pootje aan de gast-
vriend, begroet blaffend de vriendelij-
ke meneer aan ’t matras-dragende
rooster van het bovenste stapel-
bed de enkels door twee lussen e-
lektrasnoer gekluisterd kef kef en
de knieholten winkelhaakrecht o-
ver de rand vallend van ’t freem, verti-
caal de drie vierden van het lijf in
de diepte en zijn kaken: waarom
bangelijk dichtgeklemd heeft iemand
al ooit uit een verwonderde aars-
mond ten hemel geveest ‘Here ver-
los mij in uw handen beveel ik
mijn geest’? maar zo zuinig is met spraak
niet slechts hij! allen verzwijgen be-
scheiden hun dankbaarheid lik-lik ze
weer praatziek, slobber-slobber kwijl-kwijl,
goedige mensenvriend, de kleine-
re billen met gekietel tot hui-
ver, griezel tot kippenvel: daar hup-
pelt je buit, welverdiend snoepgoed voor
je weldadige tong, spring over-
eind, zet je gebit in zijn voorhuid,
voorpoot-manchetmanen getrouw op
zijn uitstekende knieschijven, plaag
driftig je stinkende raket zijn
opeengeklemde lippen door, paar
o Hond! met de christenhond de jo-
denhond paar hond met de Koranhond-
pedarsag als ikzelf opstond het
bekken naar de muur gekeerd beider-
zijds getild van de grond voeten ge-
nageld van de handen van ’t kruisbeeld
zijn Christusfiguur van die ’t in Beck-
enried hieuw, vlees uit gebeenderte
kijk niet neer met uw paar bloedrode
ogen op uw parende hond hoe
ik ’t kruishout o on-meedogenlo-
ze gesmeerd stoot in de gapende
wond van uw zaligmakers roos, e-
vangelie polyglot uit uw hart
vuur sproeiend gorgel met één huigslok,
één glottisslag mijn strot door en kom
Amerika! televangelis-
tisch in elk godgewijd huisgezin
dat de kut van zijn broek openknoopt
wanking for Armaggedon wánt: de
wet is de wet, I’m only doing
my job you know, beveel is teveel
hebben ook wij het niet geweten,
ook wij niet het geweten, ook wij
geen weet \ van ook ‘wij’ geen weet van ‘ook’
wij geen weet ‘van’ \ ook wij ‘geen’ weet van
ook wij géén weet van óók wíj geen weet
ván ook wij geen wéét van ook wíj geen
weet van óók wij geen wéét ván ook wij
géén weet van ook wíj geen weet ván ook
wij géén weet van óók wij geen weet ván
wat de schuld licht, hier beneden? waar
de schuld hier beneden ligt is niét
van belang; schuld in de hoogte wordt
door de schepper gedelgd; schuld in de
hel heeft geen betekenis. epos
van de schuld in de vorm zelf van de
schuld die aan de vorm wordt gedragen
en daardoor wordt ingelost. Het werk-
tuig staat stil, even, bezint zich. De
dichtere wijkt voor de veel verder
verwijderde. Hij komt hem nabij.
Liefde vervangt wat in het vers wordt
gelegd als zij niet ligt in het echt
Bloedgeile knaap met de Venetiaans
blonde krullen Jij daar | O Heer die
verfrommelden weer te lopen leert:
opgeraapte per bus Zyklon b
of zo niet wat de nazi-Nase
vol leut omhoogtrok: de Judenna-
se door niespoeder-Platz geleegd van
hun snot haar botrot-rachitis haar
hovaardig gesmeek om Sabaoth
Riesenfalter per conische straal
insecticide en de vampier
van de mot uit hemelen neerge-
haald Raham van uw hand o Rabbi
herstelt geleiding der aders, duc-
tiliteit der trachee: uw warmte
ontstijft het bloed dat tot hars stolt van
de exoskelet-citine, tot
pop voor de ‘anqabût-slurf ‘aqrab-
kreeftegang sprokkelhout voor de hooi-
wagen krab-tarantula dans, ru-
taila! | Ja rapen jullie hem op
van zijn brits en duw zijn geraamte-
mikado per kar naar mijn cel in’t
rotsklooster der Teutoonse solda-
ten Jij daar sta op! | O Heer ik ben
kreupel want van de heuvel gestuikt
domweg gestruikeld toen ik de steen-
groeveheuvel afkwam door eigen
rotschuld O mensenzoon, met één en-
kel gebaar van u, heer genees ik |
ik breek je nog stukker! weg met die
broek en draai me je stinkende hol
toe waar tyfusgeschijt uit spuit in
een eigeel straaltje; is gespuug in het
openbaar niet verboten; daar zet
ik zo een stok voor | die achterdeur
maak ik dicht | op dat lopend schijt past
een tap | o Heer al dat ruggemerg
van uw krachtige lenden schudt aan
mijn wervels bikkelt mijn boomstam tot
een stere gehakt | Ik stamp tot de
breuklijn je als bij Wegeners drift
snijdt in vier ledematen: dat uit-
stekend scheenbot onder je linker
knieschijf mag los en uit het verpap-
te bevrijd, die pols aan je rechter
mag door; naar de smid! er past wel een
haak in, en wat je rechter betreft
wat boven de knie zit mag je be-
houden, ook op de stomp van je schonk
raak je omlaaggehinkt; o het fijn
Fabergé ivoor-craquelé der
eischaal geplet in het celadon
van je huid verpulvert mijn duim, en
je schoonheid bezing ik moordenaar
moordenaar van mijn volk jou verstom
ik! die aars de niet zwijgt, schreeuwlelijk
prostaat-protest eruit slingert en
eruit slingeren laat, ik breng haar
tot zwijgen, metsel en spatel het
gat van het graf dicht waaruit het gat
van het graf niet meer zal verrijzen!
O edele kop, de vesica
piscislens van je lippen-aman-
del doorklieft als de schaal der weegschaal
je mondspleet, opengetongde; hoe
me het voorhoofdgroef-drietal lief is
geen dertig! jou dat het toevertrouw-
de dier van je broer der liefde be-
kommerd heeft en bezorgd in je huids
korrel welks evenwicht asymme-
trisch het geel verfelt dat je aanbracht:
één strook en abstractie tilt je, je
lichaam, in je geheel naar je geest
Wat valt te leren dan dat het le-
lijke dit vernietigen moet, want
leren is lelijk zijn en je zien
op het beeld betovert en ergert
rechtleersen en eerst verkracht je hun
aanrandershand hun rechter en vilt
van je billen het kleed der naaktheid,
de huls die kuis om je eikel schuift;
van de talen de taal verdringt van
de god der goden vervolgens je
taal en je goden die in dezelf-
de taal wonen: nooit meer te dichten
en nooit al te denken! staat er niet
‘allama bi-’lqalam al-insâ-
na min ‘alaq min ‘alaq xala-
qa mâ lam ya‘lam lam ya‘lam en
met de baraka broek gekleed van
je bloed tot slot word je uitgeroeid;
door ’t geel dat je aanbracht breekt je oor-
spronkelijke pigment, alsof klei-
oker de kleur was van je natuur-
lijk gespreide romp, van je ballen
die als koebellen zachtjes wiegen
wier koper gonst in de avondwind,
en daarop had je glanzend zwart ge-
verfd, blanke, inna fî dâlika
li qoumi ya‘qûlun inna fi
dâlika al-ayât al-ayât
blanke, mijn zwarte met het grootmoe-
dige hart, en danst met je broer van
liefde de zegedans van het schijn-
gevecht, slaat het hoofd tot het bloedt uit
zijn waskorst, maar slaat de haat, en het
scheidsgerecht totterdood, en de dood
Maagdelijk wit was en zo hoorde
het broekje om de voelhoren-lóós,
leek het wel, opgerolde slak die
zo dadelijk, geen twijfel daaro-
ver, visbeen-balein in zich ontwik-
kelen zou, strak op zijn daad gericht:
je wel parelwit schot, mocht ik ver-
moeden, maar verdrong in de hagel
van je tanden je schat, zeventien
centimeter ver van mijn hand | die
tot knokkels gebald tussen je tan-
den geprangd eerder belet had dat
je tongslak zich oprollend je keel
had gestopt schuimbekker-ijler vol
LSD en een bak bier der kan-
tine met je benen hun barre-
voetse dorsvlegels wild slaand in de
rondte | met mijn troost werd de vriendschap
bezegeld; ‘vertel ze van de drugs
niet’; verraad klonk in het Frans tot de
arts, maar je leven werd gered; ach
de achtentwintig-jarige arts
held van de Dinka’s in de poli-
kliniek, met zijn verzorgende vin-
gers om kraakbeen dat Bach weigerde
aan te slaan en gloeit in mijn pols en
zijn werkjas zo hoorde het hangt maag-
delijk wit open voor ’t bruinbekraald
halssnoer gehangen op je borsthuid-
gianduja ‘naar de Dinka’s weldra
ga ik terug’ zei je en brengt ze
je Jezusadem arts zonder gren-
zen ‘ergers dan vleeswonden die dolk-
lemmers bot rondgezwaaid toebrachten
na een rel heb ik nooit dichtgenaaid’
zei je ‘en de avond zelf dansten
de kerels bij sorghumbier en zang
hun geschils pijn weer hun lijf uit want
als het wondweefsel trilt, heelt het ver-
snelder, maakt het littekens fraaier’
Met de staaf van zijn zwart flitslamp en
zonlicht absorberende oogbal-
membraanblik verjoeg hij uit mijn pols-
slag de brand, keek en genas me ‘An-
gola was erger’ klonk me lieflijk
zijn Vlaamse Franskiljons in het oor
‘Bittere wanhoop want wel drie keer
had frontwissel hun huizen vernield
In het land der natuur, zag ik de
landbouwers-zo-laters door rovers
op volbloed verdreven; elke krijgs-
heer doorzeeft vluchters met schroot uit zijn
klakkebus, schroot dat ik uit bot en
orgaan graaf die ik dicht opereer’
Ziel weet maar al te goed dat tweege-
deeld vlees haar holografisch verkeer
of geest zijn Niels Bohr paradoxa-
le heelal sfeer in één middelpunt,
niet kan volgen, en vlucht. Liefde ver-
schrompelt en verdooft zich in angst; de
brief gaat verloren naar de stad van
de kindergehakt slager bescherm-
heilige | kweek maar uit het fopspeen-
kondoom en zijn ontbubbelde kauw-
gum oersoep en soap opera zeep-
sop | en sop stukken van kinderen
in de doopvont en tob: niets kan nog
op van de half zeven miljard en
voor een snuif van de snuff ronselt de
jingle van de ijscoman-huifkar:
de wet van de jungle en de uk-
soldaat hakt haas uit zijn galgenaas
en zijn pa en zijn ma tillen hun
duim op uit de Eintopf gebraden |
de heiligman redt ze niet; en pas
als je naam doordringt Johannes de
Doper onwaardig je sandaalriem
te knopen de gezalfde gewijd
fok je er vlees bij tot het vijftig-
tal spoken van je sponde verdwijnt
maar eerst moest geschut waarin onstui-
mig geweld samen gestort was als
in de kuil van ’t symptoom opgedist
glimmen het verhaal der metalen
Plat ligt op tafel de conjuncte
disjunctie die geloochen beaamt
stelligheid logenstraft, beweert en
betwijfelt de disjuncte conjunc-
tie: functie : verhaal dat zich herhaalt.
