Cesuur en Lemniscaat III
Cesuur en Lemniscaat III
Op het gras
wierp hij met een handruk
het zaad
dat uit zijn fluit
spoot
met een
handgebaar
verschikt hij het boeket
bloemen op het grasperk
aan de rui-
ker voedt hij het geplengd mannenvocht
en de tuil
spreidt hij op het bed
van
bruidstuiltjes vol schaafkrulgekruld
paars
kindertongfluweel der Huakinth
van bruidsjurksleepjes vol
bloedgespat
op de maagd–
–lelie,
van de tijger–
van de tros
kuipjes in de kroon van
de vijver-Koningin,
van
tot orgelwerk geknoopt aronskelk-
paviljoen–
pijpwit om de stampers
van de drie botergele kelen
de botergeile strot–
–trits uit ja-
loersheid overdwarsend van Narkiss–––––––––
–––––––––Sos als offerande offeran-
de narKiss narKiss narKiss
in een
virtuoze kreits en lus
met een
viriele handruk zichzelf en
kus
legt hij
tot uit zijn lippen melk van
dorst ontsnapt en uit elke
tepel-
corona honing over zijn borst
van honger
manna onder zijn kiel,
bierzog uit zijn prostaattulp-ei-ui,
bloedwijn door de karaftuit–fallus:
met diepe teugen waar hij op proost
Als door rijp gesteven grassprieten
tot tapijt polijst en koestert hij;
tapt uit zijn onverzandbaar vochti-
ge bron naar glijmiddel : onverza-
digbaar eeuwig jeugdig vruchtsap :
on-
der zijn
boom van Kwaad en Goed stroomt de
Olijfhof-Sodoma-Salsabîl –
levensboom de elixir–Styx en
–Lethe –
In de vijver overeind
staand
komt hij tot rust, waar hij zijn blik
ook heenwendt;
als zijn hurk-
bilvlak hij
van zijn hiel optilt, op de rechtsdraai-
ende zool hurkend van de ande-
re, stilgehouden, bil,
draait hij met
hem mee
en in een zee
spoedig, waar-
op zijn vloed uitkabbelt de wereld
van de Kunst
neemt hij in zijn open-
en dichtvouwende aars
waar, met het
sluitend diastolische en weer
opengaand systolische geklop
van de lens instemmend : gepareld
kristal op zijn geslachts kikvorspink
schiep hij het symbool ervoor en ziet
alles wat hij ook maar wilde zien :
het reisdoel, dat zijn lijfs pelgrimstocht
op de bol afsluit
en hem vlak voor
zijn voeten uitspreidt en projecteert
Plattegrond–
Hologram naar 5
naar
8 einders of naar 13
einders:
dat dra miljarden
fluoresce-
rende oogstip-lichten schitteren
op zijn kleed van pauw en diepzeevis :
Nachtpaarden
die, van links of rechts het
Platonisch beeldvlak van het portaal
in
gestapt, hun ogen draaien, naar-
mate híj de zijne diep in ze
laat zinken, wentelend met ze mee
geen van hen die ze neerslaat
geest van
alle sterren pompt het traanvlies door
dat zijn vlees van hún
gezicht scheidt met
zijn afstand
Plotseling reikt een hoef
liefhebbend uit de leegte recht zijn
ribben door met gespreide vinge-
ren drukt vol mededogen zijn hart
“Nog even”, vraagt hij “wacht!”,
buigt zich, en
het gewicht torsend van de spiegel
aan zijn borst kartelt hij de wervels
en legt hem in het gras
dieper ach
dieper zijn geslachtsdeel tot een prop
frommelend papier weg in zijn schoot
met het scherp borstbeen tussen knieën
door
lippen aan de Grond neus op de
Grond boort hij zijn voorhoofd in de Grond
HOMO
Anaconda die zich in-
ritst
ruggegraat per –graat eengepaard
met het vlak knielend in de Regel
drijft hij in het water dat zichzelf
uitwist met het water dat zichzelf
ververst
en in de rug
weet hij wat
hij vergeet
hoort hij waar hij doof voor
is
betast afgehakt zijn vleugel
van slang : wat hem verlangt
hobbelt zijn
spookvoet naar het beloofde land dat,
cycloop, hij zag
terwijl voor het pas-
sievrucht-zaad zijn tong verkankert en
cocaïne-rot zijn neusbeen nog
naar muskus snuffelt,
maar
in het Diep
vóór hem is
voor zijn zesde zintuig
hoe het glas
zijn grens in schuifdeurvleu-
gels gevat zijn stof van bladtjen op
het water kokerjuffer libel
glazenmaker
Laguiole-dun snijdt
vordert door zijn organen
nadert
zijn merg
inwendig is hij van ijs
gevleugeld
prevelt wat diamant
krast op zijn onbeschreven blad
ver-
Splinterd met in elkaar gestrengel-
de dolken neemt Het hem in de schaar
tot
– zijn streng verknipt –
zijn Ster rijst :
hun
tegenover
staande
stekelkrans
uit een verhaal
van Shiva Sharan