Dit verraad haalt slechts het epos in
door het oog van de naald, stopt al het
eindeloze in en verweeft de
anekdote in zich, zich tot a-
nekdoton. Zo hoort ongetwijfeld
het woord ongehoord het ongehoor-
de te zijn nimmer betwijfelbaar
want nooit openbaarbaar openbaar,
en zo hoort waarheid zich hier terwijl
op de vraag naar het waar onwaar als
antwoord klinkt. Slechts zo wordt gewaarborgd
dat verraad zich verraadt, rouw zich be-
rouwt en wordt gerouwd door berouw, wie
jij bent wordt beschermd tot na de dood
van het vlees Al wie dit leest wordt in ’t
ootje genomen van de naald, en
genomen door de naald in zijn o
ootje, blijft steken in de naald-o
en steken in zijn o blijft de naald
Spiegeltje spiegeltje aan de wand
wie van heel het land is de schoonste
de schoonste van heel het land der ver-
schoonden van het ‘we hebben het ja
nicht gewusst, niet bewust althans, dan
je spiegel zelf die je toont aan me
bokje ree bokje gems de berg af
gehuppeld pluk ik je wipstaart bok-
je aap bokjemens-en-knaap met de
whiplash in je konijnennek knap
knuppel de knijnegrijns van je mi-
xo-matose wipneus je knuppel
is van mij (wat heet knuppel) geeuw voor
de mijne open het putdeksel
van je stinkend riool ik vinger
die peilstok eerst naar je waterstand
die flut-ulevel tot opstand door-
prikkel ik met mijn wandelstok-pik
wát heet kameleballen toch knel
ik de jouwe plat tussen míjn ka-
liber twee kogelrollager spuit
er maar pis uit, zaad niet op voorraad
dat zet je ’t verhaal betaald van de
volksverraderlijk konings-gezin-
de groet aan De Vlag; metaal van het
schietwapen dat je droeg naar ’t verzet
wrijf ik je hondenneus voor en zijk
er je tronie vol mee die meer ge-
woon is of denk je dat ik niet weet
dat je boven-britsbuur zijn koffie-
bak leegt op je geile bek, zijn bal-
lonbillen overboord? Tot geen kwaad
meer in staat dan er staal in staat van
de stalen graat in je ruggegraat-
loze rugje die ik, je taxi-
dermist er instak, insect van me
mammies mummie! Ja murmel, dichtge-
mept bekje, bloedklonter-kralen maar
van je rozenkrans Pater Noster
De patser! Ik, mammifeer, ben het
je mummificeerder! Loop in de
goot leeg dat ik je pens van je draai
Perst ook de pers dit niet uit het jo-
chie zijn verse vlees met z’n sikje
triaceton-tri-tri tri-tri-trí-
peroxide klutst in de thermos
vol thee het idee! het melkzuigfles-
opwarmsysteem met dubbele bo-
dem tripele bo- quadrupele
-tipele onderbodemde bo-
bodemde bodem die er uitein-
delijk uitvalt vindt u niet anthrax-
antibiotica in suspen-
sievocht slik onschuldig en gorgel
de luchtvaartwaardin bezorgt wel een
slabbetje als het vliegtuigje ping
als de luchtbel ontploft ploem ploem in
de visbak visserke vis – expe-
rimenteel postmoderne kunst-a-
vantgarde viert in haar krochten de
bloedende rubberwelpen hun voor-
huid af – Laatst ontving ik die boodschap
(die net als de nächste staatsvijand
belbaar ben) in hoogsteigen persoon
van Brigitte Bardot uit vlucht nine-
ty three die helder en duidelijk
op mij overkwam loud and clear toen
de bodem viel uit het vliegtuig waar
de stiekem ontplofte radio-ac-
tieve boven-het-damestoilet-
kapspiegel-rookdetector een spits-
muisgroot Niets: een gat in geboord had
Waarschijnlijk benijdt die slijmworm dat
mosselslijm die melasse moeras-
Moor van die Muselmänner de schoon-
heid der gladde borst van zijn schoonzus
halfzus verschoonde en van haar schuld
onbewuste schunnige zusje
haar Vrijdom in Ons beschaafde be-
schamende met zijn schaafdelen bloot
paraderende Groot-Brittanni-
ë Muss es sein? Ja, hij moét dood om-
dat hij moét dood hij moét dood Doet hem
in mootjes dood en zijn moetje moet
huilen moet huil nie, en wij verpin-
ken besmuikt een lachje. Ons hAchje
gered: de verheven pink heeft het
klaargespeeld van ’t politie-secreet
en wij slapen gerust op aarde
en hel want Broere bewaakt ons wel
Onbegrijpelijk bloed: verwantschap
waar niets dan liefde tot schitteren-
de oogwenken, warm-beborstelde
wenkbrauwen, een beschadigde tand
uitwist waar zondebesef tot moord-
lust leidt, lust tot zonde en weg in ’t
parallelle heelal verwenst de
hanîf Iblis op as-sîratu-
’l-mustaqîm “ik verkies de boze
gedachte” fluistert het offer van
de christen en neemt zijn plaats in, de
zotskap op van dat Arbeit macht frei
Honour to serve en in Hare Krisj-
na-oranje narrenpak klaar voor ’t
bad in de mensendrek op elk blad
van de schrift die mensendrek heiligt
o oom dat ik jou begeer als elk
ander, hier in de beerput, volstaat?
Viel er te slapen in de nacht in
de nachttrein op de brits naar de grens
vader bij Franfurt an der Oder?,
de opgewekte staak van ’t verlan-
gen kruisdwars geplant in ’s harten kruis
van de snaak, oder? Van koolrabi-
loof en biet het ontbijt prijkt op de
tafel van de Pool | CNN op
de hotel-TV boert op uit de
buik, van zure bom niet de nasmaak
waar paardekastanje die een ta-
xirit haalt aambei of speen van uit
de endeldarm balsemt en de bo-
de doorbeent ongepijpt pijnloos op
avontuur uit Wroclaw | waar sluit het
neergerateld rolluik van uit en
jezuïtisch barok doemt het col-
lege bij de dom tot de krul | in
Mashhad van het torenpaar gesto-
ten het paar handen die elk in el-
kaars broek een teelbal van het ballen-
paar beetgrepen | daarom (of gehakt)
zijn de bananen van de peerkoe-
pel krom tegen de kerk aan pissoir
of toilet waar madam waakt maar als
schotten maar doorboord zijn is bloed ook
geoorloofd | hoe snel de minaret
op van Qom stormt de Savak niet en
smijt de imam met zijn trompetpa-
viljoenvormige aars van een mond
hups van de borstwering fatwè na
fatwè op de gelovige borst
beneden Franciscus van Assi-
si bekeer Bonaventura’s i-
tinerarium, Lull lul en de
kont het onverbeeldbare lichaam
vervangt en vertoont zich voor het oog
van Allah : deer niet de voorhuid van
die zich lulloos beschroomt, scheur niet de
voorhang van de tempel des geestes,
maar de dolk des geloofs vilt met één
haal de hele schil van de pisang
de gil van de manbare fatâ
tot een kreet, fas uit het nefas en
sacer uit necans, en salpeter-
scherp pepert zich de wet in wat lilt,
weert de ontsteking en verweert te-
gen promiscuïteit van zijn dril |
maar voor Tripoli’s pest blijft de be-
ate niet behoed en de trein die
naar Dora de weggevoerden weg-
voert vervoert hém niet, zijn nummer ont-
breekt op de lijst, dat van het werk aan
de V-Waffe zijn mond blijft verschoond
zélfs geen servet meer het uitspúwba-
re Peenemünde af hoeft te ve-
gen, blauw van zijn paarsgestoten lip-
pen die vuur vuur van de penismond
des SS-Offiziers sperma ver-
droegen maar het proeven ontzegd werd
Stap in de auto naar de poort van
de strooiweide waar Hinderickx’ hoed
Winderickx’ hoed bij ’t wederke-
rige windenlaten hindert en as
des geestes op scheten wordt vergast
petit-fours fours crématoire dan maar
en fourrés à la crème Hansje een
waterkansje Grietje die was er
niet je Boomstam na stam bord na plak-
kaat met de vermoorde door gas dat
Saddáám van de bijbelvaste belt
had, In beeld: waar hangt mijn vriend bij hen?
op het ziekenhuis-bed zegt voor de
treurbuis van het volk het de vader:
‘hoe de smoor ik erin héb dat mijn
zoon niet op het slagveld verrekt is’
juister: de vader tot de zoon in
het ziekenhuis-vertrek ‘dat je poot
af is en, erger, dat je extra-
dij moes werd in de landmijn-bonan-
za, arm is het vaderland, ik word
niet vergoed, was maar gesneuveld, je
imbeciele gebrek, hond van een
zoon van me, ontrukt me ’t geluk door
ukken ombukt te zijn als ik in
mijn sterfbed word gestopt voor de Tuk’
soep wordt gekookt van de door blote
Mai-Mai-krijgers gekidnapte blan-
kes; Kuifje in Kongo zet gebit
in de bout vlees van zijn hulpdij en
ermee heen rent het Woef Teefje dat
Bobbie heet met bot van zijn been : o
dat onkwetsbaarheid naakt Zijn in het
oerwoud garandeert en de zwaaien-
de pik door elks borstwering geschut
voor het scherp vogelpik vuurwater
behoedt van de kruisraket: die moed
voert in één keer naar de hemel waar
zich aan druiven te goed, hoeri’s hun
ogen of aan kwartelei-ballen
van de knapen het heir ieveraars
ieveraarsters, mujtahidîn, kom-
somolskiy molodi en zeloot,
zelotin doén, want op doen komt het
aan, en de opgeroepen para-
commando sjort zijn koppelriem strak
aan als zijn cockring om de loop van
Saddááms raket Enérgiya Fuck
You! op haar huizenhoge transport-
gestel-wielen voort, communisten!
naar Baikonoer | hier zal oer der ka-
ratehand uit de vingers, met bloed-
loze zwellichaam-sproeiers bezig,
de lapzwans slaan en met lege zul-
len ze staan te, met lege handen
te staan te stamelen, uitgebeend
kanonnenvlees; hier de Panzerfaust-
vlammenwerper; het zuiger-verhaal:
wapengekletter: hoe in de ka-
mer de kogel ketst, hoe de lader-
bajonetsluiting kiekt, terugslag
gevoeld in iedere ader, zal
het organische heen en weer van
hun slap, dan stijf, dan weer slap gemas-
turbeer sublimeren, heer, in de
wapenwedloop-etherische-taal
horde na horde en estafet-
teloop toorts na fascis na knuppel
Dwars door de dasjt en naar de Eufra-
tische oever, over, daar hyper,
Hebræi Ivriet het volk dat er
over moet uit het oer van het Ur
van overmoed Hiep Hoera! achter-
na en naar de daarop aan de kim
rijzende oever, niet der rivier
maar de ripa maris, de zee de
crepusculaire waarin zich tagh-
ribu-’sj-sjamsu ondergaat: westen
en buiten dat westen over die
grens heen en in de Mediterra-
ne gesmeten verzopen honderd
miljoen veroveraars plempen het
Zionistische kind het badwa-
ter in en trekken de plaspot door
o de fata morgana fata
morgana fata morgana het
morganatische fatum fata
morgana fata morgana van
de mensenzee eerst Sahara en
droogte der schorpioen die in bed
neer dreigt te vallen van de toeris-
tische mas gehuurd voor vakantie
neer van ’t plafond waar de geleedpo-
tige dreigt mijn droom te vergallen
gebaart hem een tik met stoffer of
bezem en met de hand op de krant
geduwd op de stoep gezet | tot mil-
joenenheir schorpioenen verhardt
plots en verkorrelt wat niet echt zand
was noch water drijfzand voor voet o
jochie verzonken in penetre-
rende grond Arabiës koning
bezat je zo hard niet ook niet de
Turker noch op Tweestromenlands stroom
zijn gaullistische broer O bid œ-
cumene Sjîva Drievuldige
van ‘âsjeq en ma‘sjûq en ‘esjq van
subject object en objectsubjects
snede subjectobject der vijfpun-
tige ster fractalen | ik zink op
het Rot in het plasma superge-
leidend van de poëtische taal
die één keer mag vermeld en voorts als
vervuild bestreden het kwaad is het
niet zichzelve als goed herkennen-
de kwaad; het goed het als kwaad zich niet
herkennende goed; vooralsnog tot
Tao niet is hun tautologie-
Pad overbrugbaar, al mustaqîm
is de weg, de tetravalente
het teratogene spel met het
zwaardere element waar ik ín
bén als mijn hobby-experiment
o halbstarke vent uit je tepels,
heet het, parmantig naar mijn nieuwsgie-
rige kneep gespitst, deed het spog ko-
men spuiten dat nóg! ik roepen zou
nóg! naar je, uit je uier die ’t kop-
pel cilindrische zuigers aantapt |
zo spant de vacuüm-pomp niet eens
om je zwellichaam-slurf, de zwelgrens
voorbij, als sacramenteel het lucht-
ledige ruimtepak om je e-
dele deel de spat naderbijbrengt
van bloed op de hor, mijn mugje, der
trommelwand van je zaadcentrifu-
ge | hoe geil aan je tieten staal te
zien hangen, zuivel er uit als in
het urineglas pis gegeiserd,
geteld depleted uranium
per rad, bequerel per geiger, ik
kom er haast van, je gunt het me wel |
strek maar die tenenkrullende hand
naar mijn grijparm, nufje, je vinger-
vlugge voet naar mijn hete stroopwa-
fel-ijzer-bakvorm die dichtklapt als
om de duiker der diepzee doopvont-
schelp-valvæ, lief, en je roostert in
de snelwasserij waar hemden ge-
streken van ’t zegevierende Heer
jagers (ook zij worden in hun Spit-
fires gebraden, kijken verbaasd ge-
handschoende vingers na die hun neer-
stortend lichaams vlammenzee voor zijn
F 16 B 12 onzichtbare
doodkist in officiers uniform
opgebaard, vind je niet, verdient, de
tsahalpiloot? je stijve onttapt
sperma zal stijven de kazuifel
waarin ze rigor mortis verstijft
| met stoom op je armen die hun broek
die hun hemd spreidt op de plank komt het
je verpletterde lid strijkplankpers-
deksel en je toont aan ons omstaan-
ders je radioactief stompenpaar,
vlees van je skelet gestraald | krom maar
die klauwen, mijn opgezette kraai
en je poot stop ik als aandenken-
tilism in mijn broekzak waar ik elk
van je tien laserstraal-lasbrander-
-één-voor-één-van-je-voet-afgezengd
kauw arachneïdische lede-
maten-tenen-sauté-sprinkhanen |
voel hoe me je voedt als mijn maalkie-
zen-knauw je gecaramelliseer-
de krokant knappende opperhuid
kraakt en de nagels van je tenen
als graten tussen tanden vandaan
peur en tot nagels van hun doodkist
bestempel | zoveel houd ik van jou
het restant van zijn lijf brandt niet van-
zelf op en de Kaukasus-olie
die Paulus’ armee niet in de wacht
sleepte spaart jammer genoeg zijn spon-
tane ontbranding niet noch Toten-
kopf-Schwarzkopfs naar Irak of Iran
grabbel dat levende gekrabbel
Gefreiten bij de poten en draag
het snel naar de keukens waar de o-
vens gestookt klaarstoven afstomen
wat bekokstoofd bestaat Hänsel und
Gretel speculaas van mijn dromen
Gebergte en wildernis in liept
gij mij voor : spiegel je spiegel voor
jonge bok van het ree; les uit de
ketel waar ‘Alî als ‘âli in
staat gehamerd met wijn mij die de
kolven en retorten niet weet, en,
dehqân met de wijngaard wijs mij wáár
in Shiraz’ schaduw van stokken en
ranken bedronken wordt het avond-
paars nachtpurper en lauwte en luws
koude en wind voor ons in schapen-
vilt-mantels der versterving gekleed
Wat met hitte en stank vrees voor het
vlees in ons tot moed voor de dood deed
bederven, doet stuifregen van zweet
in de tent zweven want wellen uit
huid waarvan klamheid onze handen
bedremmelt als ze schuiven op zoek
vriend naar je okselknie je oksel
je lies waarin ze rust: want alleen
intiems is nog kies onder de man-
telmat-sprei dicht om ons vijftal (ik
vergezel jullie vier) ingetukt
Delf met je verschilferde nagel
broer naar ’t vas deferens dat tikt in
mijn zadel, dat ik droom van mijn buit:
Waak voor de appel van je kinkuil,
o wijk voor die je vingert en duimt
twee kaken!, en open, waar je baard-
was een dun strookje vormt bloot voor mijn
je zo graag scherend mes, lippen die
borstelige-snorhaartjes-wildgroei
camoufleert voor mijn tong; teer duwt haar
appelboor je sterretjes vijfhoek
tot torus, en nestelt zich erin,
en broedt één zaad: je kastanje uit
Als je leven zou, wás, man, je ge-
zicht van nu een eeuwhelft geleden
gegrift in de hartschoot van de vrouw
die je koos; bruine, turkooizen en
besrode kralen van je draken-
snoet-drietal om je nek, en één voet
vast op je schouder onderwerpt ze
haar kutje aan je keuring, je rech-
ter oog staat omkohld in ’t silhouet
van de zon, slijm van verdriet reeds houdt
als een blount-las je paar oogschelpen-
paren op de troost der verbranding
open die vuurwerkmakers bate-
loos brengen in je trulli van klei,
zon van de dag die in je borstbal-
gen bloed warmt, en je voorhoofd verka-
veld trek je de grens van een trape-
zium links, plant er de armen in
der vijfpuntige ster Sirius-
Venus die je lievelings vaars er
voor je hoedt tot ze klaar-zwanger voor
haar koos die je koos die het joch voor
je baart dat je zaaide in haar voor;
overdag trek je die open met
het ijzerstrak ploegmes van je ploeg-
makkers hak, ’s nachts hurk je neer en on-
der je kruis dat je spreidt tekent je
ebbenhouten el er je zilver-
slakken-spoor en een traan schuift om je
onschuld die vergoten zal worden
gespoten als snot over het veld
van je wang, droogt er en draagt voor de
dichter die later komt geen vrucht; hij
begraaft in de verschroeide, de rest
aarde je ongeboren kind met
het potlood, dat verstuift in de wind
Vrienden, geen readymade dan de wreed-
heid maakt kunst mimetischer, niets liegt
de waarheid met groter kracht dan het
lichtdrukmaal van het brekende vlees?
maar de vraag is: verbeeld, of afge-
beeld, keert geweld, dat zelf angst is, in
ieders vlucht ervoor weer, terug in
elks vrees als welke het beeld wordt. Geen
zich houden op afstand bant zijn aan-
stekelijkheid. Van zonden de tel
kwijt zijn is voorwaarde, en van schul-
den, tot onschuld: klim naar het voorge-
borchte, hoger: de hel haar innig
geborchte: brand in het vuur en van
wat barmhartigheids aartsva ooit werd
beloofd, quod Abrahae olim pro-
misisti, van hubris, overmoed,
Eufraat-over Hebreeuwse Ivriet-
oever ontslaat u, en naar Ara-
bia’s Kreta-kusten Europa’s
Westen, het Vagevuur, van de tocht,
en de Brahmin-lach om Eleusis
bij Strabo. Niet eerder! Hand van de
reus die vanop Lambeaux’ werk held Bra-
bo werpt als Ulysses ogen van
Argus hoog met je naamgenoots speer,
oom, en de meestbelovende tok-
kelbord-speler snijdt de granaat ont-
ploffend de vingertoppen en -koot-
jes af Wéés hen Daal in de zondi-
ge onschuld van bombrief-vlees af en
springladings incarnatie. De lik-
kende hittetong pure water-
stof gloeit tot spookziel, tot dwaallichtgeest
wel drieduizend, en zuigt hun schuld in
zijn zog tot stof zijn verrijzenis.
Yâ sjahîd! In de hemel snoept de
gekeelde halwa Het hete a-
mericanumbord likt de speksla-
ger schoon, wiens lever er aankleeft van
een tong op het farrae-spiegelvlak
plak, op arachnoïden gebak
moordenaar moordenaar en een me-
ga-scirocco maalt door zijn trage-
luchtstroomstroop paardebloempluislicht grint
dat hem stenigt stenigt Gestenigd
is lekker, yo Jud!, op goyim-ma-
nier met (hoe efficiënt) maar één steen |
gaat rots waar de kerk op staat niet naar
Mozes, dan aan die rots jij en vlug!
zâalrugde ’t lijf van de wederspan-
nige inmate naakt aan de bol o
mestkever-koning van het heelal
met je kont op woeker gebonden
van stront, je bezit, je zit maar je
dondert hier auf des Obersts Befehl
van de berg en je tafels kraken
je tien geboden tot schelpzand en
van je everzwijn-hoefteen pluk ik
het nacrum, tooi voor mijn vedelstok;
Spiegelt je spiegeltje-aan-de-wand
immers dietse kunst want verboden
verdubbelt je sjirk je rabbaka,
donker kijkt je afgunstig gelaat
naar je voorbeeld: ons licht! Je véélheid
van stenen spiegelt de éénvoud, ver-
menigvuldiging zét ons delen
betaald: Gebroken op ’t driedimen-
sionale vehikel markaba-
rad draai je naar de hel maar je puik
oogst ik deskundig want voor het Rijk
gaat geen zaadje Senf ooit verloren
De autoweg brengt de maan in de
voorruit, waar een verdwaalde brok rots
Shoemaker na of wat daarvoor door-
gaat een hap uit bijt, en ’t beraffeld
kiezen-klavier er per mitrailleur-
salvo stofwolk-geisers in serie
uit slaat In een baan benadert ont-
spoord de planetoïde de aar-
de en langzaam bij elke omme-
zwaai lager wentelt het aangetrok-
ken en dichter benadert langzaam
en keer na keer door de zwaartekracht
zakkend het voorwerp aller blikken
dat maal per maal door de zwerm er-
op afgestuurd jachtschroot maalt en als
tafelstofzuiger ’t stof van de dis
haalt dat langzaam en kreits na kreits van
het volle bord al het krijt veegt en
in een lagere baan spiraalt om
de aarde nadert en schuurt door de
paniekerig hete gassen die
tegengas maar geen afdoend verzet
rake biljartkeutik tegen ’t bal-
letje geven, daalt en roodgloeiend
haast twaalf maal in een etmaal staren-
de ogen roodt, dat door ’t blozen van
de gezichten de harten tik o-
verslaan na tik en bezwijken in
hun hik Het gevaarte raakt haast en
rakelings langs het aardoppervlak
scherend de uitgedoofde vulka-
nen op naakt Gondwana en schurkt zijn
sissende schouders tegen de heu-
vels van Asi-Africa wat maakt
het uit tot een laatste beurt het de
bocht ingaat van zijn laatste traject
stuitert een eerste keer door vlakten
en wouden bij tornadogeloei
kerft in de dichtbevolkte steden
een mijlenbrede voor en een twee-
de maal suist de maanklomp over ’t te-
gengesteld land antipodische
continent en terug beitelt het
mijlen van de reuze Gran Canyon
zijn gekartelde rand stralend a-
gaat uit in zijn bladerdeeg-lagen
en buitelt ten derden male e-
ven vertraagd vlak het concave o-
ver, boort zich ten slotte in de hoofd-
stad ontploft doodt van de mensdommen
het Adamisch begin Eva’s au-
rora, deze ploegschaar in ’t keizer-
lijke kut-eventraat, riftvallei
Vallis Marineris op aarde
Wij trekken de opgewelde Nijl
langs maar eerst slaan we de tent op in
Ziwa’s oase. Op de trommen
geroffel en daar schriller gepijp
over uit doedel-uiers vol, waar
straks deegkneders het zaad uit, elk lip-
penpaar bieden als dronk Kruiden ge-
mengd met van excreties der klieren
wat stonk wordt in neusgaten getuit
tot de drift doorbreekt gegoten. Ze
rukken de kleren van hun lijven
en opgezweept door dans en muziek
drijven de ouderen de jonge-
ren broeders in hun broers in hun zoons
en neven de vaders en de ooms
de van zaad palstaande roeden tot
het genot van de twee opspuit en
omgekeerd de zoon in de vader
de neef in de oom en in zijn broer
elke broer zakt op de bodem, en
op de kokosmelk-zaad-snor om hun
lippen staat de glimlach der vrede
In de tent van de man slaapt in het
teken onder ede gezworen
herboren elk lid van het gewel-
de geweld in We verlaten het
landschap en rijden naar het Zuiden
in jeep of deuxchevaux Langs de stuit
toboggant sperma door de inge-
wand-kronkels naar de uitlaat der fluit
Geposeerd is het beeld ach gepo-
seerd is voor het zilvernitraat van
de plaat in het negentiende-eeuw-
se bordeel bloot van de zeldzame
scheen der Khajaren-courtisane,
de synchroniciteit van het ros
sikje omglimlacht door de schenker
met onverdachte haviksneus, wacht
nog negentig jaar en begeleid
deze pen elders dit epos uit
onbekeerde Khazaar, hierheen de
foto uit als vlees uit het woord, po-
seer maar je hoofd, wat maakt het uit, van
je schoonheid je bewuste, op vier
vingers in evenwicht | waar heb je,
gestempeld op je asblauwe huid,
de kartelrand-radertjes vandaan
het fractaal vlekkenpatroon dat van
zijn zandkleuriger neef zwarter de
panter camoufleert en als mantel-
waaier spreidt bij de sprong? Nooit balan-
ceert het op je pols geposeerde
meer, dode, de echtheid van je kitsch
is ons erf. Uitgespaard donker liet
je je linker gelaat, schilderde,
dolichocefale, op ’t krijtwit-
te rechter een cirkel om je oog,
het concaaf dalende vlak van je
slaap in je jukbeenboog-omkokking
als voortgezet en klim van je kaak
voort in je opgetrokken wenkbrauw |
hoe liefelijk gevat in die lus,
dat lint is je schitterende blik |
maar op links, strenge, doorgrond je met
achterdochtige ernst hem die je
hoog van op zijn mythische ros zal
doden en dwars over je wang vliegt
het lijkwit van de bliksemschicht, kerft
diep het machetesnee-verlitte-
kend wondweefsel, waardoor je, dan dóór
zijn kogelscherp-storthagel, te ster-
ven verkiest Wát rest mij, brossere
fotografe, dan hier kraal na tur-
kooiskraal van je halssnoer te tellen,
achttien korrels per vers? “Grijp maar die
grinniker met laaghangend voorhoofd
van Tsjechische-boerenjongen-hoe-
renjong (ros krult vast zijn schaamhaar als
zijn varkensstaart-zinnelijke bles)
bij de nek Out shall I check him dat
op je fretvranke bek spotlach voor
rattenvergift-grijns wijkt met opge-
trokken lippen waar grijs droesem op
borrelt als mijn balk je verrekt” ‘Ach
ik spalk al mijn benen voor mijn gum-
mi geval open | dat wachtmeester
u met de slagkracht der karwats de-
ze kloefkapper zijn stift tot wat wild
loof van spreekwoordelijke prei zoudt
herleiden als de soep maar niet steeds
dun als rioolwater elk z’n aars
zou verlaten’ “Hou maar die snavel
gedegenereerde gans van je
open dat er de geurige brij
van je bovenbrits-buurman onge-
geneerd in doorloopt wel net zo zui-
nig dat voedzaam het spaart op Sud en
op spoeling Hoef ook met tandenbor-
stel jij de latrines niet meer te
soppen want zowel tronie als vloer
maken elkander schoon in éénzelf-
de beweging bakkes und Klappe |
maar inmiddels beslecht ik graag de
partij met vlechtwerk van elk der ge-
macraméde complex-karwatshand-
vat-strengen zweepslag na slag op je
van pijngenot nóg staan grijnzen ver-
rafelend met je flut-scoubidou-
-draadjes tot knoop waaraan in het echt
in de echt verbonden ik trek en
trek weet je trek tot het in je soep
kan gegooid – niet goed? voor de honden!”
Je roos in de tuin bloeit midden sep-
tember nog als de sleutel de hor-
deur opent de tweede deur en je
eenzaamheid je geborgen als huis
koestert, die negen uur door de crack
zwierf op zoek naar levenden, makkers
‘Roept me mijn land op, dan zal ik do-
den’, maar vijf jaar later gelukkig
begiet zich je dertien-jarige
zus opnieuw voor je ogen als roos
en ontbrandt en haar doorn slechts haakt naar
en houdt je strelende hand tegen:
Niet onstofzuigbaar weze ooit De-
battatos, rugbybeer, Tony, die
reeds gekweld bent tot held, dat longpom-
penpaar dat ons in je armen sluit
Zo beducht je die Koran-Hafiz
bestaarde (levensvreugd zet immers
de scepticus-vrek voor blok) zo geest-
driftig aan dit verzetje als beul-
-leerjongen deel te nemen, wel daag
ik je uit Het minste is toch voor
elke beginner het tafereel
van de beulszwaard-sikkel waar maansik-
kel-licht zo volmaakt in flonkert bij ’t
halsrechtwerk of het voetrecht- of hand-,
maar ook het geduldig snijden van
rietstengel tot qalam met zo’n hor-
-ribile dictu uit de tuniek
gehaald vasttapijt-opinelmes
waar bij het zien als ik de hadith
mag citeren zelf van de bloedscho-
ne Jozef de dames dol niet hun
sinaasappels maar grijpgrage han-
den mee schilden schenkt moed, student, tot
de daad Zo scherp is het scheermes dat
je bepoederde nek de Jood vast
heeft voelen strijken, die Isaak ver-
ving in de kappersstoel, dat de mi-
ni-Procrustes straks op het kapblok
de knip haast niet voelt, wat zeg ik, haast
niét voelt, waarmee zijn pink, niet de na-
gel, geknipt wordt Pink-kníp pink-kníp en-
zovoort, of ringvingerknip toch en
na zo’n ringvinger knip gebedspau-
ze (Duizend tekenstrip bommen en
granaten! en landmijn clusterbom
huppelde in het hiephiep hoera
luchtruim geknuppelde en gevlo-
gen up cubpup-club er maar afge-
cut uppercut schnitten) Heer, in uw
geest beveel ik mijn handen aldus
zong ooit Mar Jacob in Zarathoes-
tra’s traditie, handig op ring-ver-
wijdering toegesneden geen hond
die het merkt dat doe je in stilte
terwijl hij beknot zesvingerig
bidt tot zijn eerbiedwaardige God
Met het scheermes die inham sneed je
je kroeshaar in o oranje, als
met pompoenvruchtvlees-pleisters, oker-
beknede knaap in de spiegel: geen
bloed liep hoe bot je ook voor je op-
tooi gewapend wiedde en rooide
de ernst van je kunst bezegelt haar
waarde | zolang je staat in de gunst
van de aarde zal kus na kus van
je lippen kleikorst doorbreken, haar
menstruaties geronnen bloedboon,
zijn sperma’s opgedroogd micaspoor |
hun hart als paarsrijpe eikel ont-
fluistert zich als een lippenpaar-paar
Hoe toch terneergeslagen wat ne-
men je ogen waar in de specie
van je verfstof en spuug? ‘De hori-
zon spelt de zaagbladzeis-ruiter: die
met mijn scalp ook de zeven vinger-
top-knoppen wegmaaien zal die ik
geduldig sculpteerde Rood van a-
hornsap reeds is mijn bijenwas-helm
Niets zal mijn hersens voor het ze op-
eisend vuur beschermen der zon en
kinderen rapen in wat ik zie
in mijn speeksel okkernoot-droog uit
mijn schedel gekrompen vlees en ver-
broddelen het al spelend tot gruis
Dacht je, langvingerige Jood dat
ik dát niet in het ootje had Goud
stinkt niet en daarom de totale
ontstopping van je gat voor zijn stront
te lijf weer hardlijvig en gepierced
door een Ring? Geef maar die cutter waar
je piloot na piloot strottenhoofd-
slagaders mee uitkerft en sloopt dat
ik op zoek naar het ding aarskringspier-
uienring na uienring schil tot
de trechter waar elk zich van zijn kwak-
spijs in kwijt ‘Heer die genadig dat
geen rozenkrans-klimplant om mijn vin-
gers zich windt streng met tienvoudig uit
elk fonteintje gepist bloedsap be-
straft voor deze drinkbare roosjes
ben ik dankbaar’ Je schoor vast met een
spaander der barak voor de zijkspie-
gel oksel- na okselhaar daarstraks
maar ik trek graag aan het rag dat je
spint en verbind je tot een pop van
het kind in je De schaamhaarbos dekt
fraai je achtogige proboscis
Verstrik je er maar in Met een mep
gaat de spin in de stoof Kis en ver-
schrompel, dat spaart plaats in de kloof die
hij schept met zijn stompjes voor zichzelf
en erheen strompelt op stompjes en
invalt en dichtstampt en vergeet waar
het graf lag en zich schrapt van de lijst
‘Heer ook de windroos niet aan vinger-
en teentoppen van handen en voe-
ten toon ik gekruisigd noch de po-
ten verast Boete te doen tot gij
een pioenroos in elk bloederig
gat plant van de vier die er spoken.’
O mooiste van allen met het hoofd
van het blond joch in het zwart dan, met
in de oker geverfd één helft je
rechter in mijn tien door elkaar ge-
knielde vingers gezet, levende
edelsteen, hun biddend gevlecht, nu
ik kniel voor je altaar en de naad
waar de kin kaken aaneensluit, het
schaambeen je crawlslagzwemmersdijen
uiteendruk met mijn schonken, je stier
Erebos, hemelgod vergeetmij-
nietblauw in je aanvaardende blik
en je dien waar je speer enkel het
bed zoekt waar zij rolt als je tong op
mijn tong tot je bliksemt en ik zwelg,
en je hoofd wieg als een bal in je
balzak, onaangebroken kokos-
noot wachtend tot de vingerdruk melk
tapt uit je weke fontanel, waar
gemillimeterd dons of gekroesd
mimosablond, blauw van het citi-
neschild vilt vormt voor de toetshamers
van het silent klavier aaiende
vingers voor het afscheid van Dowlands
Loath to depart! Hoe je kristalsche-
del past in ze en, bode, ik woord
pluk van je lippen die de mond vol
niet praten kan Je evenwichts won-
der hing je een geldstuk om, obool
aan de trits snoeren, door zilversmeed-
kunst gebuild tot een schijf Hostia
Cakram die ik leen, van je keel haal
en nu lach je je mond, jongen tot
sleuf open waar achter het bruin van
je buitenste labia, en tus-
sen het snoer voortanden-parelwit
van het hondenkreng-been (zegt de ha-
dith) het onverkrachtbaarste rose
geschrijnd van je tong ligt waar slechts tong
als geschenk past van het muntstuk, o
Charon, o doodsseraf, ajall van
jezelf, dat ik ook leg op je lijk
God en je kijkt me in de ogen
met één dat me gelijk geeft en één
waar traan in de hoek stolt die het o-
ker omraamt: het staken vlechtwerk als
wat je dorpskern omheint, kruisvorm van
Malta op je voorhoofd en één paar
schichten: de degens die ook jij dra
zult kruisen in het worsteltoernooi
Naakt is de andere, de linker
illusieloze helft. Wordt je beurt
die éne, uitzonderlijke maal
dat een held sterft na de hersenschok
op het slagveld van eer? Schoonheid ver-
gaat, maar als vernielde nog méér? Als
was elk nieuw voor elk oud kunstwerk ri-
vaal, kannibalisme de wet, want
geen wereld bewaart wat hem ontkent,
en slechts geld spaart en verduistert het?
als niemand meer luistert? En in hei-
melijk zoet leedvermaak spraakmakend
zich de beeldspraak verspreekt? Dapperheids
vrek die zich verbeeldt op de foto
en het zwaard van het glas klettert straks
sluitersnel door Damocles’ kamer
als ooit droom waarin het kind
werd geroofd rolluik na rolluiklat
neer op het kogelronde hoofd van
de blauwogige knaap die ik ken,
nooit zal herkennen, moriture,
tenzij ik je hierbij vergezel?
Breng me, Gefreiter, de negerin
dat ik jou obesitas afleer |
uit België heeft de beestentrein
niets van je overtollige Sül-
ze, maar hier zijn ervaren vetsmel-
ters. Geen versplinterde kinderblik
zal hun technè vermurwen, ziet die
zijn ouders’ vlees ook verkaden, hoe
de buik als dit beeld je voor kan be-
reiden op het deskundig bereid
everbeer-speenvarken waar we graag
het tableau de chasse mee verfraaien
naar de zede van Abraham zijn
Hebreeuwse ham van de hamel maar
op zijn Diets dan of hang je liever
je Christham op aan het slagersha-
ken-kruis in de gang waar medisch o-
ranje van het scheikundige-Krieg-
werend kostuum je met een obste-
trische tang of clysma-fuik breed de
billen uiteenspalkt en je met stront-
concentraat gespoeld calamar-la
birint Jehuwahu’s brandende
braambos of is het Wodan zijn we-
reld-es of diens as roodgloeiende
rattenkooi als in Bible Belt’s clan
Keltische Ku Klux de in een riet-
biezen reus geroosterde proefrat
Kekrops of Kuklops die zich de bran-
dende vacht in anaërobe
omstandigheid dovend trappend een
weg baant door je kanalenstad tred-
molen ínbrengt en schroeft de dop van
de witheet stralende stereo
microfoon af en licht het klepje
daar rent het vuur door je buik en voor
van als vuur door de buik van vader
en moeder rimpelt getuigen zo-
als op kokende melk het vlies voor
de rijstpap deinst mijn contractor niet
terug: je Cycladisch bolstaande
billen in cellulose-stabiel
suikerpeer-evenwicht als het ei
van Columbus plat op de kakstoel
slaat je de beul en met het karton-
snijdermes onthoofdt hij je dophoofd-
prolapse wier eenoog stulpt door het
kijkgat waar je mulattenbloed vies
verziekt in de seks-incestmixer
nuttig gerecycleerd wordt | wees blij |
pensenvel vult voor je vitami-
nerijk voer | wees blij dat je dat niet
tandvleesbeschadigend in conser-
veblik vlijmscherp voor krijgt geschoteld
want gulzig maalt heen en weer je ge-
bitzaag zich op de kartelrand wond
Maar ik maak dat je gast geklopt heeft,
een echte neger en man voor wiens
alle stammaagden wondrauw vegen-
de vlegel, open je puntzak, zijn
spuug, kwispedoor! en laat maar zijn ra-
gebol hard je schijthol door jagen
of beter: O beest van Afrika!
spreidstand van je bij punthoofd-goril-
la’s af zwellende dijklomp-dijklomp-
spagaat, dat geil door mijn gulp drupt, wil
ik en stoot dan dat wapen diep in
de hete West-Europese ne-
gerin die hier klaarligt, juist in de
snit gebracht voor je kegel op maat
Daal in haar krocht af en macereer
in haar rot je paal tot hij allengs
vergaat ‘O mijn broeder, lig in de
wonde hier, in me aangeboord Niets
blijft voor je buigzame in me, straks
pas verstrakte slang meer verboden
Open, door wreedheid, voor openba-
ring: je eb en vloeds oceani-
sche branding slechts baring wieg ik je,
zwangere, parturiënte soort man!
Naar het kruis der twee scharen schuif ik
de lichte staak van ons beider toe
want hoe is van zowel saghîr als
kabîr me • niet de samenspraak
lief, en je ónverzeerde (het lin-
ker of rechter neusgat voorzichtig
gelijk van een jonge olifant,
grijpt hij de hem gerekte papa-
ya) je aars door het glimmend slakspeek-
sel paars omringd als met parelmoer
ook je lippen, betreedt zacht tikkend
mijn spaak, gesterkt in zijn eer.’ “Ik zal
de benen der scharen sluiten, o
broeder, om ons verzegeld geheim
Duimen en wijsvingers nu de scha-
ren der benen dichtgaan om wijsvin-
gers en duimen van elk de ande-
re hand zacht drukkende ene hand
Als het zegel der blijde boodschap
verzwegen stil en uiteindelijk
gedicht met de groene klei van elks
ballenpaar dat jouw bloedend, mijn schor
stemgeluid bet, en naar je Kauka-
sisch omkrulde blik is het raden.”
‘Ook je omokerde, erin uit-
gespaard zwarte, zorgen-omwalde
blik zie ik niet’ “ ‘Sjiva’s derde, on-
blindsteekbaar, is die over ons waakt” ’
Voeten : de bijl waarop de pijl van
Rostam maar voor het oog dat me mast
aankijkt afwezig onder krullen
van koperdraad of surbahâr-gut
o bînkar met potpots over her-
sens die rauw pluk ik en open gaat
voor het visserke vis of voor de
soep die van de varkenspoot-risten
zal gekookt naar het Yin Yang van de
schedelhelften kleppert om vuist in
de offerblok-doopvontschelp gevang-
en hoezeer Göring ook tijd wint, plu-
tocratische worgengel ik droom
dat de toog vleeshouw gebeeldhouw voor
de extatische gast tonen zal
ooit als Michelangelo’s Nudo
op ons af maar postuum koestert zich
wrok om de door bloed onvergeldba-
re straf in door bloedgeld onbestraf-
bare wraak nu op dat ziekelijk
lieve, o ernstigste gepruil van
je knapenkut, wat wordt het dan zweet
tenenkaas uitzaaisels van eeltschim-
mel, dipsaus voor het brood der raclet-
te, quel qlet! als je haan kip wordt ge-
braden en manchet na manchet al-
Hallâdj zijn ontpeddelde vier vle-
gels voor pret opgezet wordt in de
stroom waar Verbijstering en Schok niet
het fut uit bombarderen zal strooit
as van hem Boudewijns embedded
contractors voor Loemumba gewet
machetes die ongeweten Gla-
dio’s net Nijvels gejat heeft ton-
ton Macout’s door het ooit rein roze-
vingerig geweten van Eoos
het fraaiste portret van de darwîsj
kijkt naar links o affectatie ge-
affecteerd taqviyè-stealth malâ-
mat-e malâmat het geheim van
het geheim zij onthuld hullen ont-
huld in het ontlogen niet liegen
van pose van sidq is wat de leu-
gen erkent | zoethout als stinkstok die
lippenkut ingeprangd, mijn boksbeu-
gel-platgemepte-boksersneus-boy
Nuba, waar verticale groefjes
’t kalisjensap in beitst dat tot kit-
telaar-spitsheid geschulpt werk van je
tong uit hun krankzinnig geprikkel-
de eikels melkt, bellend aan de toom
van hun sleuf. Oud en ervaren de
kus van je jongenslippen man, die
van elk zijn acrobatisch gebuk
gulzig het zelfpijpwerk en gul chu-
pacabra waaier rugcakra stret-
ching overneemt razend abrikoos
na framboos cactusvijg binnenzwel-
gend na vrucht van de roos. Zebra, o
vingerkam, als Afrika’s tijger
dwars je gezicht over, o monster
onschuldig o je zondige prooi
zó ben je kunst, wiens camouflage
zichzelf aan ’t objectief openbaart
maar rechts word je raster en voor vloed
van natuurs strepen bescherm je je
achter muren Âdám modderen
man hoezeer de lei van je klei ook
door het bindmiddel ei beeld werd of
schrift door het gegrif van een kei : uit
de vuurstenen griffel de kriskras-
sende kris schraapt al je sporen uit
als Veronica’s doek zweet van de
lijkwade : de geest, filioque.
Van jou wiens patatneus Afrikaan-
ser nubiels niets op je Nubische
smoel slaat, albino met het rode
van Juda, het kardoenbraam van Seth
ezel maar niets tussen je balken-
de dijbalken van mikado spaan-
plaat meccano ramt zich tegen prik-
keldraad wond schuim uit het bloedgemaal
van dat distelvoer vet Pal in je
opgeblazen luchtschip de fopspeen,
vliegende kikker aan de melkep-
pe-blokfluit aan de bamboefagot
vast als de varkensblaas-lantaren
gevendelzwaaid te heet en ontploft,
van flut die je doorgezakte buik-
navelknop uit wordt getrokken met
een lachwekkende plop Sneu dat je
lel zich nog elastisch verzet en
voor het glibberig paar knijpduim en
wijsvinger verstopt in je zwemband |
geduld doet wel klauwen aan de hand
die het grijpt groeien | geniet aan m’n
harpoen snel m’n weitas in insect,
hoe ontwricht schouderblad-schoepen het
ook tot engelse slag pogen te
brengen van de albatros spanwijd-
te, het dekschildenpaar kleppert pa-
thetisch van de meikever rond aan
mijn snoer tot je vliegensmoe je wijk
zoekt bezwijkt tót in de lucifers-
doos, of je poten kwijt aan elk van
de zes zijden of vier op dat kruis
knap bij elk exoskelet-kniege-
wricht afgeknapt, daar geil ik op, luis!
Eind der tevredenheid in je hoo-
qa-profiel darwîsj of je glimlach
vol wit van gemalen puimsteen of
schelpfossiel overvloedig van vóór
the Great Rift voorzondvloedig wilde
Je reikt owbâsj op de zilverplaat
in een negentig-graden-hoek me
je rechter-linkerwang ook aan voor
een kaakslag of zoen het schaduwheel-
al waar het parallelle bestaat
hemel en hel en voor ieder goed
ieder kwaad | het werkwoord der bijzin
achteropgeplaatst stoer voorop in
de hoofd- het zinstichtend verbum en
op MR-scanners flitst de boodschap
gespiegeld heen telepaat naar te-
lepatenpaar weer bezweer het po-
ëet met je tautologische eed
Lief naar het vlekkenpatroon van jacht-
luipaard keek je knaap of hyena’s
stinkende bloedspatten op geha-
vende vacht of edel de schmink der
esthetischste cheetah dept op je
huid onvermenigvuldigbaar sterft
de schoonheid in élke kater of
teef uit en van ze katje noch welp
stip kandidaat zo ter camoufla-
ge de as weer uit en je huidzwart
aan voor het kutje straks met je lip-
pen doorbladerd Niet zoveel later
onschuldige drukt de ruiter-ji-
hâdi-inquisiteur op zijn kruis-
vaardersschimmel de ‘roken doodt voor
de jaren’-peuk van zijn puikrevo-
lutionaire sigaar garet in
je huid niet eenmaal geen tweemaal uit
maar ontelbare sterren sterven-
de zielen cauteriseer ik in
je voor opmaak bereide borstkraag
o dandy | bloed loopt in straaltjes naar
je wangen die eenzaam hangt aan de
varkenslagers-tarocchokaart-haak
ondersteboven en met je ach-
terste voren klaar voor Fortuna’s
spaak waar je ingewand ik mee bin-
nenste buiten trek, voor me braak | Langs
je glimlach bestorven sijpelen
bloedkanaaltjes als tranen je juk-
been-paar op, elk oog verstikt in de
klonters voor het je wenkbrauw bereikt |
Gotisch zes driehoekjes kathedraal-
portaal : raam om boomstam en één voor
één klimmen tijdquanta naar de wor-
telkruin-hersens kroon sahasrâra
je zeespiegelpeil van koolstof- je
watertafel van zuurstofrijk bloed
je tonsuur tegemoet rond bijen-
was-kroeshaar : troost vóór de lotusflits
de tortuur in je uitknipt | knul | de
ogief der linkerpoort raam om de
luchtwortel-tovenaar met ten he-
mel geheven takkenbos-armen
verbroederde benen slank als je
tenen in aan ze zuigend het mod-
dermeer-slangengeslacht die gul uit
je kruis voorover gegulpt als
na de banjeesprong op en neer ve-
rend dans elastisch tot rust geko-
men strekken, zover de zwellichaam-
wervelzuiltandjes reiken, de nek
uit naar de aardopeningen hals-
reikend, tót hij doorknapt, gebroken
het ‘Fortmachen!’ roep ik Vondel in
Flandern met Verdinaso-accent
liefst na | was soll mir aber dein Kot-
loch das Maul ersetzen maar eerst de
tanden met beitels horizontaal
op je kaak er uitgebikt | hield de
amandeltang resten voorhuid pro-
laptisch nog aan je stang geplakt vast
in zijn greep, dat je aap mijn paal a-
tavistisch beet kannibaal waarmee
je chimpansee sparagmos botviert,
verbaast het? Nee, dan het goud maar, cas-
traat die chassidisch je gregoriaan-
se ‘daar vliegt de blauwvoet’-melismen
omjodelt en vult je zakken met
snoepgoed als je Driekoningen zingt
nooit meer cariës zingen cari-
tas Arisch aria’s Ich aber
van wie ’t bakkes bekend de knuppels
deepthroat van bareback-op-hengstenrug
hun zadelloos kruis tot bloedens toe
rauw rijdend op het lederbekleed
schoenrekker-staaltuig van hun steriel-
makend zadel rijglaarsgeschoeide
Europeeërs van Au en Oï: is
de bek gevuld met wier bierstraalbe-
zopen dweilpiemels Heil! ach Hänsel
und Gretel jij van wie ’t Rimpelstiel-
chen Stiefelchen steifes Steinpilzlein
niets dan met mijn sadistische duim
blauwgedrukt buisjesveld in je Sa-
tansboleethoed hamster je zak vol
eekhoorntjesbroodjes en op je zwam-
men gestapeld rim’ et ça ram’ com’
tartin’ boteram’ wat moet ik met
cèpes die liefst naar tartuffelgoed wroet
Daar dan je tanden in gezet, met
je vederbos-oranje kom hier!
jouw beurt komt later want Ohrmazd laat
je groeten die je Krisjna ontkent
‘O wee dat je, akhi, mijn futuw-
wa als vocht proefde en koesterde
op je tong en mijn tong nu, die ooit
slib-löss door zijn pisspleet tot zich nam
en met drijfzand zijn vas deferens
schoonschuurde, met bot in je mond van
mijn boomstam zult rukken’ | ‘voor moordda-
dig gepijp kniel ik, mijn martelaar,
en hang met mijn oksels op je dij-
benenbrug, zweet op je knieschijven,
offerandebereid schuif ik mijn
handen onder elk van je billen
en masseer je geheim’ | bijt in dat
bloedzuigergezwel dat mijn meester
het liefst wil verscheuren met piranh-
a-gebits haarvatgroot speldenwoud,
hagel meloenknikkers uit vlees van
zijn god rukkend ook doorslikt, en wreek
mij die dat volksvreemde Geziefer,
die goj hier met zijn piemelkut ga-
pend esthetisch bedreigt aanrandt, met
kiezen die hoe botter hoe liever
die homp van hem kauwen, macere-
ren met spuug, flut babbelut van zijn
kut op de tong als karamel la-
ten smelten elke lel van die del
del! en geen smirk meer presidential
je snuit met rood-wit-blauw van je Yan-
kee star spangled banner optimis-
tisch besmuikt! haak in zijn kruisgejank
je doorbeugeld gebits stekende
ankers en het rad-van-het-levens
getijden ik wacht wel op je eb
op de vloed etmaal na etmaal dat
je vermaalt wat zijn Het hiet in de
taal der psychosplijters tot splinters
‘niet geheel kannibaal deels kanni-
baal zijn van je edelste deel o
mijn vrijand’ | ‘ik bloed uit elke po-
rie die öm zuigend gepijp in mijn
eikelspons opent, elke barst die
geknaag in mijn spelonklichaam slaat,
spat met scharlakenrode stippen
geplette-lieveheersbeestjesverf
je gelaat met mijn bloeds sneeuwbui pok-
dalig, met mijn kwispel gedoopt in
dit bad gelukzalig’ breng het Fräu-
lein, de sloor binnen, de meid van de
Kommandantur die op haar knieën
de handen van haar trommel-pupil
pampers tampon en menstruatie-
bloed wondverband wil omdoen dat nooit
de zoon van von Beethoven die twee
hun bederf opruimen moest wegens
unbewusst maar zijzelf dweilt mit den
Flügeln van haar wipneus hun rot op |
kijk hoe hun ringen in hun linker-
oor rinkelen en geen Prince Alberts
sieren met handboeiengekletter
de franje van hun beider karwats
bij ochtend-schermutseling Gespoeld
met wat chloor levert de martelvloer
ons herstelbaar metaal, Tertulli-
ane, voor de uitrusting op der
gladiatoren, des Reichs Kriegsindus-
trie en voor het military petro-
industrial complex van mijn cock-
ring, der ’s Ding toch maar doet standhouden
maar de oplossing moét dringend ge-
vonden en de toonladder op wat
voor u goden slechts spel: roep ons, sub-
liems, dat op qânûn het kwartet de
veertien gezangen van de Heili-
ger Dankgesang Oswiecim het graf
leeg is gevonden en geen as meer
te rapen in de mensenbot-mo-
lens Crucify Bush is niet ma‘jûz
slechts Dajjâl’s drakenbloed: weerwraak op
zijn intentie al-Lâh’s Logos te
doden op het zondige kruis: de
krengen per serie aan de leven-
de krengen weer tot leven gewekt |
‘laat door de doden zich de doden
begraven laten’ sprak het begin,
al Qaul-u des Heren, want wie rijdt
naar het kruis plet tussen harnas en
zijn gedweeëre vlees rijdier ver-
drongen wat als kruis dat op hém rijdt
wordt getorst door zijn rug; gesel, be-
rouw, hem dan der onsublimeerba-
re zonde, het woord der immanen-
tie | de speer prikt of elektrisch op
de stoel het serpentengif van Fos-
foros Gods Sabaoth-aanvoerder |
in de doodstraf gelooft hij die ze
sterft, en met die straf wordt gedood wie
ze gelooft als zij zegt “Ik ben die
sterf en ieder ik aan mijn straf mee
doe sterven” O Tod wo ist Dein Sta-
chel! o Spel, roep incarnaat tot uw
even van alles-om-het-eeuwi-
ge-even; aan uw lach even deel,
goden, te hebben al begrijpen
we zó wat in u droef is en huilt
fluister ik ‘âmiru-‘l-mu‘minîn
in Falluja Kom, die de juffrouw
opzij observeerde naakt in Su-
sanna’s Amerikaanse cloa-
ca, de punthoed gaat af; geslachtsca-
kra’s bloed-oranje besmeurt niet je
sublimaat meer, door God verkoren;
frigide knijpt zij de meeldraden
der bloedwitte lelie uit en aan
krieuwelende appendices stuift
spartelend doodshoofdvlinder- na mot-
membraan op in kinderhand-vingers |
als het lint dat je kloten-paar aan
het kloten-paar van die kloot bond die
in zijn stront zich daar wentelt daar waar
zijn kop in onderste bovenkop
geplant staat als liep de stront uit zijn
neusgaten als gemouthfuckte snot,
braaksel uit mond, als je nou dat doek
naar je toetrok krachtig Arabisch
pront met je ballen aan je bevlag-
gestokt zadel, wie van ons beiden
verkiest dan the Lord en wie aan het
kortste eind van Latino of ’hood
te lang zich heeft af-, de ballen er
aftrekt er wordt getrokken naar af –
‘Lief met naranja der onbedwing-
bare lust het kroeshaar-vol-lintjes,
snok de castratie van het doorbloe-
de kameel- en schimmelfoktuig in
ons samen met laatste, geilste ge-
not’ “en van de doodbloédende kind-
jes de toekomst gewroken, ogen
scharlaken bloedbrilomrand van je
het gecentrifugeerde zaad uit
je mustang-teelstang gebroken, lief,
met geluk van ons samen.” Amen.
Âmîn. Ay-men. “Die met vaarzen-o-
gen me aankijkt, denk niet dat ik door
je blik van wreedheid word afgeschrikt
De olifant doopt zijn slurf in de
aarde, maar met het staal dat hem stroopt
schil ik tot tongen der schorseneer
en in zeven zwevende zuil: zijn
greep uit de hemel Hoe je ook niest
en je neusbrug ophaalt en blusem-
mers snot op het schrikdraad stort dat je
Kingkongding Archaeornis onthaart,”
‘Chirurgisch precies beschaaft me het
lemmer der verticaal en geen lijm
loopt als weleer uit mijn sinusi-
tis-verstopte neus om wat God zijn
vlijm heeft gescheiden weer als clown Joost
zijn radijs en eeuwige grijns te
verbinden. Ik druk de inkt van mijn
varkensschijf op de munt om je nek
en ik ijk je met bloed, o beul van
mijn keuze Schuif die obool nogmaals
tussen neusvlees en wangen Hostie
als zeis Pateen als versterver van
Ieder verlangen die uit het ga-
pende gat van aangezichts kutvlees,
uitbener, het laatste knor dat het
stutte nog hebt gekerfd en gefreesd’
“het gedicht dat ik leerde vriend op
de grote trom te slaan boven me
de met bier van bananen gul o-
vergoten boomstam te dragen als
de olifantsslurf erect van het
uitgespogen verzamelde vers
sperma der manbaren van het dorp
het gedicht, het sperma-ververste
verversende sperma dicht is het
enige nu geen potlood papier
dekt als het ochtendzaad het panda-
nusboom-blad weleer | de savanne
door de Sahara in van de hut
die ons graf werd weg en nomade |
onthoud ik wat jij onthield en ont-
houd je wat ik onthield wier onthou-
ding vergetelheid spelt gezel op
de muur Morgana waar waarschuwing
door ’t Upharsin der ufo-djinns wordt
gewist door zandduivels Fata-tor-
nado | het enige nu geen eik-
kurk de zwerm zabûb meer belet van
de plee zich al vretend toegang te
banen naar elks door bloed haast verstop-
te en wee niet met logo-volle
maar dia-rree lege klapbuikvlies”
‘je verwonderde blik die scheel kijkt
met schotel-ogen naar schotels wordt
gepierced met Saturnus’ schotel die
ik draag onder je neus aan mijn nek;
zit je gebukt met je tot een boks-
vuist gebalde kont op de kakstoel
der latrine wat wil je pront met
je kaken knel in de bril dan dat
guillotine-gewijs de eier-
onthoofder hamschijf na hamschijf van
je onderlijf zaagt het valt in de
cloaca waar geen hond erom vraagt’
[Flits ze verbijstering van ons Sa-
baoth-Heer, raket van ons kruis en
schok in hun jongenskutjes waar Lu-
cifer aan voor uitstrijk na uitstrijk
gestreken het grotje mooi voor je
paal uitlicht, als in Plato’s verhaal]
‘Lik met je vinger in urine
gedoopt de overtollige klei
nat van mijn schedel en het zwartle-
ren kaakbeschermersdeel van de helm,
de bakkebaard-hertshoornvaren tong
van mijn huid batik en spaar als de
onderliggende uit : toon wie ik’
“plant in me de withete veertjes
die de kaketoe spreidt: kam op mijn
schedelnaad als sterren-antenne
en lik van je duim wat was verlo-
ren in was: honing uit weekgekne-
de raten die bessenmoes van hulst
heeft gerood” ‘maat red ons maat van de
tamboerijnslagers red! trommel-ka-
dans red ons der trommelaars, red ons!
haar geheugen terug vindt het ver-
splinterde Egypte in ons die
door trommelvlies doof zijn en verge-
ten; het bier vloeit en de knokkels met
beugels gepantserd voor de dans van
elks hooggewelfde voet met het lint,
jeukt ons begeerte naar de kunst en
trekt voorvocht uit het boordwarm orgaan
in de oven; het web spint zich tot
matrix der vectoren der verzen,
der strofen, der dichters en de vec-
tor van ons, voordragers-volk over-
leverings kunstenaars die niets dan
de kunst te overleven nog draagt’
[Edele kunst der deconstructie
het ietse pietsje ahayues-
ca meng in het vaatwater ontbijt
van de joods haarvaataar harige
die rachitisch Khazaars niét zijn hu-
zarenstuk meer opvoeren zal si-
nusitisch in gulden evenre-
digheid snot-spinsels te weven maar
van de ladder van lijm stort hem zijn
draaierige kop die zijn poten
op de treden verstapt Kraak maar hun
ruggen! acrobatisch soms dacht je
de dierenriem-Pisces achterna
in een lus, flikkers te negenen-
zestigen, dronken van je lekken-
de klieren, nou je lesje geleerd
wacht je nog liederlijkers stinkers
van sjankers dan gejink en gejank:
aan het rad van elkaar klinkt je de
volkslijm van het zeilmakersgaren
de klinknagelschaar in je priva-
tim gebaar; druk die gedegene-
reerde, die negerkop zijn rozi-
ge schandknaap rood verhemelte diep
neer naar zijn buikoksel die gladde
Damascusrozig blote zijn lul
omhoog naar dat pruimenmondjes bak-
huis en rijg elk zijn lawijt van een
monstruosa van twaalf lippen of
meer vermenigvuldigde kutmond
vast aan zijn eigen en de ander
zijn aanfluiting, zijn lodderfluit, vod
elk zijn nog nooit onder de pompzweng-
el afgerukte kleverig pin-
kel ding met je krijgerslaarzen schoen-
makersnaald vast, met die rijgpriem die
de verminkten van Gods oorlog een
kunstlidmaat aan haakt of aan breit of
aan borduurt, aan dat wuft pruilende
negerlippen wulpse gezwel van
een parel-pistache vol verrot-
geurend voer vast, tot wat anders dan
die New Age-symbool-krul vast, tot de
acht van de Narzistische nacht: het
oneindig nooit ophoudende vuur
van wat wíj zéggen dat geldt als hun
hel: daarin wil ik de verbroeder-
de drollen van hun nul aan hun nul
traag zien verdrogen en tot nihil
vervallen in dit holst van ons hol]
[Daarom melancholisch valt het zwart
van de gal dubbel als tranenpaar
uit mijn blik die de klauw krast van de
panter van de nacht in mijn wangen
Niets dan het wachten op de dood die
zal komen als het juichend atoom
vuur van de rode casuaris-
kam dooft en van mijn hoofdtooi-aigret-
te’ “Kijk naar het kraaienpootgeglim-
lach dat zwart olijk als zevenster
in mijn mondhoek geplant vloekt met het
wit der futuristische zebra
Als te vuur en te zwaard kruisridders
Zion van de jodim bevrijd ras-
tafari Rimbaud op zijn eenpo-
tige boot vaart van Harrar naar de
mulenge vol konkelende hor-
ror the Herr horror der vacua
tussen kinderbot raapt samen het
opperhoofd en knutselt zijn dochter
voor de vorm in elkaar, knipt niet de
foto van de lachende sabra
die entomologisch in het al-
bum geprikt prikkeldraad uit waar de
zelfdoder Kaïns generatie
de schuld van geeft en zelf ongedeerd
zondigt en rondspat als de fruitvlieg
der onschuld waar de Kapo naar mept?
Bondage-satijn voor de chocola-
debruin blanke bitte! hoe fresco-
vlak strijkt het verhaal het neuskeutel-
bolrond niet, het Platonisch ballon-
netjesbuikje tot tekst niet uit in
zijn blaasje? Spreek als het negertje
tot zijn blaffende baasje Hausse
der laagste bas-reliëf-baisse geeft
de aller-de-Allah-Hoogste die
kakelt in zijn spektakelstuk bont
Dit zegt de clown onder de gekloon-
de martiri bomberjack-skinhead-
shuhadâ op de markt der rubber-
band-“Burn TV!”-party-barbecues
Maar we zetten de witte negers
het vreemde fruit dat met wasknijpers
Aburbia’s draadloos netwerk ont-
sierde waar ze hun ras mee verried
-raderlijk -rassend mee ons verdriet
aan de wasdraad hingen als priet be-
taald aan de praatpaal en aan de kaak
van de kiek gekielhaald als kemphaan
of kip in hun nakie kaalgeplukt
hielspoor weg en hun varkenskeel dicht
geknepen gekeeld en leeg aan de
vleeshaak loopt hier de mens in zijn pens:
arbeid der mamma’s van in wier ho-
nor we serve hun pappa’s maakt vrij van
vrijdom van dom vrij, en op de ta-
fel van blik op wieltjes door narren
vooruitgeduwd, twee van Baäl za-
bûb zijn insecticide-besten-
dige zwermplaag gedwee ontvleugel-
de darren, rolt in zijn lyrische
Hare Krisjna-oranje Jan, zon-
der vrees, noch vlees, zonder mergel om
het gebeente, slechts merg in bot, en
slechts vel in plunje, slechts geest in zijn
naar de morgue gedaverd kreng, zijn
te eng kadaver, inert in de
etherische fles, hij is er ge-
weest bijna, en god hebbe zijn gas
Grijns maar Picasso want dat geklad
op je smoel, ik leer het mijn kind af.
Enkel het oergevoel laat ik toe
en geen kakstoel-zandbak geprak in
de drollen ‘Gij badt op énen, gij
badt op enen, gij badt op een berg,
alleen’ Geef je voetjes HIER geef je
voetjes hier die al mooi op elkaar
rechter op linker, en met de hand
naar de schouder volg je ‘en ik o
Jesu’ de orde waarin de na-
gel gedreven, had je zo niet he
dat had je zo niet gedacht, dat de
handlangers van de macht met het bij-
belpapier waar je psalm na Psalm op
gedrukt staan vegen hun aars zouden
met de dundruk van soera soera
na soera af zouden vegen en
vegen het dunne dat uit je aars
komt gedrukt wat zeg ik gestraald uit
je geurige Wunde fraai op je
smoelwerk mag het geveegd en geverfd
en geschilderd je freche Fratze
tot kunstwerk trots door het Lager ge-
paradeerd aan het schijtend staarteind
der paarden rond aan de uitlaat van
de humvee gebonden, ren maar die
voetjes af op het slijpende zand
schandknaap zolang ze je kunnen dra-
gen het kruis des Heren alibi
habîbi ‘en ik en vind er o
Jesu’ je Indiaanse gelaat
houd het maar schuin waarin je met vilt-
stift de wrede littekens na die
glasscherf na glasscherf erin gekor-
ven had kerft zo hard tot het kerven
de scherven verslijt je kerft maar en
werpt ze tot op de foelie verkor-
ven van ’t spiegeltje spiegel weg aan
de wand Die zwei! jullie tweeën van
wie de voeten doornageld af op
het Pflaster rauw als je nagels ge-
beten geraspt van waar ze te sier-
lijke enkels zinken of klimmen
zo graag naar je doel gerend, naar de
vrijheid had je maar hier gaat de rat
gaat de muskusrat twee voor elk van
je één de buis in de kachelpijp
van het stoof-labirint cilinder-
buis-netwerk pijpleidings doolhof aan
je navels gezet kanonsmond-ge-
wijs tot door hun conserveblik licht
navel met navel door het metaal
zijn verbonden Wil dan maar Wil dan
zoals ik maar de rat weg, wil maar
het willen zelf van de willer die
met de ragebol fijn die pijp stopt
en kruit en rattenkruid op in het
naar elk van je navels diame-
traal in elkaars verlengde staand stuk
tweeloop zo fraai had je niet je dil-
do-aan-dildo koppel benut als
ik er het muskusrattenpaar-bus-
kruit in stop en steek aan hun stuiten
de lont tot hun vlucht voor VUUR! voor de
wilskracht van de bevelhebber VUUR!
VUUR voor het vuur van zijn soldaten
als ratten in de val voor het VUUR
VUUR van de salvi van de kruisvaar-
ders kruisers in het kruisvuur gevan-
gen kruisverhoor kruisraketten krui-
sig hem VUUR kruisig hem kruisig hem
door je navels heen jaagt nagels der
rattenklauwen loodhagel jaagt door
je als molsvel zo zacht buikvel, het
eindpunt van de fuikwerking, fœti
ontplof voor hun tandjes in je in-
gewand TOV naait aan elkander je
versnipperde darmen hun piran-
ha-gemaal quilts voor de armen; wat
je niet wilt het wordt taal kunst die je
buiksprak als het ware verhaal ‘maar
ik en vind er o jee- (zu- -cht) er
geen’ ‘met de vernietigde pink van
mijn linkerhand schrijf ik op de on-
derste spier links van je borstwasbord
lief’ ‘met de afgerukte duim van
mijn rechterhandstomp teken ik, bruin
lief van me bloedschrift op de onder-
ste spiervlecht van je buikwasbord rechts’
‘op de tweede der vijf spierheuvel-
knopen • van schaamhaar naar tepel-
paar rechts van je schrijf ik met mijn ring-
vinger-schim liefs aan mijn linker’ ‘ik
pis met mijn spookwijsvinger bloed op
de rechtermidden-reep van de plak
melkchocola lief die mijn lust zo
graag kookte tot je smeerpasta spoot’
‘ik doezel met middenvingers niets
op je niets lief van de vierde en
van de vijfde der tien treden der
ladder die mijn ballen beklommen
de boodschap der liefde weg voor vreem-
den voortaan nooit meer te lezen dat
niet de stomp van de pink lief van mijn
rechterhand ik bloed op je linker-
boven borstwasbord spier klad Abys-
matio en klad Abysmati-
o” Zwanger van zwellend in je buik
de augurk-koker verdwaald van het
pad af gehamerd door de inktvis-
krioeling van je draagbaar riool
Fraai die torpedo als het teken
der wilskracht in je hara sola-
ris de weg wijst naar borst borst van de
zwarte met Kretenzische rechthoek
gekrijt om de mond en naar de zwar-
te zijn borst borst wie de jachtluipaard-
-voelhorens opsprieten aan weerszij
der bovenlip ‘(Is) Voor mij soms bedoeld,
zoogbroer, de bloeddoorlopen blik die
je werpt en is voor mij soms de blik
bedoeld die je bloeddoorlopen, twee-
lingbroer, werpt? mij die als handlanger
word van Âb-u Ghuraybs Henker ver-
trouwd omdat ik blank ben en sterkst ge-
spierd der Ignubili, rosharig
Jehuda die zijn broeders verraadt?
Help ze dat vel van ze, zo üppig
met stansvormpjes gebrandmerkt tot as
der sterren, zo leesbaar voor de leek
die ik ben tolzegel-rechthoekjes
op gestempeld van inkt, keurig te
pellen van hun spieren die donker-
violet zijn gekookt, lakschil die
loslaat van de mango der ene
borst, mango der andere borst, man-
go der borst mango der borsttepels
als gestempelde kus, ingebrand
slavenmerk en broedervlek broeder-
vlek broedervlek broedervlek bewa-
kers van ’t paar harten gespaard in de
kassen, hij helpt jullie de nagels
te strekken met chirurgisch lancet
uitgerust elk als met de klauw van
de manenleeuw, Tenochtitlans vuur-
steen. Sla op syncopen van de mo-
torcade-mars swingende jazz jullie
zo van liefde vervuld borstenpaar
open waar je gulste zijn hartstocht
(open-gebroken met je slagtand-
bot-bouten dat geraamte!, vooruit!
niets in de weg meer voor de greep naar
de schat in je baleinskelet-schrijn!)
assemblage pocht suizend in je kos-
mische ei uitkotst de aura, de
holografische mist uitgulpt ge-
laden met elektromagneti-
sche begeerte nu één borstwang de
lust van je stiletto mocht klieven
de tweede uit liefde naar je wa-
pen gekeerd derde en vierde als
de boezems der zwanen op de spie-
gels van ijs Help ze Huzarenkop
naar elkaar toe gegroeid één Sia-
mezenpaars verstrengelde wortels
uit hun hartboezem-klop | hartkamer-
hamer naar elkaar uit te slaan en
de vierkante inktmond van de lynx-
jongen geils sissend te klinken op
donkerblauw eikelvlees der dubbe-
le klaverbladvorm-lippen dat geils
blaast van de drager der mangoestsnor
Doormarmer hun paar dooiers, rood spoor
‘Karn er de slachtroom uit, uit de ein-
delijk niet meer vruchtbare borsten |
zo stoer je de pantsers droeg op je
platgedrukte, met Alzheimers ei-
witplaat-exoskelet beslagen,
in Gotts gevangenis-management
de beslagen cipier der mixers
ontschroef(t) chirurgisch precies van de
proboscis der teek de draairichting
kiezend | heeft zij naar rechts zich of is
linksaf haar schroefdraad in jullie sap-
pige vlees geboord is de vraag | maar
vingervaardig ontschroeft de mixer-
-cipier uit elk van je borstenpaar
de potsierlijke tepel, spon op
de bron, ja drinkt van elkaar dan in
je yoga de bloedwei slurpende
borstmondingen als oogholten dood’
roep ik en ‘Grijp maar het karozu-
tha belijdend eerste het beste
christenjong volgeling van Hassan
en Hoessein en spijker de vier op
hun kruisteken tukke kinderlijk
molenwiekende armen en be-
nen vast als een vlinder | ach nog veel
hachelijker dan vliegende hond
vangen met dorsvlegels is de chris-
tenhond christian bat met de baseball
bat aan het kruis te slaan dat je niet
meer beweegt, verstilde natuur, waar
geen clusterbom-sjirk meer springt uit je
handen maar je de vleermuizen-zwerm,
vogelschrik met gepiep verdrijft en
verdroogt het nachtelijk spoken en
‘ankabût Sebastiaan de stofzui-
ger-zak in suist van de schikgodin
‘ach ik heb voor je bil geen as meer,
maar smeer er drek uit mijn aars op, voor
je gespaard in de pot’ “ik zalf je
met bitter zaad uit mijn etteren-
de piel want de room is op” ‘in de
kelk die aan me voorbijga o God
giet ik mijn ziel die ik in je han-
den beveel, mijn lief, drink hem op, niet
veel, drink hem leeg drink er mijn uri-
nes verschaalde geel uit, de pis die
nog is’ “ach ik heb geen glas meer maar
rochel op je mijn longterings spu-
tum-glans op je kanis kaal, van je
weggeschrompelde penis de glans
rood ik met lippenstift van mijn bloed-
keutel-klei” ‘en wei die ik tap maakt
kartelrand roestrood van een conser-
veblik-laatmes vlak op de ader’
“je gif, je ondrinkbaar sperma gan-
greengrijs de door geen smetvrees meer scho-
ne granaatscherf” ‘mijn lijf wordt inkt, dat
ik sterf én schrijf’ “met de verf die ik
aan mijn wervende wijven-pink heb
bederf en stink ik en blijf” hoe voor-
zichtig je vrouwelijkheid als aard-
appelzak gestouwd hebt je beurs met
twee knollen, coquette punk op de
tandartsstoel waar de rijglaarzen dreu-
nen, je tronie vermooit je romp die
als drol gekwakt op het voetstuk troont |
nu een neger nog, stoer en aan je
gewaagd, een Didymus-flurk uit een
tweedooierig ei, hoe neig het ef-
fect als zijn animistische steng
bonst op je klokjurk je gedrapeer-
de calzone-flappen van koemaag
we spelen het spel vandaag van de
wieg en wat ik met vingers en touw
wereldwijd netwerk zoal arach-
ne-o-ïdisch weef voor figuur; hoe
heuglijk van kinderjaren gere-
incarneerd in kunst als het opper-
spel | druk met je knieën Jakob zijn
kwalleballende labia o-
pen en nader zijn kut, je slaghoed
verwijderd Aaa! is het woord met van
bij hun schoenmakers-leest braaf blijven-
de schoeiers listig geschooide ge-
bedelde els zullen we je tong
niet (wat dacht je) opwaarts gekruld met
de spits die ik afbijt (waterli-
beljuffervleugels trillend zo snel
over plasgat en toom) vergeet het,
voorbij! verhemelte opnaaien
de amrita-fontein tot afstop-
pend spon, en ook niet je lip senti-
menteel aan de tweede lip als ge-
tuigenis, dat je mening niet vrij
‘vrij!’ och geuit kan worden ochar-
me je scherpe Satansserpenten-
tong • niet, zeg dat liever, uit mag
gestoken, uít zal gestóken, naar
de marbâ‘-ot-taqlîd! we rennen
de trap van Qoms minaret der ka-
thedraalmoskee op mu‘addhin! mo-
‘ezzin! en het ajourmarmer hop!
borstwering over in deze mil-
dere droom, maar ik ben anâ ul-
Haqq zijn ahaddiya solipsis-
tisch solistisch dit is de dagmer-
rie werkelijk! Hoeven pijnen ver-
doofd als door oorverdovende pijn
oren (voor hemelse muziek zo
gevoelig als van Beethoven Bach)
amper verdoofd de atonale-
re kreten van het onvolkse soort
niet hoeven te horen doordat kwel-
ling de bron zelf van de kwelling met
vingervaardige snit naad en bor-
duurwerk uit je gapende strotte-
hoofden wegneemt: de stem? kus met je
wondranden maar zwarte, die wulpse,
de even ontuchtige prolap-
sen van ’t blank wondweefsel-stembanden
ontbinden wij bindend van hun vle-
zige stam, pulken hun slakkenpees
van hun kraakbenen huis haast weten-
schappelijk precies want chirurgisch
en de andere twee hier! pâsdâ-
rân der neoconservatieve
omwenteling! breng naar jezuï-
tisch model ’t zwarte kabotseken
krink’lende wink’lende o singen-
des klingendes yallâh lieber Bär
waterding esm-e man âchond-e
Sturm-Schänze met het zwarte kabot-
seken aan naar ’t schavot hamdjensbâz-
hâ en in het prikkeldraad homos
geroosterd | maar edeler, als straf
voor de spraak: eeuwig genot van de
stilte waar zwijgen als de kern der
poëtische ervaring de norm
uitmaakt, de regel van de vorm in
dit klooster je verzegeling! worm
aan worm van je basgeluid tot ij-
le discant snaartje aan snaartje van
jullie bariton alt contrate-
nor en tot je jongenssopraan toe
falsetto o doedoekzang voor eeu-
wig Fauré râga tasnîf en niet,
of althans just not yet kipkap der
zwaarden blotevoeten-rekruten
van de infanterie-ineffi-
ciënten, en de schedels gespleten
in zwarte en blanke geogra-
fische Nord Süd onderscheiden par-
tijen als kreeftenschalen opge-
dist prakbaar voor de pakgrage vork
wacht maar, die keel daar die je blootlegt
met opgezwollen goître en aan-
biedt als hamel voor ’t mes, belhamel
vers uit het Revier nummer zes, o
dat koppie zo üppig en adrett
en geneigd alles te nemen van
hem die je neemt, maar met je moeilijk
tot opstand te bewegen een el
armlange bengelende slangen-
mens schlong niet, want die is van geen tel:
je open gelegde: waar de ve-
zels als hooi welig uit opschieten
als het pezengelil grijpt naar het
pezengekrioel op je zaagvlak
paardenpoot paardenpoot van ’t slachthuis
daar oefent wie voor hoefsmid leert tink
tink van de hamerslag op ’t ijzer
op nagel in de nagel en band
aan band smeed ik bloedend filigraan
van je taal slachtoffers, levend ex-
periment, tot kwartet Luthers vier-
stemmig van de târ de tombak, de
kamantsje de setâr rood als het
tapas-vuur topazo koraal op
het diepRode-Zeeland zabardjad
Zebarget eiland smaragdion
met wie open en dicht bloedt voor de
tracheotomie onder ede
en heden met mij in ’t paradijs
in de kist partie carrée met de
kelen gebusseld als vier kuise
Suzanna’s met hun lelieboeket,
lach maar poëtisch met de dichter,
blanketsel van de clown • of grof
met houtskool of uitgespaard wat toch
al zwart grijnst Untermensch-kaken want
met makaken gekruist, ernstig zo-
niet met Buonarotti’s tracé als
Atlas je last torsend, de blik op
oneindig | voor nog vier energie
heeft hier de vierschaar van Zurvâns ge-
neraalinquisiteuren te o-
ver Kronos zijn ballen met de hoogst-
eigen zeis snijdt niet tot ringen die
voor zijn zoon doorgaat Zeus Zelf met de
sikkels van de maan tot één cirkel
gesmeed vliegend trepaan zie je de
schaar van de Yin-Yang-komma-vlammen
gesmeerd op je voorhoofden je geest
wordt bevrijd doelwit voor boogschutters
gevangen Khazaren wordt je paar
van je paar niet, maar dat andere
van de schraajnwaarkeraaj even ge-
leend instrumentarium puntdui-
men om ’t gat in je vier koppige
schedelbot bewustzijnsverruimend
te boren is nuttig dat op de-
ze manier flink bij elkaar in het
open gespalkte (en dat is pas
het mooie) jullie vlak in het oog
kijken kunt eeuwig in het derde
van Sjîva elkaar aanstaart. De scha–!